_Marseille, 10 Augustus._
Deze stad bevalt mij, en zal den meesten _Hollanders_, vooral den
kooplieden, oppervlakkig wel bevallen; doch in dit saisoen is het
'er vrij warm, dus, als men wat zien wil, moet men den morgen en
avondstond waarnemen; ik begon dan met den 7 dezer 's morgens om 6 uren
reeds uit te gaan; het eerste, dat ik ging bezigtigen, was de haven
en de fraaije kaai, die dezelve aan drie kanten omringt. Zij lag vol
schepen, doch de meesten waren om den oorlog onttakeld, rondom zijn
een menigte winkels, pakhuizen, scheepstimmerwerven enz. Overal ziet
men matrozen en zeelieden van onderscheidene natiën.--'t Was als of
ik door den slag van eene tooverroede zoo eensklaps in eene van onze
voorname _Hollandsche_ koopsteden gevoerd was. Een goed gedeelte van
deze kaai, vooral daar waar het koren gemeten wordt, is zeer netjes
met kleine steentjes of klinkers gestraat. Hier ziet men ook een soort
van kraan, om de masten in de schepen te zetten; de _Marseillanen_
toonen dat den vreemden als iets bijzonders; doch mij dunkt, dat ik
diergelijke werktuigen bij ons op meêr dan eene plaats gezien heb. Aan
het eind van de haven, waar die aan zee uitkomt, wordt dezelve aan de
zuidzijde beschermd, door het Fort _Notre Dame de la Garde_, dat op
den top van een' heuvel ligt, en een gedeelte van de reede bestrijkt,
en lager door de citadel _St. Nicolas_. Aan de noordzijde is hare
ingang gedekt door het Fort _St. Jean_. Ik verwonderde mij, dat 'er
aan het eind geen ophaalbrug was, men moet zich met schuitjes, die men
daar doorgaans vindt, van den eenen kant naar den anderen over laten
zetten, of terug keeren; ik verkoos het eerste. Deze haven is, volgens
de beschrijving, daar van zijnde, 500 _toisen_ (3000 voeten) lang, en
200 _toisen_ (1200 voeten) op haar breedst; men rekent, dat zij omtrent
800 schepen van onderscheide grootte kan bergen. Aan de noordzijde
van de haven, zijn onder andere verscheide winkels van drogisten en
kooplieden in koraal, die bij het stadje _Cassis_, omtrent 4 mijlen
ten Z.O. van _Marseille,_ aan den oever van de _Middellandsche zee_
gelegen, gevischt wordt. Aan dezen kant staat ook het Stadhuis, waar
de beurs onder is. Ik ontmoette verscheide kooplieden in Oostersche
kleding, als Grieken, Turken en Joden, van _Smirna_, _Aleppo_,
_Alexandrie_ en vooral ook van de _Barbarijsche_ Kusten, waarmede de
_Marseillanen_ zeer veel handel drijven. Aan het eind van dezen kant
van de haven lag ook een menigte schuitjes, geladen met citroenen en
oranges, zoo als bij ons met aardappelen: zij komen van de plaatsen
rondom aan de _Middellandsche zee_; de vrouwen die 'er bij waren,
hadden de haren in een zwart of rood zijden net met breede linten
van dezelfde kleur, die op de schouders afhingen. Niettegenstaande de
grond, rondom _Marseille_, dor en onvruchtbaar is, was de groenmarkt
rijkelijk voorzien; doch deze overvloed is thans ook buitengemeen,
en de overvloedige regen, dien wij gedurende eenigen tijd gehad
hebben, was daar de oorzaak van. Meloenen in soorten zijn hier zeer
overvloedig, en daar onder die zeer geurig en lekker zijn, ook ziet
men 'er in menigte een soort van groote ronde pompoenen, die men hier
_Courges_, in het _patois Provencal Cougourde_, noemt, men vindt 'er
die over de 150 ponden wegen [47], deze worden meest gebruikt om soep
van te koken; en met vleeschnat 'er bij, is die niet onsmakelijk. Ook
vindt men hier in overvloed een gewas, dat men _Aubergines_ [48],
en een ander dat men _pommes d'Amour_ [49] noemt; deze worden hier
zeer veel gegeten, doch ik vond 'er niet veel lekker aan, vooral niet
aan de eerstgenoemde, die doorgaans in olij gebakken worden: met de
_pommes d'Amour_, maakt men nog al smakelijke rinsche sausen. Op het
midden van de groenmarkt staat eene fraaije fontein, en wat verder,
eene groote loots, in den smaak van een _Chineesche_ tent, met een
