_Marseille, 13 Augustus._
Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naar _Toulon_ en
_Hières_ te doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te
laten teekenen, _viseeren_, daar dezelven maar tot _Marseille_ gegeven
waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die
men _la loge_ noemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag
vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheide _Oostersche_
kleedingen, die men 'er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet
gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van
het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke
wapenschild door Puget [59], en ter zijde, van denzelfden meester, een
_bas-relief_ verbeeldende St. Charles _de Borromæus_, Aartsbisschop van
_Milaan_, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer,
en voor meesterstukken bekend, doch aan het wapenschild is 'er weinig
meêr van den bijtel van Puget overgebleven; men ziet hier ook nog drie
andere _basreliefs_, aan beide zijden van den ingang zijn 'er twee,
onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling
doen graveren: _Le salut de la Republlque tient à la Vigilance_, en
onder een ander: _au vainqueurs du dix Août_. Men was bezig met den
voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het
portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld
van Bayon, bijgenaamd Libertad, omdat hij de stad bevrijdde, door
den eersten Consul, Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij
en t'zamenspanning met den vijand, omtebrengen, en _Marseille_ aan
Hendrik den IV., of voor hem aan den Hertog de Guise over te geven,
hoewel de _Spanjaarden_ reeds meester van de haven waren; dit voorval
had plaats in 1595. Libertad en zijn broeder, die hem ondersteund had,
werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf
jaren daarna wierd Hendrik de IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar
wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de
omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij
ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de
groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten,
eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze
moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote
en fraaije schilderijen van Serre le Peintre, leerling van Puget [60]
te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van
die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft,
voor. Deze Serre bekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van
Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel
in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij
verbeeldt _le Cours_ (de algemeene wandeling), vol zieken en dooden,
en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den Ridder Rose, die
zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om
de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen,
in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het
eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip
onder meêr anderen bijzonder uit, zekere Pierre Haristoy Caseneuve,
geboortig van _Béhaune_, in het land van _Béarn_, hij was eerste
Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de
uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers
gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus
alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave
Commies, dat 'er welligt uit vrees nalatigheid in de uitdeeling zou
kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom
hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar,
altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering,
deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde
van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte
'er voor, hoewel hij in 't geheel niet rijk was, en een talrijk
huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan
nog heden, en de _Marseillanen_ hebben niet nagelaten, om zijn' naam,
en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en
weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een
andere trek van edelmoedigheid van een' Kaperkapitein van _Tunis_,
is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. Paus
Clemens de XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar
ook de hongersnood in het ongelukkig _Marseille_ heerschte, zond 'er
van _Civita-Vecchia_ ettelijke schepen met granen naar toe. Eenige
Kapers van _Tunis_ deze schepen najagende, achterhaalden dezelven,
en namen ze, doch de _Reis_ of Commandant vernemende, met welk
oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide
tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand
op het hoofd leggende: "Ga, Christen, voer uw' last uit, ik ben uw
vijand niet meêr--God zou mij straffen." Dit laatste geval niet zeer
algemeen bekend zijnde, heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten
mededeelen.--De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt
door het hooren van diergelijke trekken.--En waarom verzuimt men, om
deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in
deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei
volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen
strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle
redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles,
wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de
Municipaliteit, voorheen van de Consuls (_la salle Consulaire_), is zoo
wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen
hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk;
men is daar te _Parijs_ handiger mede.
