TWAALFDE BRIEF.

_Nismes,21 Augustus._

Gisteren avond on 7 uur zijn wij in deze stad, om zijne oudheden zoo

vermaard, aangekomen; en hebben onzen intrek genomen in het Hotèl

_du Louvre_; maar, eer ik u van _Nismes_ spreek, moet ik den draad

van mijn dagverhaal opvatten.--Wij zijn te _Toulon_ gebleven. Den

17 's morgens om drie uren vertrokken wij van daar, met denzelfden

postwagen, en langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, en die ik

u reeds beschreven heb. 'Er kwam een wel gekleede vrouw op den wagen,

die wij even bij het flaauwe lantaarnlicht ziende, meenden dat jong

en bevallig was, en verlangden na het daglicht, om haar eens ter deeg

op te nemen, doch hoe vonden wij ons toen bedrogen; het _Fransche_

spreekwoord werd hier wel bevestigd: _La nuit tous les chats sont

gris_. De morgenstond was zeer frisch, zoo dat ik om mij te verwarmen,

en tevens de landstreek naauwkeurig te bezigtigen, een goed eind

wegs te voet afleide. Ik had een stuk brood in den zak en plukte een

trosje druiven, daar omstreeks overvloedig langs den weg groeijende;

men neemt dit den voorbijgaanden reiziger niet kwalijk; hier in bestond

mijn ontbijt, en het smaakte mij zeer goed. De wagen gedurig moetende

klimmen, was ik ver vooruit geraakt, en wachtte dezelve op in de

loots, die voor een wachthuis diende, van het _camp_, op de hoogte

tusschen _Beausset_ en _Cuges_; waar ik een teug dronk; want hier

omstreeks zijn noch huizen, noch beken, noch bronnen, en de soldaten,

die vriendelijk en gedienstig waren, zeiden, dat zij het water meer

dan een kwartier ver moesten halen. 't Is hier een regte woestenij,

en die militairen leven 'er als kluizenaars; doch zij worden alle acht

of veertien dagen afgelost. Wij hielden ons te _Cuges_ niet op, om te

eten, en verkozen liever door te rijden, on nog tegen het middagmaal

te _Marseille_ te zijn; waar wij dan ook om 3 1/2 uur aankwamen.

Den 18 dezer ging ik 's morgens vroeg uit, om de vermaarde _Beaume_

of Grot _de Rolland_ te zien; onder anderen verzeld door den zoon van

een Koopman, aan wien ik hier aanbevelingsbrieven had. Wij hadden

ons van eenige fakkels en kaarsen voorzien, en dewijl de berg van

_Marseille Veire_, waar deze grot is, wel twee uren gaans van de

stad afligt, en men daar zijnde eenen zeer moeijelijken weg heeft,

namen wij, om ons niet te veel te vermoeijen, voor 3 _livres_ een

_cariole_, die ons moest brengen aan het gehucht _Bonavenne_, digt

bij de buitenplaats van den Heer Borelly, dat omtrent twee derde

van den weg is; daar ter plaatse woont een wegwijzer, zijnde een

bakker, die gewoon is, om de vreemdelingen naar en in de spelonk te

geleiden. Ik kwam met hem over een voor een kleine som. Na in een

herberg, die hier digt bij staat, wat ontbeten te hebben, voorzag

onze leidsman zich van vuurslag en zwavelstokken, en wij trokken op

het pad, en kwamen niet verre van daar langs den oever van de zee,

waar ik een menigte ballen van onderscheidene grootte vond liggen,

veel overeenkomst hebbende met die, welke men wel in de maag van

het rundvee vindt. Deze ballen, uit vezeltjes van zeeplanten en

diergelijken bestaande, worden door de beweging van het water op het

strand gedurig gerold, en krijgen daar door een zekere vastigheid en

ronde gedaante. Wat verder op komt men aan een boschje van pijnboomen,

dat aan onzen geleider behoorde; zij stonden bijna op de barre rots,

en aan de schrale zeewinden blootgesteld, en evenwel groeiden zij

nog.--Hoe vele plaatsen zijn 'er niet in onze duinen, waar zij beter

zouden groeijen, en deze liggen geheel ledig.--Een schaapskooi, van

ruwe stukken steen onder tegen eene rots in een klein dal gebouwd,

maakte geene onaardige vertooning; hier moesten wij tegen de rots op,

en vervolgens langs een zeer steilen weg weder benedenwaards klimmen,

tot aan den ingang van de spelonk, die omtrent ter halver hoogte is

van den berg. Men moet 'er op knieën en ellebogen inkruipen, en dan

heeft men eene plaats, waar men weder overeind kan staan, hier staken

wij, hoewel met veel moeite, door den wind, die in het gat blies,

onze flambouwen aan, kropen vervolgens weder een enge opening door;