tuintje rondom: men noemt het _le Pavillon chinois_. Deze tent is een
koffijhuis, waar de _beau monde_ van _Marseille_ zoo Dames als Heeren,
's avonds bij elkanderen komen, om _Glaces_ en andere ververschingen te
gebruiken; van binnen is het fraai en netjes opgeschikt met spiegels,
schilderwerk enz., en daarbij wel verlicht. Dit paviljoen is het
_Frascati_ van _Marseille_: de stijve welvoeglijkheid wordt 'er dan ook
zeer in acht genomen; men moet eenigzins naar de mode opgeschikt zijn,
en zijn hoed afleggen; ook ziet men 'er niets anders dan een menigte
strijkaadjes en dienaressen. Rondom aan kleine tafeltjes gezeten,
fluistert men zachtjes tegen elkander, en en het is duidelijk te zien,
dat het eene groepje zich bezig houdt met op het andere te letten. Ik
vind anders deze soort van bijeenkomsten wel goed, men ziet elkander
met weinig kosten; doch wilde dezelve meer in een' burgerlijken en
gemeenzamen trant hebben, en op die wijze zouden zij ook, dunkt mij,
veel kunnen toebrengen, om het genoegelijke der zamenleving in ons
Vaderland te vermeerderen; des goedvindende, zou men 'er ook meêr
bepaalde bijeenkomsten of societeiten van kunnen maken, en 'er zelfs
een boekerij bijvoegen; want het spel behoorde 'er, mijns bedunkens,
niet toegelaten te worden: en waren diergelijke societeiten dan niet
beter, dan die, welke alleen uit mannen bestaan, en in bijna alle onze
Vaderlandsche steden maar al te veel zijn ingevoerd?--Was het niet
beter, dat de huisvader 's avonds met zijn vrouw en kinderen onder
andere huisgezinnen, zoo als gezegd is, indien men het verkiest,
bepaald tot een' zekeren kring, een uurtje uitspanning ging nemen,
dan dat hij alleen naar zijn societeit of collegie gaat, en zich bijna
alle avonden, zoodra zeker uur daar is, en dat is al vroegtijdig,
haast, om zijn huisgezin te ontloopen, en zijne vrouw en kinderen
aan zich zelve overlaat. De kinderen, over welke de moeder dikwijls
niet veel gezag heeft lopen, dan ook links en regts, en de vrouw
... wel deze verveelt zich ook natuurlijkerwijze dikwijls in de
eenzaamheid, daar zij toch niet altijd in hare huishouding bezig
kan zijn. Veeltijds is het laat in den nacht, eer vader uit zijn
societeit of kollegie t'huis komt, terwijl moeder en de kinderen,
die gemaakt hebben, dat zij een half uurtje te voren binnen waren,
al slapende en geeuwende met het avondeten zitten te wachten. De man
dikwijls door het spel of den wijn buiten zijn gewone humeur, (want
wat wordt 'er anders al in die gezelschappen gedaan, dan gespeeld
en gedronken,) zonder juist een speelder of dronkaard te zijn, is
hij dan ook het aangenaamste gezelschap noch het beste voorbeeld
niet. Deze bijeenkomsten voor mans en vrouwen wilde ik zomers buiten
de stad in een aangenaam gelegen tuin, bij fraaije en liefelijke
wandelingen hebben, waar tevens gelegenheid was tot eenige gezonde
ligchaamsoefeningen als kaatsen, kegelen, in het touwtje springen,
en diergelijke; 's winters kon men hiertoe een geschikte zaal in de
stad verkiezen; doch pracht en luxe moesten 'er verbannen zijn, en
alle aanleiding tot verkwisting en buitensporigheden ten eenemaal
afgesneden worden. Ligt Vaderlands bier, mij dunkt ik zie reeds
hoe onzemodepopjes den neus hierbij optrekken [50], prijs ik voor
den gewonen drank aan. Men kon zich hier ook van tijd tot tijd in
de muzijk oefenen, en Vaderlandsche liederen zingen, ter eere van
onze Vaderlandsche Helden en groote Mannen, en ter aanmoediging van
Vaderlandsche en huisselijke deugden [51].--Onze natie weet nog niet
genoeg den middelweg te houden tusschen het stijve, stroeve, ernstige
en het losbandige, en mist daardoor vele genoegens der zamenleving,
waartoe zij anderzins, door haar in zeer veel opzigten boven dat van
andere natiën uitmuntend karakter, bij uitnemendheid toe geschikt is.