In ons logement aten wij 's middags laat, namelijk te vijf uren, zoo
men dat middag eten noemen kan, doch om tien uren 's morgens ontbijt
men ook met koteletten, gebakken visch enz., dat men _dejeuner à
la fourchette_ [61] heet, en zoo doet men dan, even als te _Parijs_,
maar twee maaltijden daags. Ik gebruikte doorgaans 's morgens in een
koffijhuis brood met limonade, vruchten of iets diergelijks, en las
dan met een de nieuwspapieren. Voor het middagmaal betaalde ik aan de
gemeene tafel in het logement met den wijn, hoewel ik 'er bijna niet
van dronk, 4 livres. Het eten is 'er voor de landstreek vrij goed,
en de tafel is zindelijk, en met orde gediend; schotels zijn 'er
genoeg, doch 'er is doorgaans te weinig op, naar evenredigheid van de
gasten, zoo dat men zich moest haasten, om van die, welke het meeste
gezocht zijn, wat te krijgen; en dat vind ik al zeer onaangenaam,
vooral als men uit nieuwsgierigheid het een en ander proeven wil. Het
rund- en kalfsvleesch schaars zijnde, is de soep gemeenlijk schraal,
veeltijds van pompoenen en eenige andere groentens gekookt, waar dan
wat brood met olij bij gedaan wordt; dit schijnt voor ons zonderlinge
kost, maar is toch zeer wel te eten. Schapenvleesch wordt het meeste
gebruikt, en is 'er goed; dagelijks hadden wij versche en lekkere
zeevisch, en behalve tongen en tarbot, eenige soorten, die men bij
ons niet kent. Als _le Rouget_, een fijn en lekker vischje, rood
van kleur; _le Mulet_, in het _patois_, _Mujou_, die zeer gemeen
in de _Middellandsche zee_, en tevens een goede visch is: men vindt
'er verscheide soorten, waartoe ook die, onder den naam van vliegende
visch bij ons bekend, behoort: _La Dorade_, de zeebaars (_perche de
mer_) en meêr anderen, ook eet men 'er dagelijks versche Sardines,
die gedroogd zijnde, wel wat overeenkomst hebben met de Sprot. De
_Marseillaansche_ Anchovis is beroemd; de beste wordt in de zee
van _Frejus_ gevangen, doch ik voor mij vind ze niet beter dan onze
_Bergsche_. Ook levert de _Middellandsche zee_ goede kreeften op, en
waaronder ik 'er zag, die al vrij groot waren; hun kop en pooten zijn
ruw en met scherpe puntjes, ook vond ik het vleesch, wreeder dan dat
der noordsche; wij hadden ze bijna dagelijks op tafel, en men noemt
die hier _Lingoustes_. Somtijds gaf men ons ook een soort van kleine
schelpvischjes. _Aubergines_, _pommes d'Amour_, en gestoofde komkommers
zijn de gewone groentens. Meloenen en vijgen, die hier uitmuntend goed
zijn, hoewel ik ook bij ons meloenen gegeten heb, die niet minder goed
waren, hadden wij in overvloed; men geeft die niet op het nageregt,
maar na de soep, dit is in _Frankrijk_ algemeen gebruikelijk, en men
noemt deze geregten _hors d'oeuvres_. Ik was verwonderd, van in dit
jaargetijde nog zuiglammeren te eten; doch vernam, dat de schapen
in deze landstreek tweemaal 's jaars werpen. Gevogelte van allerlei
soort vindt men hier zoo als bij ons en elders. Het gebak, taart en
pasteiwerk, is meestal met olij of vet gereed gemaakt, doch ik heb
het dikwils zeer lekker gevonden. Men eet hier ook eveneens als in
_Italië_ veel _Macaroni_. De vruchten, behalve de meloen en vijgen,
beteekenen niet veel; de grond is te dor en te schraal. De persiken,
die meestal geel zien, zijn droog en hard, zij houden zoo vast aan
de steen, dat men ze 'er af moet snijden, men noemt hier dit soort
_des peches males_ in onderscheiding van die, welke bij ons algemeen
bekend en hier in 't geheel niet overvloedig zijn. De versche amandelen
had ik haast vergeten, men geeft ze hier in hunne groene bolsters
op tafel, en eet de pitten doorgaans met wat zout; ik houde 'er wel
van. Deze vrucht wordt veel rondom _Marseille_ geteeld, zij groeit
gaarne op de hoogte, en is niet naauwnemend omtrent den grond. Uijen,
meestal roode, en knoflook worden hier ook veel gebruikt, en in eene
groote hoeveelheid van de plaatsen rondom aan de _Middellandsche
Zee_ aangebragt; deze vrucht is hier veel minder sterk dan in het
Noorden, eveneens is het gelegen met de _Spaansche_ peper, die men
hier veel teelt; zij wordt in menigte groen aan de markt gebragt,
en men eet ze doorgaans met zout en azijn. In deze landstreek maakt
men ook een kost, dien men de meeste vreemdelingen voor geen lekkernij
behoeft voortezetten; het is de zoogenaamde _Beurre de Provence_ [62],
bestaande uit olijfolij, gestampte knoflook, en zout gemengd en geklopt
zijnde, tot het een dikke pap wordt. De wijn is hier voor lieden, die
'er niet aan gewoon zijn, te zwaar, zoo als ik u reeds gezegd heb;
ik kon ze volstrekt zonder veel water niet drinken. Doch zij, die
'er aan gewoon zijn, weten 'er niet van, en het komt mij voor, dat
de _Marseillanen_ over het algemeen een goed glas wijn drinken. Zij
gelooven, dat het in deze luchtstreek gezond is. Brood wordt hier in
zulk eene groote hoeveelheid niet gegeten, dan in andere deelen van
_Frankrijk_, daar het koren overvloedig is; want _Provence_ brengt
maar zeer weinig koren voort. De zoogenaamde gemeene en landlieden
eten veel brood en pap van _Maïs_ (Turksche tarw). Voor een kamer
met twee bedden betaalde ik hier ook 40 stuivers daags, doch daar
voor moest ik ook wat hoog klimmen; anders is het duurder. De tafel
is ook een van de duurste, die men hier vindt, en men kan elders