het geen wij naderhand, wat verder in de spelonk, nog eens verpligt

waren te doen. Van tijd tot tijd zetten wij een brandende kaars; hier

was het nu een ruime en hooge gang, doch de grond was zeer afhellende,

en door de vochtigheid zoo glibberig, dat men dikwijls moeite had,

om zich over eind te houden. Omziende zagen wij een van de kaarsen in

het verschiet en zeer hoog, zoo veel waren wij al afgeklommen. Aan de

wanden en het gewelf zag ik hier en daar kegels van een geelachtigen

steen (_spath_), maar hier waren de schoonste. Twee pijlaren verheffen

zich tot eene aanmerkelijke hoogte, zij hebben eenigzins de gedaante

van palmboomen, zijnde boven aan het breedste; tusschen beide ziet

men, om zoo te spreken, het voetstuk van een derde kolom, deze heeft

wel wat van een _antiek_ altaar; boven dit een en ander ziet men

van het gewelf, dat zeer hoog is, als een stuk doek met plooijen

nederwaarts hangen; alles ziet zwart door den rook der fakkels,

het geen deze vertooning nog ontzaggelijker maakt. Aan de linkerhand

van den ingang komende, is een gat, dat zes of zeven voeten omtrek

mag hebben; naar het geluid door het rollen der steenen, die wij 'er

in wierpen, moet hier een zeer diepen afgrond zijn; digter bij den

ingang hadden wij nog een diergelijk gat gevonden. Verder opgaande,

zoo ver men komen kan, toonde onze leidsman ons aan het eind nog een

gat in den wand, als een oven, en verhaalde ons, dat zijn broeder de

stoutheid gehad had van hier intekruipen, en 'er wel een halfuur in had

doorgebragt, doch vond het overal zeer naauw; daar wij geen zin hadden,

om zijn voorbeeld te volgen, keerden wij terug. Hier en daar ziet men

kleine kommen met water, het welke wij ook op verscheidene plaatsen

voelden druipen: het is dan ook door deze zijpeling van het water

door de rots, naar het mij voorkomt, dat die kegels (_stalactiten_)

in allerlei gedaanten worden voortgebragt; de steen- en aardachtige

deelen, die het water met zich voert, hoopen zich op of blijven aan

elkanderen hangen en kristalliseren zich; want eenige stukken van

kegels afslaande, vond ik het van binnen ringsgewijze samengesteld

uit rooden steen en geelachtige kristallen. De beeldhouwer Puget

wilde 'er de twee pijlaren, waar ik u van gesproken heb, uit laten

nemen, om dezelven te bewerken, en ik geloof wel, dat zij, gepolijst

zijnde, fraai zouden. wezen; doch het was jammer, dat men die trotsche

voortbrengsels der natuur van hier weg nam.--Wie weet hoe vele eeuwen

'er noodig geweest zijn, om ze daar te stellen, en dit werk zou

men verwoesten om de pracht en weelde te tooijen;--ligtelijk komt

men wel weder eens op dien inval, doch ik hoop, dat de overheid 'er

voor zorgen zal. Door den tijd zullen de pijlaren zich waarschijnlijk

met het geen 'er boven hangt, in de gedaante van een geplooid doek,

vereenigen, en welke zonderlinge verschijnsels kan de natuur hier

nog opleveren. Zou men ook, daar deze pijlaren zoo lang staande zijn

gebleven, niet mogen veronderstellen, dat hier gedurende dien tijd

geen zware aardbevingen hebben plaats gehad? Behalve den weg, dien

wij gegaan waren, zijn 'er nog eenige andere wegen in deze spelonk;

