ELFDE BRIEF.

_Marseille, 18 Augustus._

Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naar _Toulon_

en _Hières_ te doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige

gezien hadden, gingen wij den 14 dezer 's morgens om drie uren, per

gewoonen postwagen, naar _Toulon_ op reis. Men betaalt daar voor 9

livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van

den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als

men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd

worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk de _barrière_ van _Rome_

(want een poort staat 'er niet) uit, voorbij verscheidene _bastides_

(buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels

ziet, die met wijngaarden beplant zijn tot _Aubagne_, een stadje aan

het riviertje _le Veaune_, 2 posten van _Marseille_ gelegen. Op een

stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat 'er voorheen ter

dezer plaatse een stad bestond, genaamd _Lucretum_; en eene andere,

niet ver van daar, genaamd _Gargarium_. De _Romeinsche_ regering

had, ten haren koste, baden te _Lucretum_ doen maken, om 'er het

vrije gebruik van aan de inwoners te laten; men meent dan ook, dat

de naam van _Aubagne_ zijn' oorsprong heeft van _ad balnea_ (bij de

baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men

ook _malvoisie_ noemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De

inwoners hebben in 't geheel den besten naam niet: velen maakten met

elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen

der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten,

nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land

van _Valkenburg_ bij _Maastricht_; en het is 'er nog niet zuiver;

doch de _politie_ neemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje

ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den

Abt Barthelemy [69], die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij

vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de

2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de

rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan

den anderen kant van _Aubagne_ is, zoo woest en treurig vertoont zij

zich hier. Eer men te _Cuges_ komt, heeft men echter een dal, waar het

'er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg

aangenaam. _Cuges_ ligt 3 1/2 post van _Marseille_, het plaatsje zag

'er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewel het

's morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in 't geheel geen

gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag 'er frisch en

gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had

daarom nog al goeden moed, dat de keuken 'er niet schraal zou zijn,

en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een

ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde

dat 'er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode

patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar

40 _sols_ de persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog

eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid

merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t' zamenstelling van het

huis, en evenwel scheen men 'er veel te doen te hebben, want het was

'er drok, en ik had 'er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen

een _Hollander_, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd

heeft, of een _Hollander_, die voor het eerst uit eene geregelde en

zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen

de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze

gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat 'er in is, hier,

dunkt mij, wel een plaatsje verdient. Een _Amsterdamsch_ koopman, voor

de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar den _Haarlemmerhout_

of _Muiderberg_) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende,

begaf zich door zijn knegt verzeld, in gezelschap van een _Duitscher_

en een _Franschman_ naar _Hamburg_, ter verrichting van zijne zaken;

want anders was de goede man zeker t'huis gebleven. Naauwlijks was hij

over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen 'er daar,

zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan te _Amsterdam_, op de

_Heere-_, _Prinse-_ of _Keizersgrachten_. Aan een herberg komende,

waar zij zouden afstappen, sprong de _Franschman_ in eens uit den

wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die 'er nog al wel uitzag,

hield hij zich bezig met haar een menigte _douceurs_ te zeggen,

en bekommerde zich om het overige niet; de _Duitscher_ volgde, en

den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of 'er wat te eten en te

drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig

rond, riep zijn' knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon:

"Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?" Nu vreemden

vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige

gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch

overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven

morsigheid. Een eind weegs buiten _Cuges_ tegen een hoogte moetende

oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en

ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier

aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen,

die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een' afgrond vormen;

een steile kronkelende weg loopt daar door, en het gelijkt hier meêr

naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte van _Europa_,

(eene regte schilderij van van Everdingen) nogthans, hoewel de wind

zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen,

buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en 'er

bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele

van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt,

op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant,

doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. 't Is opmerkelijk, hoe

deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de

spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat

'er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende

een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen

kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts

hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een klein _camp_

van 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen van _Toulon_;

zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de

rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert

zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen

geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om

den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester

van hem gemaakt, en hem naar _Marseille_ gebragt. Zulk soort van

volk wordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood

verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den

kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg

is, heeft men duchtige diepten. _Beausset_, waar wij van paarden

veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en

het zag 'er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering

zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uit _Italië_,

om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voor

_Genua_ liggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen,

doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit

plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals

en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren

vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen

gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen

matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest

jonge lieden; zij werden door _Gens d'Armes_ te paard geleid, en

leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens,

zoo dat ik recht medelijden met hun had.--_Franschen_ met ijzeren

kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren

van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders

dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen

steile rotsen, die men _les Gorges d'Ollioules_ noemt. De rotsen

staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs den weg, die zeer

ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier

en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg,

aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen,

of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een'

snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen,

die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den

weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij

ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig

dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan

moet het 'er brandende heet zijn, omdat 'er, als rondom beschut zijnde,

geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen

die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige

plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of

plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk,

en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het

steedje _Ollioules_, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in

de open lucht; _Ollioules_ is de bloemtuin van _Marseille_, en men

brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook

een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook

sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (_volcans_). Daar omstreeks zagen

wij veel Kapperplanten [70], zoo als wij reeds in menigte tusschen

_Marseille_, en hier vooral in de vlakte van _Aubagne_ gezien hadden:

de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers

zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden

voor de beste gehouden. Nu komt men op _Toulonschen_ bodem, en ziet

hier onder anderen een' grond, bestaande uit steentjes, die door eene

harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement

aan een waren gehecht. Dezen grond noemt men _saffre_; hij wordt zoo

hard in de lucht, en men maakt 'er hier omstreeks, met goed gevolg,

gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt,

heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede van _Toulon_; daar

lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug,

die eenige jaren geleden door de _Engelsche_ was afgebroken, om hier

door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen van _Toulon_

zijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen,

muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was

'er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door

het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij

aankwamen. _Beausset_ en _Toulon_ zijn ook twee, en dus _Marseille_

en _Toulon_ in 't geheel 7 1/2 post van een gelegen. Wij namen onze

intrek in het Hotèl _la Croix de Malthe_, waar het 'er redelijk wel uit

zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van

de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den

Schouwburg, waar men _de Gierigaard_ van Molière, vrij wel speelde;

na hetzelve gaf men _Philippe et Georgette_, zangspel, en ook dit

heb ik op voornamer tooneelen dan dat van _Toulon_, wel minder gezien.

Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk

was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen,

en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai

verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar

ik vernam, was slechts van hout. 't Is of die van _Toulon_ voorzien

hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.--Het ware

te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom

op het voetstuk las ik de volgende versen:

"Sur les vertus, et sur les lois

l'Auguste Liberté repose:

A la perdre l'homme s'expose,

Si-tot qu'il meconait ses devoirs ou ses droits.

Souviens toi, que le créateur

Te fit pour n'avoir point de maitre,

Lui même si bien fait pour l'être,

Se derobant aux yeux ne commande qu'au coeur.

"Mortel jusqu'au dernier soupir,

Que la Liberté te soit chère,

Ton plus digne soin sur la terre,

Est de la conserver, et d'en savoir jouïr.

"On est digne d'un si grand bien,

Lorsque l'on sait à la patrie,

Immoler tout jusqu'a la vie,

Lors qu'au bonheur de tous on attache le sien."

De twee beelden die het _balcon_ van het Stadhuis onderschragen, zijn

twee kunst-stukken van den _Marseillaanschen_ beeldhouwer Puget. Men

zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls

dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo

veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist

te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren,

na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.

Toevallig bekwamen wij een brief aan den Kommandant van het Fort _de la

Malgue_, op een' heuvel even buiten de _Italiaansche_ poort gelegen;

