ACHTSTE BRIEF.

_Marseille_, 7 _Augustus._

's Morgens van den 4 dezer was het droog, doch het had den ganschen

nacht geregend. Zoo veel regen in dit saisoen en in dit gedeelte van

_Frankrijk_, is inderdaad een ongewoon verschijnsel. Niettegenstaande

onze voerman ons veel vertelde van den slechten weg, stapten wij

omstreeks vijf uren op het rijtuig, om naar de vermaarde fontein van

_Vaucluse_ te rijden, men rekent dezelve over _l'Isle_ 5 1/2 uur gaans

van _Avignon_ afgelegen; wij hadden een rijtuig op twee wielen, doch

op riemen hangende, in den smaak van die, waarmede men van _Parijs_

naar _Versailles_ enz. rijdt; het was met twee paarden bespannen, en de

voerman zat _en postillon_ op een van dezelven, die soort van rijtuigen

zijn ligt, en men kan 'er des noods met vier personen in zitten. Ik

had het voor 21 Livres vrij van alle onkosten gehuurd. Een eind weegs

buiten _Avignon_ is de weg goed en zeer vlak, aan beide zijden met

sloten, weilanden en boomgaarden, van moerbezieboomen beplant. Het

heeft hier wel wat van dat gedeelte van _Gelderland_, waar men zoo

veele kersen en andere vruchtboomgaarden vindt. De landstreek wordt

vervolgens bergachtig, en men heeft eene verscheidenheid van aangename

gezigten. Tot nog toe was de weg vrij goed; doch hier kwamen wij weder

tusschen boomgaarden en akkerland. De grond was hier kleiachtig en

zoo week, dat wij verpligt waren te voet te gaan, omdat het rijtuig

en de paarden 'er zoo diep in raakten, dat zij moeite hadden, om 'er

uit te komen. De voerman wees ons een voetpad langs een' anderen weg,

en wij zouden dan op eene zekere hoogte weder bij elkanderen komen;

dit ging in den beginne wel genoeg, doch deze weg werd ook zoo slecht,

dat wij aan den kant moeite hadden om ons over eind te houden door

de glibberigheid, en in 't midden zakte men 'er tot over de enkels

toe in; tusschen beide liepen de sloten over, en men was schier

genoodzaakt om te waden. Zoo sukkelden wij wel een half uur voort,

eer wij weder bij het rijtuig kwamen. Onze voerman had het niet beter

gemaakt dan wij, zijnde verpligt geweest, om bijna altijd naast het

rijtuig te gaan, om het te ondersteunen; hij, wij en de gansche boêl

zagen 'er deerlijk beslikt uit; en had de weg in 't begin ten opzigte

van het gezigt naar _Gelderland_ geleken, hier geleek zij wel na dat

kleiachtig gedeelte van ons land, waar men 's winters bijna niet door

kan komen; en ik herinnerde mij hier aan een van de onaangenaamste

wandelingen van mijn leven, die ik in het najaar van 1801 deed,

van _Dordt_ naar het _nieuwe veer_. Wij kwamen vervolgens door het

dorp _Morières_, klommen een' heuvel op, veelal met wijngaarden en

olijfboomen beplant; hier wordt het oog wederom aangenaam vergast;