wel voor £ 3-:-: te regt komen, waarvan ik tusschen beide dan ook al
eens gebruik maakte. Men is in dit Hotèl zeer goed, en zoo zindelijk,
als men in _Holland_ verlangen zou [63]; zelfs zag ik de meid meêr dan
eens 's morgens het voorhuis uitschrobben, een verschijnsel, dat ik
nog nooit in _Frankrijk_ gezien heb. Weegluizen hebben wij ook niet
bespeurd, doch van de muggen wordt men verschrikkelijk geplaagd,
zoo dat men genoodzaakt is, om even als, op vele plaatsen, bij ons
gazen gordijnen te gebruiken; de eene mensch schijnt 'er echter meer
voor bloot te staan dan den anderen; ik had 'er weinig hinder van,
terwijl mijn reisgezel op dezelfde kamer slapende somtijds met bulten
gestoken werd.
's Avonds ging ik in het _pavillon chinois_, 'er was veel volk,
en daar onder eenige gnappe vrouwen of meisjes. De vrouwen zijn
meestal bruinachtig, en sommigen hebben veel van de _Grieksche_
wezenstrekken. In fraaije tanden, en levendige oogen, munten zij uit,
doch missen ook daar en tegen, dat zachte en bevallige van onze
blonde met hare groote blaauwe oogen en mooi vel. De zoogenaamde
fatsoenelijke kleeden zich naar de _Parijsche_ mode, die eenige jaren
vrij goed geweest is voor de vrouwen, doch thans beginnen 'er weder
keurslijven voor den dag te komen.
Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in
oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai
aan de noordzijde, bij het Fort _St. Jean_, op de hoogte. Dit Fort
kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk
van binnen zien; ook zeide men mij, dat 'er behalve, misschien
voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was. Lodewijk de
XIV. deed deze sterkte, en de _citadel St. Nicolas_ aan den anderen
kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid
aan haren Gouverneur, de Hertog de Mercoeur, te straffen [64]. De haven
wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op
de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn
hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld
wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig om met een
soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten
in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch
mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig
om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur
gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen
de tempel van Diana, die de oude _Marseillanen_ bijzonder vereerden,
stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerk _de notre Dame de la
Major_, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn;
anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de
eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze
thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren
van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben
tot den tempel van Diana; anders is 'er niet veel bijzonders; het
is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat 'er langs eenige
trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats,
die men _Place de Linche_ noemd, veronderstelt men, dat de tempel
van Apollo gestaan heeft, naderhand is daar de Abdij _St. Sauveur_
gebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het
Gasthuis, _la Charité_ genaamd, dat wat verder op staat, schijnt een
groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar
de bekende _Marseillaansche_ zeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een
graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte
van de stad vindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond
door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen
hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der
Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch
wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind
'er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend:
mogelijk woonde 'er de _Romeinsche Prefecten_ of Stedehouders,
die 'er 's jaarlijks van _Rome_ naar toe gezonden werden, toen
_Marseille_ ophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen,
en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten
onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar
mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt,
_Halle de la poisonnerie neuve_, rustende op 20 Jonische kolommen,
en volgens het bestek van den vermaarden Puget gemaakt. Hier is ook
een Leessocieteit, in een fraai gebouw op de _Canebière_, _Cercle de
l'Union_ genaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier
bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen;
in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken,
doch 'er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een
billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier,
wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook
nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan
den kant van de _boulevard_ zien, de _Marseillanen_ schijnen daar
liefhebbers van te zijn; want 'er was veel volk, het is op eene
ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was;
men kan 'er vrij ingaan, 'er staan stoelen en banken rondom, en men
betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag 'er onder
de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun
muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt,
en had het voorkomen van eenen _gladiator_ der ouden; want zij zijn
bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand,
waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker,
en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn
(_ballons_), [65] al zeer ver gekaatst. Bij ons moet 'er altijd bij
diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets
gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men 'er uit,
en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op
de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons
vaderland; zij zongen liedjes in het _patois provencal_. Op de _Cours_
was veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag
is het te warm, 'er worden ook stoelen verhuurd zoo als te _Parijs_
in de _Tuillerien_ enz. De _Marseillanen_ komen mij voor indedaad meêr
levendig en vrolijk van aard te zijn dan de _Parijsenaars_, die zich
zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren
zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (_bastides_);
's winters ziet men veel meêr _beau monde_ in de stad, en naar men
zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken
'er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer
hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg
had men dezen avond gespeeld _les etourdis_, een aardig blijspel
van Andrieux, (door onzen vriend van Walré in 't _Nederduitsch_
vertaald); dat ik te _Parijs_ zeer goed had zien vertonen, en dan moet
men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in 't
_Hollandsch_ vertaalde zangspel, _Paul et Virginie_; en dit beviel
mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan
de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de
vertooners door het aanhoudend rumoer, dat 'er plaats heeft, dikwijls
niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede
beurs; de jonge lieden komen 'er om over hunne liefdes-aangelegenheden
te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele
bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige
liefhebbers, of die 'er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne
gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen;
dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de
gaande en komende in het _parterre_, en oordeel, hoe aangenaam dit
moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt
moet ik de _Parijsenaars_ prijzen, de diepste stilte heeft daar in
alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt,
plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers
gestoord wordt [66].
Den 11 dezer moesten wij, volgens afspraak, met een roeischuitje
een toertje op zee gaan maken; doch het weder was hier toe niet
gunstig, want de noordwesten wind, die men hier _le mistral_ noemt,
blies vrij sterk: echter huurden wij een schuitje voor 3 livres, om
'er des goedvindende den geheelen voormiddag gebruik van te kunnen
maken; het was toen omtrent 7 uren in den morgenstond. Men vindt
doorgaans verscheidene van die schuitjes aan het eind van de haven,
bij de _Cannebière_, liggen; zij zijn met een tentje overdekt, en
op sommige staat zelfs een zeiltje. Zoo lang wij in de haven waren,
ging het nog al, doch naauwelijks buiten gekomen, moest men om den
harden wind het tentje strijken, terwijl ons bootje door de golven ter
deeg geslingerd werd, zoo dat de schipper zelve ons niet aanraadde om
het veel verder te wagen. Wij lieten ons dan aan den voet van een rots
aanzetten, klommen op dezelve, en gingen van daar naar eene plaats, die
alleen door Spaansche visschers, die men _les Catalans_ noemt, bewoond
wordt. Hier plagt voorheen het _Lazaret_ te zijn, thans is 'er een
nieuw aan den anderen kant van de stad; de goederen uit den _Levant_
komende, worden daar gelost, en moeten 'er eenigen tijd verblijven,
alvorens zij in de pakhuizen mogen gebragt worden. Dit nieuwe _Lazaret_
is een aanzienelijk gebouw. Wij hadden onzen schipper den voorraad,
die wij voor het ontbijt medegenomen hadden, laten dragen, tot in een
dal tusschen de rotsen, waar wij wat voor den wind beschut waren,
en hier werd de tafel op den grond gedekt. Ik beklom vervolgens de
toppen van eenige rotsen hier rondom, van waar ik een woest, doch
schilderachtig gezigt had. Een Amerikaansch scheepje hield achter
dezelve _quarantaine_. Bij het Kasteel _d'If_ zag ik een schuit,
waar in verscheidene menschen waren; onze schipper dacht, dat het
de wacht was, die op het kasteel gebragt werd; zij schenen somtijds
door de golven geheel bedekt, en hier sloegen de golven zoo hard
tegen de rotsen, dat ik het water 'er boven op, nog al vrij hoog,
Voelde.--Onze Vaderlandsche schilder Bakhuizen zou hier thans stof voor
zijn uitmuntend pençeel gevonden hebben. Wij misten weinig door niet
verder te kunnen komen: want men laat het kasteel _d'If_, thans niet
dan met een bijzonder verlof, dat niet ligt te bekomen is, bezigtigen:
omdat 'er Staatsgevangenen, in de zaak van de laatste _conspiratie_,
op bewaard worden. Bij het invaren van de haven, zag ik tegen den
muur van het Fort _St. Jan_, een gedaante zeer ruw uitgehouwen,
verbeeldende een meermin; het volk noemt deze beeldtenis _Marseille_,
waarom weet ik niet.