De nieuwe stad (_la ville neuve_) van _Marseille_ is zeer fraai:
ruime, luchtige en regte straten, veelal aan beide zijde met een
eenigzins verheven wegje voor de voetgangers (_trottoir_), daarbij
vrij zindelijk en wel gestraat, op verscheide plaatsen regelmatig,
met fraaije huizen bebouwd; dit alles geeft aan dit gedeelte, dat
vrij groot is, een allerbevalligst aanzien. Vooral munt daar in uit
de lange regte straat waar ik u reeds van gesproken heb, loopende
van de poort van _Aix_, tot de poort van _Rome_, dat is, van het
noorden tot het zuiden: deze straat is wel een half uur gaans lang,
van het eene eind tot het andere; ter plaatse van _de Cours_ is zij
vrij breed; de wandelingen in het midden en aan beide zijden met een'
rij ijpen bomen, doch die 'er niet zeer tierig uitzien, beplant,
en versierd met een paar fraaije fonteinen, die overvloed van water
schijnen te geven; dit is ook het laagste gedeelte van de straat, en
naar de poorten, aan beide zijden, gaande klimt men op, vooral naar
de poort van _Aix_. Ik zal denkelijk wel gelegenheid hebben, om u een
gezigt van dit gedeelte der stad te doen toekomen. De oude stad bijna
geheel tegen de helling van een' heuvel aan de noordzijde van de haven
gebouwd, heeft de gebreken van meest alle de oude steden, die ik in
het zuiden van _Frankrijk_ gezien heb; de straten zijn naauw, krom en
donker, hier is het bijzonder morsig, en de stank alleronaangenaamst;
door de leerlooijerijen en zeepziederijen, die men hier in menigte
vindt. Het onderscheid tusschen de nieuwe en oude stad is zoo groot,
dat iemand, hier niet bekend zijnde, en op bijzondere tijden, langs
bijzondere wegen, in de twee gedeeltens dezer stad gebragt wordende,
zou denken, dat deze twee plaatsen eenen aanmerkelijken afstand van
elkanderen gelegen waren. Men heeft nog andere wandelingen in de stad,
dat is te zeggen, breede straten met eenige rijen boomen beplant; men
noemt ze de _Boulevards_, en _les allées de Meillan_. Op verscheide
plaatsen in de stad, treft men fraaije fonteinen aan. De vischmarkt
is een mooi nieuw gebouw, rustende op 30 zware, geelachtige steenen
pijlaren: men leest op de voorzijde van de kap (_facade_) _Halle_,
_Charles de la Croix, an. XII_.