de weg is hobbelig en steenachtig. Hier wees onze voerman ons in

een keten heuvels en rotsen, die voor ons lag, en aan dien kant het

gezigt bepaalde, de plaats, waar de fontein van _Vaucluse_ gelegen

was; doch wij waren 'er nog een goed eind weegs van daan, en ik zag

nog niets anders dan een bruinächtige rots. Afklimmende kwamen wij

nog voorbij een ander dorp, en daarna aan het stadje _l'Isle_ (het

eiland) genaamd, waarschijnlijk om dat het riviertje _la Sorgue_ het

rondom bespoelt.--welk eene allerliefste landstreek! Wij reden door een

fraaije dreef van redelijk zware _platanus_-boomen langs de stad, tot

aan een gnappe herberg daar Petrarque et Laure uithangt, hier stapten

wij af, aten ter loops een stuk brood, en wat vruchten, waar onder

goede meloenen, en bestelden het middagmaal tegen onze terugkomst,

vooral goede paling, forellen en rivierkreeften bedingende; want die

zijn hier even zoo vermaard als bij ons de baars van _Hillegom_, of

half weg _Amsterdam_; en schoon anders geen lekkerbek, van daag wilde

ik ook eens smullen, want dat behoort bij de reis naar _Vaucluse_,

en hij, die de fontein gaat zien, moet ook de visch proeven, die 'er

in dat water gevangen wordt. Na het stoffelijk deel wat verkwikt te

hebben, en dat was noodig; want wij hadden ons nog al wat vermoeid

met door het slijk te loopen, spoedden wij voort en ik was dan zeer

nieuwsgierig en verlangende. Welhaast verlaat men het dal en de

vrolijke landouw van _l'Isle_; het liefelijk stroomende riviertje,

dat hier en daar over een dam heen rolt, en een kleinen waterval

vormt, de frisch groene weilanden en de akkers met moerbezieboomen

beplant. De natuur neemt eene treurige houding aan, de grond wordt

steenachtig, hier en daar rijdt men zelfs over de bloote rots; de

landstreek is dan ook onvruchtbaar en woest, slechts hier en daar

een struikje of een kwijnend olijfboompje. Hoe zeer men de plaats,

waar de fontein moet wezen, een' geruimen tijd voor zich gezien heeft,

men kan zich niet verbeelden, dat dit iets ongemeens zal opleveren,

en eenigzins aan de verwachting beantwoorden, die men 'er den reiziger

van heeft doen opvatten, en juist dit maakt de nieuwsgierigheid des te

sterker gaande; ieder spreekt hier toch van de fontein van _Vaucluse_,

alle vreemdelingen gaan die bijna zien; het Departement is 'er naar

genoemd; het moet toch der moeite waardig zijn, en ondertusschen

schijnt het niet anders dan een barre rots. Het dorpje _Vaucluse_

naderende, begint het 'er nogthans wat naar te gelijken; hier wordt de

natuur schilderachtig; men komt door een' hobbeligen en kronkelenden,

hier en daar zeer smallen weg, langs stukken en brokken van rotsen,

in een aangenaam dal, waar de _Sorgue_ langs groene oevers, en

weelderig groeijende struiken en boomen door slingert. Bij de brug

van het dorpje hield de voerman stil, digter bij de fontein kan men

met rijtuig niet wel komen. Een oud vrouwtje met haar spinrok in de

hand, wachtte ons reeds op, en bood zich aan ons naar de fontein te

geleiden. Het was nu omtrent elf uren, de zon scheen helder; het was

al een zeer heete dag, en dus niet zeer aangenaam, om te wandelen,

doch een nieuwsgierig reiziger laat zich daar door niet afschrikken,

en wij begaven ons met onze geleidster, die al vooruit liep, en

trachtte te beduiden dat het niet ver was, op weg, ik zeg trachtte te

beduiden, want de goede vrouw sprak bijna niet anders dan het _patois_

van dat land, het geen weinig overeenkomst heeft met het _Fransch_;

door dikwijls hetzelfde te herhalen, en met de handen en oogen te

wijzen en te beduiden, begreep ik 'er hier en daar nog al wat van;