maar zij zijn niet diep. Ik had geen thermometer bij mij, doch volgens

daar van gevonden aanteekeningen staat dezelve in het diepste gedeelte

van dit onderaardsch gewelf, het gansche jaar door op 11 graden, schaal

van Reaumur. Men behoort zich dan, vooral als de buitenlucht warm is,

niet te luchtig te kleden, wanneer men deze spelonk gaat bezoeken,

ook moet men niet veel goeds aandoen, om dat het ligtelijk bederft,

niet alleen door het vuil te maken, maar zelfs door het te scheuren;

want men treft gaten aan, waar men als in een schoorsteen moet

inklimmen. Aan een paar flambouwen heeft men genoeg, omdat meêr te

veel rook veroorzaken; maar van kaarsen moet men zich wel voorzien,

om die hier en daar neder te zetten. Dit hol, zoo verlicht zijnde,

levert een zonderlinge doch akelige vertooning op, en zij die een'

tempel van Pluto of hellegrot willen teekenen, 't zij voor een

tooneel-_decoratie_ of anderzins, raad ik, om dit voor een model te

nemen [73]. De rots, waar in deze grot is, behoort thans aan den Heer

Rostan te _Marseille_ volgens het zeggen van onzen leidsman. De naam

van de landstreek is _Moredon_. In het terug keeren, in plaats van

buiten tegen de steile rots niet ver van de opening of ingang der

spelonk weder op te klimmen, wees onze leidsman ons een gat binnen

in dezelve, dat hij zeide, dat gemakkelijker was. Hier klimt men

in als in een engen toren, en zoo doende komt men op een punt van

de rots uit. Dit alles is voor menschen, die het bergklauteren niet

gewoon zijn, een vreemd werk. Om de verandering bragt onze leidsman

ons gedeeltelijk langs een' anderen weg door een buitenplaatsje, waar

nog al eenige boomen stonden, en waar men ons goede druiven en vijgen

gaf. Overal hier omstreeks langs de zee, vangt men om dezen tijd een

menigte kwakkels, met een soort van netten, die men bij ons flouwen

noemt. De kwakkels, om dezen tijd trekkende, worden door lokvogels

hier naar toegelokt, en legeren dan om die kooijen, die bij menigte

aan staken onder elkanderen hangen; men maakt vervolgens gerucht, waar

door zij verbijsterd in de netten vliegen. Dit geschiedt gemeenlijk

's morgens zeer vroeg; bij dit buitenplaatsje zag ik zulk een toestel

voor die vogeljagt. Men vangt 'er op die wijze zeer veel, zelfs naar

men ons verzekerde tot 300 à 400 op eenen dag; wij hadden 'er ook bijna

dagelijks op tafel te _Marseille_. In het voorbijgaan bezigtigden wij

de hier omstreeks zoo beroemde buitenplaats, bekend onder den naam van

_Chateau Borelly_. Het huis, dat uitwendig een fraai gebouw is, konden

wij van binnen niet zien, omdat de Heer Borelly [74] onlangs gestorven,

en de familie nog in rouw was. Nu voor _Hollanders_, die buitenplaatsen

om _Haarlem_ en aan de _Vecht_ gezien hebben, is hier waarlijk ook niet

veel bijzonders te kijken; dit zal ieder onbevooroordeeld reiziger,

die het een en ander gezien heeft, met mij moeten bekennen. Echter

wil ik wel gelooven, dat het aanleggen van deze buitenplaats op dien

steenachtigen en schralen grond, in eene vlakte aan den oever der zee,

veel moeite en geld gekost heeft; want men scheen 'er de natuur nog

al gedwongen te hebben, om het een ander voorttebrengen; ik zag 'er

althans verscheidene vruchtboomen, waar nog al wat aan was, en een haag

van granaatstruiken, die sierlijk bloeide; maar het geen ik bijzonder

opmerkenswaardig vond, was de _horizontale_ beweging van een windmolen,

dienende om het water uit een ruime put op te malen, en daar mede de

tuinen te besproeijen. Deze molen, dien ik, om 'er u een begrip van

te geven, niet beter kan vergelijken dan bij een' grooten haspel of

scheerraam, daar de lakenwevers hun kettingen op scheren, staat in een

verheven koepel rondom met lange, smalle rechtstandige windgaten; de

wind hier door tegen de repen zeil, die insgelijks regtstandig aan den

molen vastgemaakt waren, blazende, werd dezelve daar door omgevoerd,