Nu hebben wij de stad te samen eens doorgeloopen; ik begin daar
gemeenlijk mede, als ik op vreemde plaatsen kom, om eerst eene
oppervlakkige kennis van de ligging te krijgen, eer ik de dingen
van stuk tot stuk beschouw. Een leidsman of wegwijzer neem ik
zelden: als men den weg wil leeren kennen, moet men alleen gaan:
kan men een plan bekomen van de plaats, waar men zich bevindt,
zoo veel te beter, en anders maar vragen. Een oplettend reiziger
teekent, eer hij op reis gaat, zoo veel mogelijk op, wat 'er hier
en daar aanmerkenswaardig te zien is, en dan komt men met vragen,
zoo men geene kennissen heeft, in de koffijhuizen en logementen, of
bij de opzienders van boekerijen en natuur- of konstverzamelingen,
al vrij wel te regt. Men neemt een toren, markplaats of aanzienelijk
gebouw voor hoofdbaak, den naam van het logement, de straat, en zoo de
stad groot is, de wijk, waar het in staat, teekent men op, en weldra
leert men de onderscheide toegangen naar hetzelve kennen. Zijn 'er
in of om de stad hoogtens, van waar men dezelve overzien kan, des te
gemakkelijker krijgt men begrip van de ligging. Op zulk eene wijze
vind ik den weg in de grootste steden, en dat binnen weinige dagen,
zonder bijna te vragen, en ik zie zeldzaam iets bezienswaardigs
over het hoofd; terwijl men een' leidsman of huurknecht hebbende,
alleen op hem vertrouwt, veel minder rond-, en dus veel voorbij ziet;
ook houden die snaken u doorgaans met een menigte beuzelachtige,
verdichte of opgesierde vertellingen bezig, leiden u om, om den tijd
te rekken, en laten slechts dat gene zien, dat zij verkiezen. Kortom,
men is van die menschen afhankelijk, en dat alleen is al genoeg,
waarom het met mijne geaardheid strijdt. Als men alleen wandelt,
loopt men links of regts, men is ongestoord in zijn opmerkingen,
en staat te kijken, waar en zoo lang men wil; dan vraagt men eens,
en dan maakt men met den een of ander een praatje, en ik moet tot
lof van de _Franschen_ zeggen, dat zij over het algemeen vriendelijk
zijn om de vreemdelingen te onderrigten; onze landgenoten anders zoo
gereed om nateäpen, zouden wel doen van hun voorbeeld in dit opzigt
wat meêr te volgen. Ik veroorlof mij ook al ligt, om in alle plaatsen
of gebouwen, die ongesloten zijn, en mij bezienswaardig voorkomen,
in te loopen, doch ik ga ook zonder tegenzeggen terug, zoodra men het
vordert; en hier bij heb ik mij altijd wel bevonden.--Een goede mate
van vrijpostigheid is den reizenden noodzakelijk.
Den 8 dezer, ging ik 's morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan
den kant van de poort van _Rome_, zag ik verscheidene muilezels,
die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop,
en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine
spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een
net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen,
waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze
karavane schenen _Italianen_; alle die bellen maakten een aardig
klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjes
aan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk
noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de
melkboer tweemaal belt; en 'er werd dan zoo veel gemolken als zij
vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo
schielijk bederft; insgelijks staan de boeren 's morgens hier en
daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als
'er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien 'er schraal uit,
en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondom _Marseille_ en de
_Purmer_ of _Beemster_, is een groot onderscheid. De boter is hier
dan ook zeer schaars, en die 'er nog is, ziet wit als onze hooiboter,
en heeft min of meêr een' ongelachtigen smaak. In de straat van _Rome_,
aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker,
zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar
onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk
van blaauw marmer, doch 'er was nog geen opschrift op; de gevel van
het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd
tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaarde _Marseillaansche_
beeldhouwer, bouwmeester en konstschilder Puget gewoond had, en men
zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn,
trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden
had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te
regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurde ik, dat
de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide,
met eene zigtbare tevredenheid: "_Oui Monsieur! j'habite la maison du
celèbre_ Puget." Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar
zelven, en men leest 'er: _Salvator mundi miserere nobis_ [52]; en wat
lager: _Nul bien sans peine_ [53]. Het borstbeeld op de fontein scheen
mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering van _Marseille_,
die zoo doende de kunsten aanmoedigt.--Hier omtrent zijn wij Bataven
ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen
onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum
te _Parijs_.--en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken
ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars,
Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid,
die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!--Moeten wij
ons niet schamen voor onze naburen de _Engelschen_ en _Franschen_,
zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten van _Duitschland_,
bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks
een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en
waar anders door dan door een' geest van _Patriottisme_ en edelen
_National-Stolz_: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks
achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstig zijn, doch
ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn,
om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om 's Lands luister
te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en
fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte
bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast
doen vergeten, om nog het een en ander aangaande Puget te zeggen, dat
ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of
woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande
gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene
geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere
kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de
beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig
maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral in
_Italië_. In 1653 kwam hij weder te _Marseille_ terug; en na deze stad,
_Genua_ en _Toulon_, en de kunsten in het algemeen [54], door zijn
beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt,
stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne
geboortestad. Zijn zoon Francois Puget, was ook een goed schilder.