mij scheen zij genoegzaam te verstaan, maar vergat al gaande en

pratende niet te spinnen; en hoewel 'er armoedig uitziende, scheen

zij echter gezond en vrolijk. Het dorpje _Vaucluse_ ligt tegen en op

een barre rots, die door de _Sorgue_ bespoeld wordt; het is dan onder

aan den oever aangenaam en vruchtbaar; doch boven dof en naar. Op

den top van een rots bij hetzelve, ziet men de overblijfsels van een

vervallen Kasteel, dat men het kasteel van _Petrarque_ noemt; doch

het behoorde aan de Bisschoppen van _Cavaillon_, die Heeren waren

van _Vaucluse_. Men klimt, den stroom aan de regterhand latende,

naar de bron; haast wordt men door het ontzaggelijk gezigt van een

verbazende hooge muur van steile rotsen, die zich als een halve

cirkel vertoont, en door de ruischende watervallen, die zich in den

stroom opdoen, verrukt. Ter zijde ziet men spitse punten, door de

natuur als gedenknaalden opgericht, en vreesselijke klompen steen,

door de Eeuwige Almagt als 't ware op een gestapeld [41].--Mensch,

met al u ingebeelde grootheid, wat zijt gij hier klein!! Naar mate

dat men opklimt, wordt ook de bedding van den stroom hooger, en de

bruisschende loop van het water dus hoe langer hoe sterker, zoo dat

het schier niet anders gelijkt dan sneeuwwitte schuim. Ik had mij

reeds van het snapachtig moedertje ontdaan, en zette mij nu op een

brok rots aan den kant van de waterval neder, om daar alles bedaard

te overzien. Zeker heeft Petrarcha deze plaats niet uitgekozen, om den

lof van zijne schoone Laura [42] te zingen, want het geweldig gedruis

van het water zou de schelste toonen verdoofd hebben; doch hij kon 'er

de majestueuse schoonheid der natuur in vloeijende versen beschrijven,

ten minste daar toe de ruimste stof in zijn brein verzamelen. Nu ging

ik verder op, tot aan de grenzen van dit enge dal, door de steile rots,

zoo steil, als of zij regt door was gezaagd, afgeteekend. Aan den

voet van dezelve is een ruim onderaardsch gewelf, waar in de bron van

_Vaucluse_ opwelt. Het water, in den kom of vijver voor hetzelve, was

zoo hoog, dat wij van den boog of opening maar zeer weinig zagen. De

oppervlakte van dezen vijver had toen wel 50 voeten diameter. Hier

was het water stil en doorschijnende, zoo dat men aan de kanten tot

op den grond toe zien kon. Gedurig door de bron gevoed wordende, liep

die vijver aanhoudend over, en dit maakte dien heerlijken waterval. Het

was hier zeer koel, en door het water, dat bijna ijs koud is, en omdat

men 'er geheel beschut is, tegen de zonnestralen; want de steile rots

boven de bron helt zelfs eenigzins voorover, en deze rots is van het

water af omtrent 700 voeten hoog. Men is hier genoegzaam rondom door

ontzaggelijke muren ingesloten, van daar de naam _Vallis Clausa_,

daar men _Vaucluse_ van gemaakt heeft. De vorschende reiziger leest op

deze wanden, als een bevel van de hoogste wijsheid: "Tot hier toe en

niet verder," en treedt eerbiedig terug.--Men ziet niets dan rotsen

en water, behalve den treurigen vijgenboom, die uit een spleet van

de rots, boven den vijver, niet ver van het water is voortgekomen,

en hier en daar een weinig mos, en toch is het zoo verrukkend schoon,

dat ik 'er niet van daan kon komen. Eenige jaren vroeger had hier

de liefde misschien grootendeels mijne denkbeelden bezig gehouden,

thans vervulde verhevener gedachten geheel mijne ziel,--de flaauwe

beelden der Eeuwigheid, der Schepping en der Onsterfelijkheid zweefden

voor mijn' geest.--Weg met al die beuzelachtige pracht, waarmede

men den godsdienst ontluistert, met al die leerstellingen die 'er

menschelijk vernuft heeft bijgehangen!--Al wat menschelijk is, is

hier beuzelachtig, en zinkt weg naast de Grootheid van den Schepper,

dien men rondom niet anders dan met eerbied kan beschouwen.--Ik knielde

niet, ik sprak geen gebed uit,--maar betrachtte, bewonderde, gevoelde

en hoopte. Het nieuwe en ongewone der voorwerpen, droeg zekerlijk veel

tot deze mijne geestvervoering bij.--Zulk eene verhevene gewaarwording,

zulk eene zachte aandoening is onbeschrijfbaar. Doch daar het tijd

werd om deze zielstreelende tooneelen te verlaten, vervoegde ik mij

weder bij het gezelschap. Wij hadden een fles wijn medegebragt, die

onze geleidster aan den kant van de bron gezet had om te verkoelen,

hier dronken wij nu een teug van, doch ik verkoos het zuivere water,

daar ik bij mijn aankomst reeds van geproefd had, doch niet veel

van durfde drinken, omdat ik te warm was. Dit water is zoo klaar

als kristal en uitmuntend van smaak. Onze geleidster beduidde mij,

dat in den sterken stroom bij den val (_cascade_) Forellen gevangen

werden. Hoe merkbaar was de warmte, toen wij weder in de zon kwamen;

doch het is slechts eene kleine wandeling, en wij waren weldra bij

het rijtuig; hier keerde ik mij nog eens om, bleef een poos op den

stroom en op de rotzen staren, en zeî met aandoening, _Vaucluse_

vaarwel. Het moedertje, dat ik wat gegeven had, wenschte ons zegen

en gezondheid, en wij reden, wel voldaan over deze reis, naar _l'