en dat al vrij gezwind, hoewel het, toen wij 'er waren maar een matig

koeltje woei. Op en tusschen de rotsen hier omstreeks is, naar het mij

voorkomt, voor kruidkundigen ook nog al wat te onderzoeken; ik zag

'er onder een menigte bekende kruiden, zoo als rozemarijn, salie,

wijnruit, de ruikende clematide enz. Verscheidene aardige plantjes,

onder anderen een heestergewasje waar aan stekelige blaadjes als die

der hulst, en eikelen, als die der eikenboomen waren; behalve dat het

schaaltje daar de eikel onder in vast zit ook stekelig is. Slechts

eenige schreden van de plaats van Borelly troffen wij een rijtuig aan,

dat ledig naar de stad reed, on zijn' Heer aftehalen; want het was

Zaturdag en dan gaan de _Marseillanen_ ook veel naar buiten. Hier mede

kwamen wij voor een bagatel gemakkelijk te _Marseille_. Ik had reeds

gezien, dat 'er in deze stad, eveneens als te _Parijs_, een huis was,

waar onderscheiden soorten van dobbelspelen in het openbaar gespeeld

werden; hier zag ik evenwel genoegzaam niet anders dan zoogenaamde

Heeren; maar dezen avond op de kaai wandelende, ging ik op het geluid

van eenige violen in een huis aldaar, en vond 'er ook een dobbelspel

voor de matrozen en zoogenaamde gemeene lieden; dit zag ik met nog

meêr leedwezen dan het andere. Tevens vindt men hier een kroeg en

danszaal, zoo als te _Amsterdam_ in de _Jonker-_ of _Ridderstraat_,

en dus allerlei soort van buitensporigheden bij elkander.

Hoewel gij het, zoo wel als ik, bij de geschiedschrijvers van dit land

vinden kunt, wil ik echter, on u die moeite te sparen, een woordje

zeggen van den oorsprong van deze oude stad. Men meent op goede gronden

te moeten veronderstellen, dat een hoop uitgewekene _Phocéensers_,

afstammelingen van de _Grieken_, _Marseille_ of _Massiliæ_ stichtte,

het 154 jaar van _Rome_, het eerste jaar der 45 _Olympiade_, of 599

jaren voor der Christenen tijdrekening; welhaast werd zij door den

koophandel, den scheepsbouw en de visscherij aanzienelijk. De wetten

van dit volk waren op steenen tafelen gegraveerd, en op de markten

en openbare plaatsen ten toon gesteld. Onder dezelven is die tegen

den zelfmoord opmerkelijk om hare zonderlingheid. Zij verbood aan de

Burgers om hun leven te verkorten, zonder verlof van den Magistraat,

die over de gegrondheid of ongegrondheid der redenen, waarom men wilde

sterven, oordeelde, en dezelven billijkende, sap van dolle kervel,

die men doorgaans in de openbare vergaderingen in gereedheid hield,

aan den lijder liet drinken. Zij waren goede zeelieden, sterre- en

aardrijkskundigen. 320 jaren voor Christus geboorte, deed de vermaarde

Pythéas al een aanmerkelijken zeetogt, stevenende door de _Straat van

Gibraltar_ tot bij _Ysland_. In het begin was _Marseille_ een vrij

gemeenebest; het werd door haar Senaat bestuurd, en hield zich zoo

een ruim tijdbestek staande; vervolgens werd zij aan de _Romeinen_

onderworpen. De Medailles, die nog bestaan, toonen, dat de schoone

kunsten ook in _Marseille_ vrij ver gevorderd waren, vooral onder

de Republikeinsche regering. Zij was toen een tweede _Athenen_ in

bloei en welvaart; doch deze gelukkige toestand eindigde ook met

het Republikeinsch bestuur, omtrent het einde der eerste eeuw van

de Christen-Jaartelling. Daarna raakte zij onder de beheering van

onderscheidene volkeren, die zich meester maakten van _Provence_;

werd vervolgens door heerschappen (_Vicomtes_) geregeerd [75] en

kwam eindelijk bij testament van Charles d'Anjou [76] in 1481 onder

de regering van Lodewijk den XI. aan de kroon van _Frankrijk_. In

het begin van de omwenteling onderscheidden zich de _Marseillanen_

bijzonder door hun Republikeinismus--de oude vrijheidszucht kwam weder

boven--en wie kent niet de _Carmagnole_, waar van de wijs uit dat

land herkomstig is, gelijk mede de zoo vermaarde _Marseillaansche_

marsch naar die van _Marseille_, als behoorende tot de ijverigste

Republikeinen, genaamd [77].