Verder voortwandelende, zag ik in die zelfde wijk, naar het mij
voorkwam, eene andere fraaije fontein, bestaande uit een kolom van
granit of gespikkeld marmer, volgens de Jonische order, rustende
op een rood marmeren voetstuk; boven op den kolom stond het
borstbeeld van Homerus, en op het voetstuk las men aan den eenen
kant: _Les descendans des Phocéens à_ Homère, en aan den anderen
kant: _Le General_ Bonaparte, _premier Consul etc._ Charles de la
Croix _prefet etc_. Aan den kant van de _Boulevard_ was men bezig
om een nieuwen Schouwburg, tot het vertoonen van kleine stukjes,
_Vaudevilles etc._ te bouwen. Hij was bijna voltooid, en men moest
'er met den aanstaanden winter nog in spelen. De smaak voor het
tooneel neemt nog dagelijks meêr en meêr toe onder de _Franschen_;
doch mijns bedunkens is het de regte smaak niet; het schouwspel
strekt bijna geheel ter voldoening van hunnen ligtzinnigen smaak,
terwijl men het nut, ik meen het _moreele_ nut, niet genoeg in het oog
houd. Men was ook niet ver van hier in een gebouw, voorheen een Kerk,
bezig met een luchtbol (_ballon_) te maaken, die al vrij groot was,
een man te paard zittende, ik meen den vermaarden Blanchard zelven,
moest daar binnen eenige dagen mede opstijgen. Men zou, dunkt mij, ook
wel doen, om van dat gevaarlijk luchtreizen, waarin men het toch nooit
verder schijnt te zullen brengen, aftestappen, om liever het geld,
dat daar aan verkwist wordt (en dit bedraagt zeker eene aanmerkelijke
som, want men houdt zich vooral in _Frankrijk_ nog zeer veel met
luchtbollen bezig) aan de aarde, waar van de bewerking nog voor zoo
veel verbetering vatbaar is, te besteden: behalve dat, vind ik alle
spelen of vertooningen, waar bij menschen, alleen om de aanschouwers
te vermaken, hun leven of gezondheid wagen, zoo als luchtreizigers,
koorddansers, paardrijders en diergelijken, in eene maatschappij, daar
de goede order gehandhaafd wordt, ten eenemaal ongeoorloofd. Ik bezag
eenige Kerken, doch vond 'er weinig bezienswaardig; in een van dezelve
was een man in Turksche kleeding, en met een tulband op het hoofd,
die zeer devoot de mis scheen bijtewonen; en behalve het ontdekken
van zijn hoofd, dezelfde plegtigheden in acht nam als de anderen. De
warmte was vrij dragelijk, en ik kon genoegzaam den geheelen dag
wandelen; terwijl ik den vorigen dag verpligt geweest was, om mij op
het midden van den dag in huis te houden. _Krediet_-brieven aan een'
koopman alhier hebbende, had ik gelegenheid, om naar den staat van
den handel eenig onderzoek te doen. Het schijnt 'er ook hier in dit
opzigt ellendig uittezien: de _Amerikanen_ en _Spanjaarden_ waren
de eenigste, waarmede men nog iets deed; de _Levantschen_ handel,
die hier de voornaamste tak van commercie uitmaakte, en waar toe
alleen eenige honderde schepen gebezigd werden, is door den oorlog
schier geheel werkeloos, en met de _Barbarijsche_ kust, _Marocco_
enz. beteekent het ook zeer weinig, en geld en krediet ontbrak 'er
algemeen, naar men mij verzekerde. De _Marseillanen_ plagten ook veel