Isle_ terug. Hier vonden wij den maaltijd gereed, in een kamer waar de

borstbeelden van Petrarcha en Laura op den schoorsteen stonden. Nimmer

heb ik lekkerder paling, forellen en rivierkreeften gegeten, en het

was jammer, dat de wijn, hoewel van de beste soort, die men hier had,

ons niet beter smaakte, en wij genoegzaam verpligt waren om enkel

water te drinken. De wijn van _Provence_ en _Languedoc_ is te zwaar,

en heeft een' smaak, welke voor de meeste menschen, die 'er niet aan

gewoon zijn, walgächtig is. Goed koop is het hier niet, wij moesten

voor het middagmaal £ 4-:-: de persoon betalen. Na het eten ging

ik de bekoorlijke wandelingen om het stadje bezigtigen, en trad

ook even binnen de poort, doch inwendig scheen het niet veel te

beteekenen. Voorheen waren hier ook verscheidene Kloosters, want

het behoorde aan den Paus; met dat al zijn 'er ook veel Joden. De

zijdeteelt, zijdeverwerijen en leêrlooijerijen, maken het voornaamste

bedrijf van de inwoners uit. _l'Isle_ is 1 1/2 uur gaans van _Vaucluse_

en 4 uren van _Avignon_. Wij reden 'er dan ook eerst tegen, dat de

grootste hitte wat over was, van daan. Nu scheen mij het gezigt op de

hoogte nog fraaijer en uitgestrekter dan in het heenrijden. Aan onze

regterzijde zagen wij onder anderen van verre een vrij hoogen berg,

dien onze voerman _le Dojo_ [43] noemde, aan de linker deed zich op

een goeden afstand, in de valei een keten rotsen op; aan den voet

van de hoogte lag het dorp _Morières_, en regt uit in het verschiet

de stad _Avignon_. In den omtrek van _Morières_, en op meêr plaatsen

langs dezen weg, vond ik ook velden met meekrap, doch zij staat zoo

goed niet, als bij ons. De weg was aanmerkelijk opgedroogd, zoo dat

wij nu niet veel hinder van de slijk hadden; wij kwamen dan omstreeks

's avonds half negen te _Avignon_ terug, en gaven aan onzen voerman,

behalve de bedongen vragt £ 3-:-: en dus in 't geheel een _Louïs

d'Or_ en hij was zeer wel te vreden. 'Er was zeer veel volk op de

publieke wandeling, die hier even buiten de poort langs de _Rhone_ is;

wij gingen daar dan ook een avondluchtje scheppen. Deze wandeling is

digt met ijpe-boomen beplant en zeer lommerrijk, tusschen beide staan

steenen banken, en in het midden over de poort, een fraaije tent,

waar men ijs en andere ververschingen tegen eenen zeer billijken

prijs kan bekomen. Men ontmoet hier ook, hoewel deze stad tot de

Staten van zijn Heiligheid behoorde, en van zijnen wegen bestuurd

werd, zeer veel galante meisjes, zelfs naar men verzekerde waren

'er ruim 500 bij de Policie aangeteekend, en de gehele bevolking

bedraagt omtrent 20,000 menschen.

Den 5 dezer was het Zondag, en dus gelegenheid, om kerken te zien;

voor de omwenteling waren die hier in menigte en schitterden van goud

en kostbaarheden. Behalve de Kerken, waren 'er nog twintig zoo Mans-

als Vrouwen-Kloosters, thans is dat getal aanmerkelijk verminderd,

en ook in verscheidene Kerken, die ik bezigtigde, vond ik niet

veel bijzonders. De stad beviel mij vrij wel, men vindt 'er nog al

eenige ruime straten en fraaije gebouwen. Een Dame te paard gezeten,

en door een' slaanden Tamboer voorafgegaan, trok mijn aandacht;