De visschers hadden hier van 1431 af een regtbank, bestaande uit vier

mannen, die zij onder hen kozen, en die in alle geschillen aangaande

de visscherij regtspraken; zij werden _Prud'hommes_ genaamd; of die

regtbank nog heden bestaat, heb ik verzuimd te onderzoeken.

De bevolking van _Marseille_, die van de omliggende landstreek

'er onder gerekend, wordt op 85 à 90,000 begroot. Het is 'er vrij

gezond, en de zeewinden vooral de _mistral's_, dienen zeer veel, om

de zomerhitte te temperen. De winter is 'er aangenamer dan het begin

van de lente, wanneer het veelal ruw en nat weder is; doorgaans vriest

het hier zeer weinig. 'Er wordt om de stad nog al wat wijn geteeld,

die meest in dezelve gebruikt wordt. De vijgen van _Marseille_ zijn bij

uitstek beroemd, en worden ook veel in de zon gedroogd en verzonden.

Den 19 dezer een van onze reisgenooten zich kleedende, voelde iets in

zijn mouw, dat hem jeukte en werd, daarop wrijvende, gestoken door een

dier, dat vervolgens op den grond viel; mij 'er bij geroepen hebbende,

erkende ik het insekt terstond voor een Schorpioen; het was met staart

en al omtrent een duim breed en lang. Op het wondje werd schorpioen

gelegd, die men in het logement in huis had; want men had ze daar

beneden aan de put, wel eens meêr gevonden, doch boven, daar wij

onze kamers hadden, nimmer. Denkelijk was dat dier den vorigen dag,

toen wij de grot gingen bezigtigen, en tegen de rotsen opklommen,

of op den grond kropen, in de kleederen gekomen. De beet had geen

gevolgen, en de Schorpioen werd verpletterd en in olij gelegd om bij

volgende gelegenheden te dienen; doch naar ik vernam, zijn die dieren

hier niet zeer vergiftig.

Ik kogt hier eenige tooneelstukken in de landtaal _patois_ of _langue

provencale_, zijnde zamengesteld uit _Celtische_, _Grieksche_,

_Latijnsche_, _Fransche_, _Italiaansche_, _Spaansche_ en zelfs

_Hoogduitsche_ woorden. Zie hier een paar spreekwoorden in die taal:

"De la fillo et de la figuiere,

Fau pas veire la jarretiero."

Dat is: van een jong meisje en een ouden vijgenboom, moet men de

kousseband niet zien; omdat men den vijgenboom zeer kort moet houden,

zoo dat de takken naar de aarde buigende, een groot deel van de

stam bedekken. "_Quu san trevo, san deren._" Die met wijze omgaat

wordt wijs.