Naauwlijks was ik op mijne kamer, of ik hoorde eene soort van muzijk
op straat; ik keek uit, en zag eenige boeren en boerinnen op hun
zondags uitgedoscht; de mans hadden pluimen, en de vrouwen galonnen
op hare hoeden; zij gingen twee aan twee, en waren verzeld door eenige
tamboers, die een langwerpige trommel droegen, waar op zij met de eene
hand sloegen, en met de andere op een fluitje speelden: dit fluitje
noemt men hier _le galobet_, het heeft een' zeer scherpen klank. De
vrouwen droegen een soort van koeken van meel, olij, suiker en anijs
te zamengesteld, en als een cirkel met een ster 'er in gemaakt. Deze
lieden, die op het land rondom _Marseille_ wonen, kondigen op deze
wijze het feest aan, dat in hun dorp plaats moet hebben; dat is de
naamdag van hun' beschermheilige of iets diergelijks; zij gaan dan
bij de stedelingen, die omtrent hun dorp of gehucht hunne _bastides_
hebben, brengen hun een koek, en noodigen ze, on het feest bijtewonen;
deze van hunn' kant geven dan aan de boeren eenig geld, zoo dat dit
eigenlijk niet anders dan een bedelarijtje is. Na den middag bezigtigde
ik de kerk en de puinhoopen van de gewezen Abdij van _St. Victor_,
aan de zuidzijde van de haven bij de citadel. Deze kerk is volgens
oude bescheiden door St. Leon den Grooten gewijd, en was benevens de
Abdij gebouwd, van overblijfsels van Heidensche oudheden. In een half
afgebroken muur zag ik nog het overschot van een' steenen boog met
loofwerk gebeeldhouwd, welk het merk scheen te dragen van den bloei
der konsten onder de _Grieken_ en _Romeinen_. Men plagt hier ook nog
pilaren van granit en oude graftombes te zien, doch de geheele Abdij
is gesloopt; om en in de Kerk, die 'er alleen van is overgebleven,
zag ik niets merkwaardigs, dan dat zij zeer oud scheen. Zij was
van binnen wat opgemaakt, doch anders zeer eenvoudig en zonder veel
sieraad. Van daar ging ik op den berg _Bonaparte_ wandelen: de zon,
achter de rotsen ondergaande, leverde eene majestueuse vertooning op;
de wind was wat gaan liggen, en de avondstond zeer aangenaam.
Den 12 dezer liep ik 's morgens zeer vroeg als naar gewoonte uit,
met oogmerk om buiten de stad te wandelen; maar de buitenstreken van
_Marseille_ aan de landzijde, bevielen mij niet; naar de _bastides_
gaande, is men bijna altijd tusschen muren, als in een gemetselde
doolhof; en buiten de poort heeft men ook niet anders dan een open weg;
lommer vindt men bijna nergens; redenen genoeg, waarom ik _Marseille_
om er te wonen, niet zou verkiezen, even zoo min als _Amsterdam_;
want gemis van wandelingen is voor mij al een zeer groot gemis. Zeer
veel had men mij van de warmte gesproken, en wij hebben hier zeker een
paar dagen drukkende hitte gehad; doch bij ons dunkt mij, kan het even
zoo heet zijn, hoewel zeker minder aanhoudend. Ik had geen gelegenheid
om den thermometer waar te nemen, doch ik ben wel verzekerd, dat hij
niet hooger dan 27 of 28 gr. volgens de schaal van Réaumur, gestaan
heeft; en de zeewinden brengen hier ook veel toe, om de lucht te
verkoelen. De aanhoudende regen, die men eenigen tijd geleden gehad
heeft, is een ongewoon verschijnsel; anders regent het hierin dit
jaargetij zelden, de aarde wordt alleen door de daauw, die nog al sterk
is, bevochtigd--en hoe dor moet dan die dorre grond hier omstreeks
niet zijn. Daar het zondag was, en ik vernam, dat de Protestanten
hier ook eene Kerk hadden, ging ik daar heen. De vergadering werd in
eene ruime en zindelijke zaal, op eene eerste verdieping gehouden,
en was vrij talrijk. De Leeraar deed een eenvoudig zedelijk vertoog,
dat ik met genoegen hoorde. Tegen den avond ging ik buiten de stad,
aan den kant van de zee wandelen; men heeft hier veel de gewoonte, om
zich in zee te baden of te zwemmen; ik zag 'er een menigte zwemmers,
en lieden, die zich baadden. Verscheidene vrouwen, die 'er wel in de
klederen uitzagen, en dus nog al tot de zoogenaamde deftige klasse
schenen te behooren, wandelden hier langs, zonder den waaijer voor
de oogen te houden; hier en daar zaten zelfs aan den oever groepjes,
waar onder vrouwen en meisjes, op hun gemak te kijken; trouwens,
de zeden der _Marseillanen_ over het algemeen, zijn vooral in dit
opzigt niet als zeer gestreng beroemd; nu ik geloof ook, dat indien
de Laplandsche vrouwen kuischer zijn dan deze, zulks meêr aan de
luchtstreek dan aan hare meerder beredeneerde deugd moet toegeschreven