zij had eenige zeldzame natuurverschijnselen te kijken, en maakte

dit bekend. Deze wijze van bekend maken scheen hier gebruikelijk. In

_Avignon_ zijn ook verscheidene Boekdrukkerijen; voor deze hielden die

zich veel bezig met voorname _Fransche_ werken natedrukken; voor het

overigen drukten zij vele theologische geschriften. _Het leven van_

Petrarcha enz. willende koopen, ging ik in eenige Boekwinkels, en

vond 'er onder die vrij groot waren, behalven het leven van Petrarcha

kocht ik ook nog een werkje, ten titel voerende: _Description de la

Fontaine de Vaucluse etc. par_ J. Guerin _Professeur etc. Avignon_

1804 [44]. Er staat een fraai plaatje voor, waarop een gezigt van

den waterval en omliggende rotsen, zeer naauwkeurig is afgeteekend,

en daar bij eene juiste beschrijving gegeven; bij gelegenheid zend

ik u dat boekje, dat u deze opmerkingswaardige bron nader zal leeren

kennen [45]; ook voor de Natuur- en Kruidkundige is daar wat in te

leeren. Ik was blijde, dat ik het niet eerder gevonden had, want

dan had de verrassing minder aangenaam geweest nu ging ik de bron

van _Vaucluse_ zien, zonder 'er bijna iets meêr dan den naam van te

kennen. In het voorbijgaan zag ik hier ook eene geschutgieterij. Wij

hadden onzen intrek genomen in het Hotèl genaamt _le Palais Royal_

digt bij de poort aan de gemeene wandelplaats uitkomende; het huis

ziet 'er juist niet zeer gnap uit, doch over hetzelve staat een

nieuw gebouw, hier gaf men ons kamers, die zindelijk en goed waren,

en wij betaalden slechts £ 1-10-: voor ieder bed of £ 3-:-: voor een

kamer met twee bedden. 's Middags aten wij aan de algemeene tafel

(_table d'hote_) in een groote zaal, met wel 40 à 50 personen, veelal

kooplieden van de kermis (_foire_) van _Beaucaire_ terug komende,

en met eenige duizende vliegen; want de tafel, de muren, de zolder,

alles zag 'er zwart van; ik herinner mij niet van ooit zoo veel van

die _insecten_ bij elkanderen gezien te hebben; ik kon ze naauwlijks

van mijn bord afhouden, vooral was men genoodzaakt om alle schotels,

daar zoet bij kwam, te dekken, en bovendien gebruikte men de voorzorg,

van de vensters digt te houden, en het zoo donker te maken, dat men

ter naauwernood zien kon. Het was heden weder zeer warm. Het ossen

en kalfsvleesch begint hier al schaars te worden, en schapenvleesch

is het voorname voedsel. Olij wordt veel in plaats van boter, die

hier ook in 't geheel niet rijkelijk is, gebruikt. Vele groentens,

die te _Parijs_ en elders overvloedig zijn, onder anderen de frissche

salade, die men daar _Romaine_ noemt, vindt men hier weinig of niet;

doch daar en tegen heeft men overvloed van geurige meloenen. De _Rhone_

en andere riviertjes of beken hier omstreeks leveren goeden visch op;

ook schijnt het gevogelte, als hoenders, kalkoenen, duiven enz. 'er

niet te ontbreken. Na het eten klom ik op de rots, _de Dons_ genaamt,

en waarop het voormalig Pausselijk slot gelegen is, men klimt 'er

aan den eenen kant met trappen op, en boven zijnde, heeft men op een

soort van _terras_ een fraai en uitgestrekt gezigt, over de stad en

derzelver omstreek. De geheele stad, behalven deze rots, is in een

vlakte gebouwd, en door een' fraaijen muur omringd. Het voormalig

zoogenoemd Pauselijk paleis, is een groot en stevig _Gothisch_

gebouw, en gelijkt meêr naar een gevangenis, dan naar een paleis;

trouwens, een groot gedeelte 'er van dient ook tegenwoordig om 'er de

misdadigers in te bewaren; het overige wordt door oude krijgslieden

(_invalides_) bewoond, en men noemt dat _une sucursale_. De voormalige

Pausselijke munt, die over dit gebouw staat, wordt thans door de

ruiterij, ten dienste van de policie, (_Gens d'Armes_) bewoond;