's Namiddags om een uur vertrokken wij met den postwagen op hier,

hebbende onze plaatsen reeds eenige dagen te voren besproken gehad. Wij

hadden vrij goed gezelschap, en kwamen omstreeks zes uren te _Aix_,

waar wij afstapten aan het Hotèl _des Princes_, op de _Cours_ of

algemeene wandeling, bij het inkomen van dezelve. Het onaangename

van de reis naar _Marseille_, _Toulon_, enz. was, dat wij tot _Aix_

toe langs denzelfden weg weder terug moesten komen, althans met

de openbare rijtuigen. Ik haastte mij, om deze stad, die nog al

bezienswaardig is, in oogenschijn te nemen. Op eene groote plaats

zag ik de fondamenten en het muurwerk, even boven den grond, van

een gebouw, dat men scheen begonnen te hebben, en vernam, dat men

voornemens was hier het Regterlijk Paleis (_Palais de Justice_), en

daar bij behoorende gevangenissen te bouwen; doch dat de omwenteling

het voltooijen daar van belet had; volgens de beginselen te oordeelen,

moest het een groot en schoon gebouw worden. Op een andere plaats zag

ik een verheven _Obeliscus_ met een arend 'er boven op; doch het is

modern werk; bij de schrijvers, die ik over deze stad heb nagezien,

vind ik 'er hoegenaamd geene melding van gemaakt. De Hoofdkerk

is een groot Gothisch gebouw; in dezelve staat eene doopvont,

waarvan de koepel door acht groote Corinthische kolommen, die in

een' Heidenschen tempel, naar men veronderstelt, gediend hebben,

wordt ondersteund. Men heeft daar omstreeks meer oudheden gevonden,

waaruit men gemeend heeft te moeten opmaken, dat 'er een tempel, aan

de Zon of Apollo gewijd, gestaan heeft. In het koor zijn twee orgels

over elkanderen, en genoegzaam even eens; digt bij den grooten ingang

van deze Kerk, is een der stadspoorten; ik ging 'er uit, en zag aan

mijn regterhand een gedenkteeken; boven op stond de beeldtenis van

een eerwaardig man, een stenen tafel in de hand hebbende, waar op

men leest: _Aimez Dieu et le prochain_; en lager, twee beelden in

eene eerbiedige of biddende houding. Uit het opschrift zag ik wel,

dat het aan de Municipaliteit enz. van _Aix_ scheen toegewijd; maar

niet door wie of bij welke gelegenheid; doch vernam, dat een Charles

Sec, bemiddeld metselaar dezer Stad, het gebouwd had in 1792, en 'er

naderhand onder begraven is geworden; dit was al wat men 'er mij van

zeggen kon. Men vindt te _Aix_ gnappe straten en huizen, en over het

geheel heeft deze stad een zeer goed aanzien, 't Is jammer, dat het

Stadhuis, dat een fraai en ruim gebouw schijnt, genoegzaam achter de

huizen verscholen is, en niet op een ruim plein staat. De wandelingen

om de stad kwamen mij ook regt aangenaam voor, en ik zag 'er veel

zware ijpeboomen. Het land rondom levert ook veel olijf-olij op, die

den voornamen tak van koophandel der inwoners van _Aix_ uitmaakt. Die

olij wordt voor zeer fijn en lekker gehouden en is algemeen beroemd. De

soort, die men _huile vierge_ [78] noemt, omdat ze, zoo ik meen,

de eerste is, die uit de olijven geperst wordt, is, naar men zegt,

het meeste gezocht. De gemeene wandeling, die gij op de afteekening

ziet, en die men hier behalve de gewone benaming in deze landstreek,

_le Cours_, ook _Orbitelle_ noemt, beviel mij ook bijzonder, zoo als

gij kunt begrijpen; aan beide zijden staan aanzienelijke gebouwen,

en in het midden van de dreef drie altijd springende fonteinen,

waar van de middelste warm water geeft; het is zeer helder; en heeft

denzelfden smaak als gewoon bron- of rivierwater; boven aan de pijp,

waar door het uit de fontein komt, is het tamelijk warm, doch onder in

de kom slechts laauw. Deze bron werd in 1704 door eenige arbeiders,

bezig zijnde met een vervallen huis, aan het eind van de voorstad

_des Gordeliers_ af te breken, wedergevonden; want zij was reeds

bekend geweest bij de _Romeinen_, zoo als men tegelijkertijd uit de

oudheden, die men 'er verder voortgravende vond, ontdekte [79]. De

ouden schenen 'er een geneeskundig gebruik van te maken, en men

schrijft 'er nog eenige kracht aan toe. De regering heeft daar voor

dan ook groote en fraaije badhuizen laten bouwen, doch naar ik vernam

werden zij weinig anders dan als gewone baden (_bains domestiques_)

gebruikt. Voor de omwenteling had hier op Heiligen Sacramentsdag eene

zonderlinge _proçessie_ plaats, waarin onder anderen verscheidene

menschen in eene misselijke kleeding gedrochtelijk toegetakeld,

moetende duivels verbeelden, verschenen, en vele kromme sprongen

langs de straat maakten: men noemde dit in het _patois Provencal:

lou grand juec deïs diables_; dat is: Het groote spel der duivelen;

en _lou pichoun juec deïs diables_, het kleine spel der duivelen;

en deze duivelen gingen, let wel, in de Hoofdkerk de mis horen,

maakten het teeken van het kruis, en namen wijwater.--Wat heeft

men den Godsdienst niet met allerlei beuzelarijen en afzigtelijke

ongerijmdheden overladen!!