worden. Deze onderscheidene groepen, naakte en gekleede menschen,
hier en daar op stukken van rotsen, langs den oever van de zee,
die toen, zoo als gewoonlijk in dezen tijd, zeer kalm was, staande
of ongedwongen zittende, terwijl men hooge rotsen in 't verschiet,
en hier en daar een visscherschuitje zag, dit alles te samen leverde
eene schilderachtige vertooning op, en Vernet zou hier van een mooi
stuk hebben kunnen maken. Het water in de _Middellandsche Zee_, althans
hier omstreeks, heeft een groene kleur. Ik zag menigmaal schilderijen,
waar op het water zeer groen, en de lucht en bergen in het verschiet
helder blauw verbeeld werden, en dit kwam mij toen onnatuurlijk voor;
doch thans nu ik eenige gezigten aan deze oevers gezien heb, vind ik
dat die schilders de natuur getrouwelijk afgemaald hebben.
Behalve de koude baden, houden de _Franschen_, en vooral die, welke
het zuidelijk gedeelte bewonen, even als voorheen de _Romeinen_ en
_Grieken_, veel van het warme bad, en maken daar zelfs in de zomerhitte
gebruik van, blijvende 'er doorgaans een half uur of langer in zitten;
men vindt dan ook in de meeste steden badhuizen, waar men zich voor
24 of 30 _sols_ in blikken of steenen bakken baadt [67]. Ik maakte 'er
op reis nog al eens gebruik van, om mij te wasschen, maar om 'er lang
in te blijven, vind ik niet goed: want men wordt 'er loom en vadzig
van. De _Fransche_ vrouwen maaken 'er ook veel gebruik van om zich te
reinigen, en in dat opzigt zijn zij dan ook zindelijker, dan de onze.
Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk,
en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig
Klooster, aan den kant van de _Boulevard_, daar toe in gereedheid
gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de
beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed,
en alles lag 'er nog overhoop. Ik zag 'er eenige oude steenen
doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met
Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren, _bas-reliefs_, een
altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van een _Isis_-beeld
met _hieroglijphische_ figuren 'er op, van zwart steen, een groote
_Isis_-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in
de stad, zoo dat ik 'er niet anders van kon te weten komen, dan dat
deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in
de Abdij van _St. Victor_ gevonden zijn, men verhaalde mij tevens,
dat 'er onlangs Commissarissen van _Parijs_ hier geweest waren,
en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het
een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd
worden. Het altaar, het _Isis_-beeld, en de grafsteenen met _Grieksche_
opschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het
kwam mij voor, dat 'er ook veel Gothisch werk onder het overige
was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder
anderen een paar van Rubens, die ik meende te kennen; geen wonder;
want, naar ik vernam, had men ze van _Parijs_ gezonden; benevens een
van van Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik 'er eenige fraaije
stukken van Puget, en een paar groote schilderijen van Vien, de Vader;
een bekend en nog in leven zijnde schilder te _Parijs_, lid van het
_Institut_ (ik weet niet of het nog _national_ heet, dan of men het
_imperial_ moet noemen) en _Sénateur_; sommige andere stukken schenen
van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat
het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans het _Lyceum_
[68] waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de
eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de
opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen,
liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat 'er een goed bestuur
plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde,
en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.
's Avonds ging ik in den Schouwburg het zangspel _la Rosière de
Salency_ zien. Dit is het eerste tooneelstuk dat ik, een aankomend
jongeling zijnde, zag vertoonen; ik herinner mij nog duidelijk,
met welk een vermaak ik het zag, en welke aangename gewaarwordingen
dit gezigt bij mij veroorzaakte, en zie het daarom nog altijd met
genoegen, hoewel het hier ook maar zeer middelmatig gespeeld werd;
van daar komende, nam ik de pen op, en voleind dezen voor u.