met de _Engelschen_ en _Hollanders_ te handelen, maar ook deze handel
staat thans genoegzaam stil. Verscheidene kooplieden, die ik sprak,
en in hunne bezigheden zag, kwamen mij voor, wat hunne geaardheid
aanbelangt, dezelfde soort van menschen te zijn, als de onze te
_Amsterdam_, _Rotterdam_ enz.; en men zou in een kantoor of pakhuis
te _Marseille_ zijnde, waar Kooplieden, Makelaars, Kantoorbediendens,
Pakhuisknechts, enz. onder elkanderen bezig zijn, indien 'er geen
_Fransch_ gesproken werd, zich zeer wel kunnen verbeelden, dat men in
_Amsterdam_ of _Rotterdam_ was. Goedkoop koopen, 'en duur verkoopen,
is altijd de hoofdbedoeling en de beweegoorzaak van hunne daden en
verrigtingen, en dit bedrijf schijnt eenen aanmerkelijken invloed op
het karakter te hebben; echter meen ik, zonder partijdig te zijn,
wat aanbelangt de ijver, orde, naauwkeurigheid, en vooral ook de
goede trouw, mijnen landgenooten de voorkeur te mogen geven. De
kooplieden van _Marseille_ schenen in 't geheel niet in hun schik
met het tegenwoordig Gouvernement, en beschouwden het als een
krijgsbestuur (_Gouvernement-militair_) nadeelig voor den koophandel,
_Bourbons_-gezind schenen zij echter over het algemeen ook niet; het
oude Aristocratisch-Republikeinsche zit 'er misschien nog wel wat in,
vooral als de vrijheid en onafhankelijkheid opzigtens den handel daar
door kon begunstigd worden; met één woord, de geest van koophandel
(_esprit de commerce_) schijnt 'er, de algemeene geest (_esprit
public_). Het nieuwe _Fransche_ gewigt scheen hier ook weinig in
gebruik; nu ik geloof ook, dat men moeite zal hebben, om, en wel de
vreemdelingen vooral, daar aan te gewennen. Hier ziet men bijna in 't
geheel geen balance en gewigt, zoo als bij ons en elders in _Frankrijk_
in gebruik, en men verkoopt veel bij het pond, zelfs tot de houtskolen
toe, alles wordt schier gewogen aan ijzeren of houten staven, die de
zwaarte aanwijzen, door een ijzeren of koperen bol, die men op zekere
merken schuift [55]. In de winkels hangt deze staf doorgaans op een
bepaalde plaats, met eene schaal 'er aan, doch anders heffen twee
menschen die aan een stok op de schouders op, met de goederen die men
'er aanhangt; zoo weegt men in de pakhuizen en op de kaaijen, bij het
afleveren van goederen enz. De goederen Worden hier meestal gedragen,
door mannen, die men _porte-faix_ noemt. Zij dragen op den rug en met
twee aan een boom, doch niet zoo als bij ons de bierdragers achter
elkander, maar naast elkander; zij hebben groote ronde hoeden op,
en daar aan hangt een kussentje, dat hun in den hals ligt, hier op
rust de draagboom. Ik geloof, dat op die wijze het geheele lichaam
meer draagt, en het alzoo gemakkelijker is, dan dat de boom maar
op eene schouder rust. Deze lieden maken een soort van Gilde uit,
zoo als bij ons de zakkedragers, dat men _le corps de porte-faix_
[56] noemt. Hunne hoofden, die 'er goede order onder houden, bezitten
in eene ruime maate het vertrouwen van de kooplieden, en schijnen
zich dat vertrouwen ook waardig te maken.