De vermaarde kruidkundige Joseph Pitton De Tournefort werd hier den 5

Junij 1656 geboren, en stierf den 28 December 1708. Hij bezocht ook,

zoo wel als Linnæus, ons Vaderland.

Het Hotèl _des Princes_, hoewel een groot en aanzienelijk gebouw,

is het beste niet, en wij moesten 'er evenwel rijkelijk voor het

avondeten en slapen betalen.

Men begroot het getal der inwoners van _Aix_ op omtrent 20,000; nu

de stad is ook niet groot, en het scheen 'er mij nog al levendig,

vooral op de _Cours_, waar een menigte menschen wandelde. 'Er stonden

ook eenige kramers, en een blinde, die vrij goed _Provencale_ liedjes

zong, deed de omstanders ter deeg lagchen; het speet mij wel, dat ik

bijna niets van zijne aardigheden verstond, Deze stad scheen mij,

vooral voor die genen, welke op de _Cours_ wonen, de stedelijke en

landelijke vermaken te vereenigen; slechts eenige treden en men is

buiten, en dat vind ik, als men dan toch in een stad moet wonen,

al zeer aangenaam.

Den 20 dezer, 's morgens om twee uren, vertrokken wij van _Aix_,

en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was tot _Orgon_. Hier

kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden 'er een vrij goed ontbijt,

waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten

heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al

drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naar _Avignon_, namen

wij die van _St. Remy_. Even buiten _Orgon_ aan de regterhand,

zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding

om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivier _la

Durance_, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat

het gat in de rots gemaakt, omtrent 300 _toises_ (1800 voeten) lang

is. Het werd _le Canal de Boiselin_ genaamd, en was nog niet geheel

voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder

en bevalliger. Wij reden door het dorp _St. Remy_, twee posten van

_Orgon_, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug,

toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van

oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere van Nero Claudius Drusus,

zoo men meent, en van een praalgraf, ook door de Romeinen opgerigt,

te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon niet weder

terug keeren; vooral ook, omdat 'er onder onze reizigers waren, die

grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat men _l'Orade_

noemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein

riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond 'er zeer tierig,

en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men

eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek van _Marseille_

heeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten,

die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers

noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, 'er een straaltje vocht

uitspringt. _l'Orade_ is nog 3/4 uurs van _Tarascon_, eene zeer oude

stad, twee posten van _St. Remy_, en dus in 't geheel 14 posten van

_Marseille_. Voorheen behoorde zij tot _la Basse Provence_, thans

tot het Departement _les bouches du Rhone_. Welk eene menigte kleine

windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt

hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren

gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan-

of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen

terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De

poort aan dezen kant ziet 'er nog al wel uit, doch het stadje zelve

scheen niet veel te beteekenen. Men wil dat _Tarascon_ of _Tarasco_,

van een _Grieksch_ woord, dat verschrikken of bang maken beteekent,

afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen,

_Tarasquo_ geheeten, die volgens een oud sprookje zich in de _Rhone_

ophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want

hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een

vrouw en kind had; men verhaalt 'er eene menigte allerbeuzelachtigste

vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voor evangelie werden

aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want de _religie_

had 'er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de

menschen dan al niet!--Althans op _St. Martha'sdag_ werdt de beeldtenis

van dien lelijken draak, plegtig in _proçessie_ door de stad gedragen,

om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt

had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis

(_l'Hospital_), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk

gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande

in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de

rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als

de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen

zien 'er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek,

die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van de

_Rhone_ ligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een

der Graven van _Provence_ in de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen

onaardige vertooning; en men moet ook van de _terrassen_ op hetzelve

een aangenaam gezigt hebben. Van _Tarascon_ gaat men over een lange

schipbrug, die over de _Rhone_ ligt, naar _Beaucaire_; thans ligt

'er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade

op gemaakt heeft, voorheen schijnt 'er dat niet geweest te zijn; want

een oud spreekwoord zegt: _Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait

ni vache ni mouton_. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een

tweede schipbrug, en daar over tot _Beaucaire_. Op deze schipbruggen,

waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename

zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een

alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en

op de twee steden; men betaalt een _sous_ voor de passage, en die is

vooral met de vermaarde kermis (_foire_) van _Beaucaire_ zeer druk;

zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd [80], en wij zagen

'er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt

in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor

vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad,

langs de _Rhone_, onder tenten te houden; thans slaat men daar, zoo

wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen,

lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij 'er zagen, moet deze

jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad

met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is

zeer belangrijk, en men zegt, dat 'er verscheidene millioenen omgaan;

ook komen 'er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van

het zuidelijk deel van _Europa_, maar zelfs _Turken_, _Arméniërs_,

_Marokkanen_, enz. en men vindt 'er allerlei soorten van goederen en

koopmanswaren. Men heeft 'er dan ook eenige openbare vermaken, en de

dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen

azen. Dit jaar had 'er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan

toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte,

is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in

alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; en _la

foire de Beaucaire_, is niet minder beroemd in _Frankrijk_, _Spanje_,

_Italië_, Zwitserland enz. dan in _Duitschland_, en het noordelijk deel

van _Europa_, de _Frankforter_ en _Leipsiger_ missen. De gelegenheid

van deze stad aan de _Rhone_, niet ver van de _Middellandsche Zee_,

gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter

de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het

vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert

eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die de _Rhone_ bij deze

stad, met het kanaal van _Languedoc_ moet vereenigen, en dit zal den

handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij

de plaats aan, waar die vaart in de _Rhone_ moet uitloopen; 'er werd

zeer druk aan gewerkt, om dat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen

weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch

en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van den _Intendant_

van _Languedoc_, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl,

dat hij bewoond had, doch dat zag 'er ook al niet zeer voordeelig uit;

thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departement _du Gard_

genaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt,

voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen

heeft; ik zag 'er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men 'er,

zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de

kermis is 'er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels

het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige

dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een

uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734

een gedeelte van den grooten weg door de _Romeinen_ gemaakt, en die

zich van _Rome_ tot de uiterste grenzen van _Spanje_ uitstrekte, zoo

als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die

weg wordt bij de _Fransche_ Geschiedschrijvers _la Voie Aurélienne_

genaamd. Vervolgens ziet men van verre aan de linkerhand de oude stad

_Arles_, voorheen plagt de postwagen _Marseille_ naar _Nismes_ daar

door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. Te _Arles_

zijn ook nog eenige overblijfsels van _Romeinsche_ oudheden, en onder

anderen een fraaije _Obeliscus_ te zien. De weg is hier vrij gelijk,

en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden

met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag

ik met vijf muilezels ploegen. Te _Beaucaire_ was 'er iemand op den

wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was;

hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige

Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog van _Rusland_

en _Zweden_ tegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog

van Enghien daar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in

eenen adem tegen Bonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans,

en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat

Keizer Napoléon toch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde

te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van

vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: "en waarom doet hij dat anders,

als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat

heeft Lodewijk den XIV. niet gedaan?"--Iemand antwoordde hem, dat door

de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist van _Frankrijk_

ook een' krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde;

"en denkt gij," zeide onze bankier, "dat Bonaparte het uit zijn eigen

beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt,

wie weet wat 'er van dat overgebleven derde nog wordt?" Denk eens,

Vriend! zoo veroorloven zich sommige _Franschen_ over hun' Monarch,

en over het _publiek crediet_, in het openbaar, en in bijzijn van

vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een' goeden afstand van

_Nismes_, toen wij reeds op een hoogte de _Tour magne_ zagen. 't

Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. Van _Tarascon_

tot hier is 3 1/4 post. Wij stapten af aan het Hotèl _du Louvre_,

waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was,

ging ik nog dien zelfden avond het beroemde _Amphithéater_ uitwendig

bekijken--welk een groot en trotsch gebouw! Op de _Cours_, die op

een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was

ook regt aangenaam.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 17 / 56 题