hoewel het zeer warm was, gingen wij 'er naar toe. Die offiçier,

die nog jong, maar verminkt was, ontving ons vriendelijk, en na onze

paspoorten onderzocht en verscheidene vragen gedaan te hebben, gaf

hij ons een onderoffiçier mede, on ons het Fort te laten zien. Het

is naauwelijks dertig jaren geleden gebouwd, schijnt zeer sterk,

en bijzonder geschikt om de reede te dekken: men heeft van hetzelve

een alleraangenaamst gezigt in zee. Nimmer zag ik in _Frankrijk_

iets van die natuur, dat zoo net onderhouden was. Rondom in hetzelve

zijn casernen en casematten; in een van die liet men ons de looden

kist zien, waarin het gebalsemde lijk van den Generaal Joubert,

gesneuveld in de bataille van _Novi_, ligt. De wand was met zwart laken

behangen, en tegen denzelven stonden verscheidene krijgsstandaarden,

met onderscheidene toepasselijke opschriften. Om de kist zag men een

soort van Lijklampen. Dit lijk werd hier bewaard, tot dat de graftombe,

die 'er voor gemaakt moest worden, in gereedheid zou gebragt zijn. De

wijn, die langs dezen heuvel groeit, is vooral hier omstreeks beroemd

en bekend onder den naam van _Vin de la Malgue_. Wij telden van hier

22, zoo groote als kleine, schepen op de reede, en waar onder, naar

men ons verhaalde, 10 van linie. De _Pholade_ een schulpvischje,

dat zich in den harden steen eene woning weet te maken, wordt ook

in de steenen aan den oever der zee, hier omstreeks, gevonden. Dit

schulpvischje, dat goed is, om te eten, geeft, versch zijnde, in

het donkere een _phosphoriek_ licht van zich [71]. De _kermes_ of

_vermiljoen_ _insect_ wordt ook op de struiken, staande op en tegen

de heuvels langs de zee in deze streek, en wel bijzonder van _Toulon_

tot _St. Tropéz_ gevonden.

Het was hier feestdag, zijnde _Maria Hemelvaart_, een van de

heilige dagen, die volgens het concordaat, in _Frankrijk_ gevierd

worden--zijnde ook de Verjaardag van Bonaparte;--ik ging eenige

Kerken bezigtigen. Die van _St. Louïs_, maar korten tijd voor de

omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een

tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst 'er in verrigt,

en 'er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai

geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk

is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in den _antiquen_

smaak gebouwde _facade_. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar

staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een

deftig en bevallig voorkomen. Wij aten 's middags in ons Logement met

eenige Offiçieren, waar onder 'er waren die zeer Republikeinsch gezind

schenen. Het eten was vrij goed voor 3 _Livres_: wij namen ook een fles

wijn _de la Malgue_, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen

van dit land. Na den middag ging 'er een proçessie door de straten,

men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige

leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij

tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden,

en vele der omstanders schenen 'er weinig eerbied voor te hebben;

sommige dreven 'er zelfs openlijk den spot mede. _Toulon_ is een vrij

gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (_le quartier neuf_) ziet

'er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant:

zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was

hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen,

die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere

militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier

zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad

ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt,

waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden

open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar

bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen,

kan het te _Toulon_ zeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer

geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den

kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij

gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men

hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van den _prefect_

van de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden,

niet ligt werd toegestaan. Ik was 'er den vorigen avond te gelijk met

eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende,

had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen

acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk voor een zeeman, die daar

een boodschap had, aangezien; doch ik kon 'er toen niet lang blijven,

om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die

'er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde

ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks,

gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet,

zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men

schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij

elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van

denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van

de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel

staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de

schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft

omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden

aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van

sluizen en pompen, kan men 'er het water uit en inlaten; als het schip

'er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan

overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter

niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen

zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld,

om geboeid aan 's lands werk te arbeiden, en waar van ik 'er hier

een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat 'er wel 4000 waren;

zij zijn met zware kettingen geboeid, meestal twee aan twee; deze

ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen

hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een

ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders

zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of

korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke

stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die

tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding

verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die

in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door

een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben

waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen,

en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en

zien 'er ook beter uit in de kleederen; zij doen allerlei ruw werk

op de werf en in de werkhuizen. Ik zag 'er ook een hoop in de stad,

komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken

ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer

zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien

geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid,

om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze,

harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men

deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer van Lavater

al vrij gegrond is; want zij zien 'er dan, over het algemeen, al zeer

afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat

van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder in _Frankrijk_,

dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn;

althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van

1532 en 1535, en de eerste _ordonnantie_, die 'er van spreekt, is

die van Karel den IX. gegeven te _Marseille_ in 1564. Voorheen waren

'er ook galeijen te _Marseille_, doch sedert eenige jaren bestaan zij

daar niet meêr, en in 't geheel worden deze schepen door _Frankrijk_

niet meer gebezigd; toen men 'er nog gebruik van maakte, dienden de

misdadigers, om ze voortteroeijen op de _Middellandsche Zee_. Zekere

Koning van _Frankrijk_, zegt men, te _Marseille_ zijnde, ging de

galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (_forçats_)

hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig

was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des

Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en

beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders

van de galei, zeggende: "dat men dezen deugniet terstond van hier uit

het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij

'er nooit weder kome!" Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is,

moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van

geest toonde; doch men zet zoo veel dingen van dien aard, op rekening

der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die

maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog

van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen:

jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid

kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en 'er

uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel

van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om in _Europa_

Vorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen;

doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere

verlichting, den bodem ingeslagen, Bonaparte is zoo wel Keizer en

gezalfde des Heeren, als de Keizers te _Weenen_ en te _St. Petersburg_;

en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer

zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne

natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt,

die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering

en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat

de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen

en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene

aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en

lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte;

zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het

bestek van den vermaarden vestingbouwkundige de Vauban gemaakt. Als men

van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het

oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt

(_perspectief_) op. Wij hadden een _Vlaming_ ontmoet, die hier ook

als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons,

als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met

ons rond te gaan.--Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze

Vaderlandsche _Marine_--voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven

door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien,

en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden

wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te

doen gelden.--Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is 'er

van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van

onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?--Moet het

vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken,

dat 'er een tijd bestond, waar in de _Engelschen_ hunne schepen

veelal in _Holland_ of te _Lubeck_ moesten laten maken, en dit is

immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne

eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen in _Engeland_ kunnende

vinden, om dezelve uit _Friesland_ te laten overkomen?--wat is thans

_Engeland_?--en wat zijn wij?

De reede van _Toulon_ wordt door sterke torens beschermd, als _la

Tour de Balaquier_, _d' Eguilette_, _la grande Tour_, en het _Fort

des Vignettes_, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.

Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige

vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren,

bood zich aan om ons naar een' aangenamen tuin, waar men eenige vreemde

planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (_la

porte de France_) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder

bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde,

lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen

wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en

gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam van

_Jardin des plantes_ bekend. De stad intredende, hoorden wij door het

gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwen _Franschen_

Keizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons

ook nog een' tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen,

die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten,

en gaven eene aangename lommer.

Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want 'er was

geen ander rijtuig te krijgen, naar _Hières_, drie mijlen (_trois

lieues du païs_), dat is drie uren gaans van _Toulon_ gelegen. Bij

het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende,

met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren, ter eere van

Keizer Napoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan

ook de Heilige _Rochus_ (_St. Roch_) die op den 16 Augustus in

den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, in _Frankrijk_

daar uit geschrapt is, en St. Napoléon, zeker ook een vermaarde

Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs

plaats gesteld. Zie onder anderen de _Almanak Nationaal_, thans

_Imperiaal_. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want

de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen,

on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al

vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. Te _Hières_,

in het Latijn _Areæ_, stappen wij af aan het _Hotel des Ambassadeurs_,

waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee

en de eilanden van _Hières_ hadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal

besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van

orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van Madame Fille

en Monsieur Beauregard de voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat

deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan,

somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres 's

jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen,

opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant,

als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet

'er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaande of

stamboomen; ook vond ik 'er veel minder citroene dan orange-appelen,

waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer

voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr. Beauregard, zag ik in volle

aarde een' hoogen Palmboom (_palma major_) die wel scheen te tieren;

voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden

voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken,

eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan

het geen men 'er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van

dat schilderachtige (_pitoresque_) lommerrijke, en van die vrolijke

verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. Een

_Franschman_, dien wij te _Toulon_ in ons logement hadden leeren

kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan,

was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze,

waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en

drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen

aan de zachte helling van een' berg tegen het zuiden, zoodat zij

voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de

terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn

trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein

of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door

een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den

ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op

de andere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk

ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze

van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien 'er geen bron is,

van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw

had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel met _Amerika_ en

de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze

planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te

worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; 'er is nog

al een muur om, en men gaat 'er door een poort in; voorheen dienende

on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers

te beveiligen; het ziet 'er armoedig en haveloos uit, en men klimt

langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het

eene aanzienelijke stad te zijn, omdat 'er toen een zeehaven was,

doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed

eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een

kleine jongen aan, zoo veel wij van zijn _patois_ verstaan konden,

om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots,

nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en

die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen

tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door

onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren,

vroeg hij ons om twee stuivers (_dou sau_) en herhaalde deze vraag

gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet

ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien,

weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste

plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik

mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze

kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten 'er van en

vonden de druiven, die een' muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr,

omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top,

waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer

steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en

blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een

muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen

zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over

het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen,

de eilanden van _Hières_ eenige rotsen, en de _Middellandsche Zee_;