overigens ziet men op deze rots veel puinhoopen en overblijfsels

van gesloopte gebouwen. De eerste Paus, die zijn zetel van _Rome_

hier na toe verplaatste, was Bertrand de Got, genaamd Clemens de V.,

en geboortig van _Bazas_ in _Gascogne_; hij had aan Philippus le Bel

beloofd, om altijd in _Frankrijk_ te zullen blijven, en verlegde zich

in 1308 te _Avignon_, doch had toen, aangaande het wereldlijk bestuur

van die plaats, niets in te brengen. In 1348 eerst kocht Clemens de

VI., van Johanna, Koningin van _Siciliën_, en Gravin van _Provence_,

de stad _Avignon_, voor 80,000 guldens. Het Graafschap _Venaissin_

bezaten de Pausen toen reeds. De Pausselijke zetel bleef 'er toen

tot 1376, toen Gregorius de XI. (de laatste _Fransche_ Paus tot nu

toe) weder naar _Rome_ ging wonen, waar hij in 1377 aankwam, en den

27 Maart 1378 stierf. Mij dunkt, indien 'de Pausselijke waardigheid

nog lang in stand word gehouden, dat het dan ook zeer mogelijk is,

dat Gregorius de XI. niet altijd de laatste _Fransche_ Paus blijft. Na

deze Gregorius de XI. zijn 'er tweemaal achter elkanderen twee Pausen

te gelijk geweest, waarvan de eene telkens te _Avignon_, en de andere

te _Rome_ zijn verblijf hield. De geleerden waren het toen in 't

geheel niet eens onder malkanderen. Vervolgens regeerden de Pausen

_Avignon_ en het aangelegen Graafschap, door Kardinalen _legaten_,

en deze wederom door _vice legaten_, die te _Avignon_ bun verblijf

hielden, en die Onderkoningjes lieten zich daar dan ook ter deeg

gelden. Thans is deze stad de hoofdplaats van het Departement van

_Vaucluse_. Oorspronkelijk behoorde zij aan de _Cavariense Gaulen_,

en wierd daarna een _Romeinsche_ Volkplanting (_Colonie_) kwam door

verscheide andere handen aan de Graven van _Provence_, vervolgens aan

den Paus, en eindelijk aan de _Fransche_ Republiek. Het afschaffen

van de menigte Kloosters en Dom Kapittels, heeft het vertier in

deze stad wat verminderd, en eene aanzienlijke somme gelds buiten

omloop gebragt. Onder de gangbare munten alhier, ziet men ook zeer

veel _Spaansche_ stukjes, doende 20, 10 en 5 stuivers _Fransch_. De

menschen zagen 'er vrij gnap en gezond uit, en men vind hier nog al

fraaije vrouwen. De kleeding der boerinnen, of liever hunne groote

zwarte filten ronde hoeden, beviel mij niet. Zij zijn doorgaans

in 't geheel niet bevallig, en maakten zich door die hoeden nog

onbevalliger. Tot een sieraad der burgervrouwen, schijnt even als bij

onze Vaderlandsche huismoeders, een schaar aan een zilvere ketting te

behoren; boven aan is nog een zilver beugeltje als een sleutelring,

doch ik heb 'er geen sleutels aan gezien. Het _Patois de Provence_ is

de gewone spraak, doch de stedelingen spreken ook _Fransch_, hoewel de

meesten, onder het zoogenaamde gemeen, zeer slecht. Tegen den avond

ging ik weder naar de openbare wandelplaats, waar nu met de zondag

veel volk was: het is hier dan ook allerliefst, en om de lommer,

en om het aangename gezigt over de rivier. In dezelve ziet men ook

nog een gedeelte van eene steenen brug; deze brug in 1188 volbouwd,

wierd door den sterken stroom in 1669 vernield, zoo dat 'er nog maar

drie of vier bogen van overbleeven; van den kant van de stad gaat men

'er nog op. Die brug is naderhand in hout wel weder bij gebouwd, doch

Lodewijk de XIV., naar men mij verzekerde, heeft ook de houten brug,

daar de rivier aan _Frankrijk_ behoorde, doen wegnemen, om daardoor

de gemeenschap met het _Languedokse_ zoo veel mogelijk te belemmeren,

en de zijden stoffenfabrieken van _Avignon_, die ook aanmerkelijk

plagten te zijn, te onderdrukken, om daardoor die van _Lyon_ meêr te

bevoordeelen. Daar _Avignon_ thans aan _Frankrijk_ behoort, verwacht

men, dat de brug weder hersteld zal worden, en men verhaalde mij zelfs,

dat 'er reeds een ontwerp dien aangaande begonnen was. Aan den anderen

kant van de _Rhone_ over deze stad ziet men tegen de helling van een'