's Avonds ging ik in den grooten Schouwburg, die digt bij mijn
logement, regt over de straat _Beauvau_, is, zoo dat de _facade_ eene
fraaije en prachtige vertooning maakt, en het heeft daar door wel
wat overeenkomst met het van binnen uitgebrande _Théatre de l'Odéon_
te _Parijs_. Deze Schouwburg is naar het bestek van Benard in 1787
gebouwd. Van binnen is deze zaal fraai, doch men kan in het _parterre_
ook niet zitten, dan op een enkele bank rondom; men betaalde 'er ook
maar 25 _sous_. Ik bleef 'er slechts zeer kort, want het was 'er warm,
zoo dat ik schier zweette van het zien dansen, dat anders vrij wel
was; men zeide mij ook, dat zij in de balletten uitmunten; maar dat
het overige niet veel beteekent. Fraaije Koffijhuizen vindt men te
_Marseille_ in menigte, zoo rondom de _Cours_ en bij den schouwburg,
als elders; _le Caffé du Commerce_, in de straat de _Beauvau_, is een
van de beste; de ververschingen zijn 'er niet duur. IJs wordt hier ook
zeer veel gebruikt, men betaalt _de glace_ [57] tien à twaalf stuivers.
Den 9 dezer, werd ik 's morgens gewekt door een kanonschoot, die bij
het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren
ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg,
daar het fort _notre Dame de la Garde_ op gelegen is; men heeft van
daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de
zee. Ten tijde, dat de _Romeinsche_ legioenen zich hier bevonden,
moet 'er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude
schrijvers althans spreken daar van; thans is 'er niets, dat naar
een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier
omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans
den berg Bonaparte (_la montagne_ Bonaparte) noemt; men heeft pas een
nieuwen weg gemaakt, langs welken men 'er zeer gemakkelijk opklimmen
en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod
om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of
te beschadigen--geene wet zal 'er beter nagekomen worden dan deze;
want 'er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien,
en ik geloof niet, dat 'er ooit boomen of struiken, van eenig belang
op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots
of stukken steen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst
gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar
tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In
de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in
vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg,
waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische
kolom, waar op het borstbeeld van Bonaparte, van wit marmer; op het
voetstuk dat met twee witte marmeren _bas-reliefs_ pronkt, verbeeldende
het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van
den wijnoogst, leest men: _A_ Bonaparte _vainqueur et pacificateur
Marseille reconnaissante_ [58]. Verder blijkt uit het opschrift,
dat dit gedenkteeken onder het bestuur van den _prefet_ Charles
de la Croix, die, in _Holland_ zijnde, zoo een groote voorstander
scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door
een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind
van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde
met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen,
makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende,
zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet
herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren;
dit werktuig bestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij
zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden,
zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een
rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de
andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van
onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men
door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die
'er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit,
en ik zag 'er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven
is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad
'er in uitloost, en 'er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water
altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in de _Middellandsche Zee_
gaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral
als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo dat _Marseille_
ook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft met _Amsterdam_. Maar
zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan
is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts
weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de
schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde
baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij
der moeite wel waardig, dat men 'er onderzoek na deed, en 'er eene
naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zouden
zij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd
worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde,
gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze
stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo
noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van
de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden,
dat deze slijk of modder in 't geheel niet deugde, om de gronden te
verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet
bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd,
ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk
bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde,
en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou 'er met
goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt
zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te
veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In
ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts
bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was
het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige
bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan
hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men
vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uit _den Haag, Leijden_,
_Haarlem_, enz. naar _Braband_, in plaats van ze door die ongelukkigen
te laten weghalen, om 'er de nabijgelegen duinen mede te bemesten,
en 'er aardappelen, die 'er ongetwijfeld goed in groeijen, in te
zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken,
in 't geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland
strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen,
die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het
algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden,
niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog,
helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is
waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten
onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot
zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een
gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal
van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van
kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben,
zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook
een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke,
en alzoo ter behoeding van gebrek--zoo veel mogelijk onafhankelijk te
zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt
mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen
blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de
vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheid inoogsten.--Dit althans,
houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het
midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den
koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen
staande houden.--Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet
volkomen met mij eens?