ten westen de reede van _Toulon_ over een aangename valei; duidelijk

zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut

lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en

schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd;

en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en

daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde

nog de bekoorlijkheden van dit _romanesk_ gezigt. Het kasteel, dat

hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren van _Hières_,

eerst de jongste zonen van de _vicomtes_ van _Marseille_, uit den

stam van Fosc, kort daar na de Hertogen van _Anjou_, Graven van

_Provence_. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan

hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo

losbandig, dat men 'er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en

goederen aan anderen gaf.--Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij

wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt,

zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij

een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar 's lands

gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter

in 't geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel

keus. Men verhaalde ons dat de _Engelschen_ nog maar weinige dagen

geleden, op een der eilanden van _Hières_ geweest waren, om zich

van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijn _Porque Rolles_

(om dat men 'er veel wilde zwijnen plagt te vinden) _Porto-cros_ en

_Titan_ genaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten,

die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt 'er in de

bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral

met betrekking tot de _mineralogie_. Men vindt 'er de sporen van oude

en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (_volcans_), mijnen, jaspis,

porphyr enz. ook wordt niet ver van hier het zoogenaamd moskovisch

glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te

liggen, gevonden. _Hières_ is de geboorteplaats van den vermaarden

Pater Massillon een der welsprekendste Predikanten, die _Frankrijk_

opgeleverd heeft. Men vindt van Lodewijk den XIV. aangeteekend, dat

hij, die reeds de treffende leerredenen van Bourdaloue en anderen

gehoord had, tegen Massillon zeide: "Eerwaarde! ik heb verscheidene

groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben 'er zeer te vreden over

geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden

over mij zelven." Men begroot het getal der inwoners van _Hières_

op omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad

bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij

langs denzelfden weg, omdat 'er geen andere is, naar _Toulon_ te rug;

tusschen beide wandelende, troffen wij een' man aan, met wien wij in

gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op

dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen

zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze

man scheen ter zee gevaren te hebben, en te _Corsika_ bekend te zijn.

's Avonds in een Koffijhuis te _Toulon_, ontmoetten wij onzen reisgezel

den Zeekapitein, hij was met het kruis van het _Legion d'honneur_

versierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een

menigte Officieren, die het had, en men was nog niet gewoon, sommigen

hoorde ik 'er mede spotten, en andere 'er over morren; waarschijnlijk

veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat

zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der

Christelijke Jaartelling, wordt 'er reeds melding gemaakt van _Toulon_,

en de _Romeinen_ hadden 'er in het begin van de vijfde eene verwerij,

die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor

de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer

dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het

Departement _du Var_. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort,

maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt 'er ook een

soort van grof laken, dat men _Pinchinats_ noemt. Wij hadden reeds

bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met

den Postwagen van hier naar _Marseille_ terug te keren; doch eer

ik van _Toulon_ afstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij

ongetwijfeld met genoegen lezen zult. Paul, zoon van een waschvrouw

[72], werd gelijk als onze de Ruiter, van scheepsjongen tot een der

aanzienelijkste posten bij, de _Fransche_ vloot, te weten, tot dien

van Onder-Admiraal verheven; ook was hij _Chevallier de Justice_ in de

order van _Maltha_, en werd daarom de Ridder Paul genaamd. Omtrent

het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt

te _Toulon_. Op zekeren dag, dat hij te _Marseille_ langs de haven

wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste

Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de

menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort

van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedt Paul naar

hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: "Waarom ontwijkt

gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet

vergeten?" En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden,

zeide hij: "Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij

zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk

heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht 'er hem niet te

minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude." Dit

gezegd hebbende, trok hij zijn' ouden vriend ter zijde, onderhield

zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd,

toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en

eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem

om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te

spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst

zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goede Paul aan

zijnen ouden makker, die het niet te ruim had, een postje bezorgde,

waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe

groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen

geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik

hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder

de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden

zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne

nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.

De achtingwaardige Paul stierf te _Toulon_ den 18 October 1667, latende

bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende

tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op

het kerkhof, begraven te worden.--Leest dit, trotsche en laatdunkende

grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze

begraafplaats,--en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het

lage en eenvoudige kruidje op het graf van Paul, een schitterender

sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare

beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het

hart van den mensch, die 'er onder ligt was, toen hij nog leefde,

en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 16 / 56 题