heuvel, het stadje _Villeneuve-lez-Avignon_, en bij hetzelve een

groot en aanzienelijk gebouw, voorheen een _Benedictijner_ Abdij. 'Er

werd ook dezen avond in den Schouwburg, dien men hier van een Kerk

gemaakt heeft, gespeeld; men gaf 'er onder anderen _la Caravane du

Caire_, groote Opera; noch het tooneel, noch de vertooners waren tot

de uitvoering van dit stuk geschikt, doch men moet _Parijs_ naäpen,

al zou het dan ook nog zoo gebrekkelijk zijn: behalven de _Bastaille_

was 'er geen een bij, die maar dragelijk zingen kon; ik liep 'er

dan ook al heel spoedig uit. _Apropos_ van zingen, men verbeeldt zig

ook vrij algemeen bij ons, dat schier alle menschen in _Frankrijk_

zingen als nachtegalen, en dat onze landslieden 'er ten eenemaal

ongeschikt toe zijn; ik heb zelfs te _Parijs_ door een' geleerde,

in het openbaar sprekende, eens hooren aanvoeren, en dat in goeden

ernst, dat de _Hollanders_ misschien zoo slecht en smakeloos zongen,

omdat zij alle uren of half uren de klok hoorden spelen, daar dit (zoo

men wilde) op hun muzijkaal gehoor een nadeeligen invloed moet hebben;

maar ten platten lande, en in verscheide plaatsjes van _Frankrijk_,

die ik al bezocht heb, spelen geen klokken, ondertusschen hoorde ik

nog al dikwijls een boere meisje of knaap, een werkgast of spindster,

een deuntje zingen; maar deze bragten toch ook alles, behalve

aangenaam muzijk en strelende toonen, voor den dag. Te _Parijs_

en in de voornaamste steden gaat het beter; maar waarom?--omdat men

daar gelegenheid heeft van dagelijks goede zangers en zangeressen te

hooren, en omdat 'er een menigte muzijkanten zijn, die de jongelieden

onderwijzen, en met dat al vindt men 'er onder de liedjeszangers,

en het zoogenaamde gemeene volk nog een menigte, die het niet veel

beter maken dan de onze. Velen, zoo in _Holland_ als elders, die

natuurlijk een goede stem, en een geschikten aanleg tot de zangkunst

zouden hebben, maken 'er, mijns bedunkens, geene vorderingen in,

omdat zij geene gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te oefenen,

of zelfs hunne stem misbruiken en bederven. Het Psalmgezang, bij

voorbeeld, zoo het den naam van gezang verdient, geloof ik, dat 'er

in 't geheel geen goed aan doet, dikwijls heb ik in ons Vaderland,

vooral in de Nederduitsche Gereformeerde Kerken menschen gezien,

die zoo hard schreeuwden, dat zij rood en paarsch werden, en dit

leert men den jongelieden al vroeg in de scholen; als of men 'er,

in plaats van zangers, nachtroepers of havenwagters, die de schepen

moeten praaijen, van wilde maken. Wenschelijk ware het, inderdaad, dat

men in ons Vaderland ook hier op eene behoorlijke aandacht vestigde,

en gepaste middelen in het werk stelde, om de zoo aangename, en

zelfs van den kant van den Godsdienst beschouwd, nuttige zangkunst,

meerder te bevorderen en aantekweeken; en ik houde mij verzekerd,

dat het aan natuurlijke begaafdheden veel minder zal haperen, dan men

schijnt te veronderstellen. Men zinge dan ook Vaderlandsche liederen

op eenvoudige welluidende, en op de woorden toepasselijke zangwijzen,

in plaats van een menigte laffe en onbetamelijke _Fransche_ prullen,

die onder ons in 't geheel niet voegen, en die men echter al dikwijls

de voorkeur nog geeft boven het goede zangwerk van die natie.

's Nachts om twaalf uren vertrok ik met den gewonen postwagen (_de

l'entreprise Generale_), van _Avignon_ naar _Marseille_, en betaalde

voor een plaats in de _Cabriolet_, dat is te zeggen, voor in, £ 15-:-:

en voor mijn koffer, ruim een çentenaar wegende, £5-:-: dezen postwagen

vond ik al buitengewoon ruim en vermakelijk. De sterren schenen helder,

en hoewel men 's nachts veel mist, ten opzigten van het gezigt, is

het toch aan den anderen kant, in dit jaargetij, weder aangenaam, om

de hitte te vermijden. Wij werden door twee _Gens d'armes_ te paard

begeleid, omdat 'er gelden of papieren van het Gouvernement op den

wagen waren, tot waar men de _Durance_ overvaart, omtrent een paar uren

van _Avignon_. De stroom van dezen rivier, die zijn' oorsprong neemt

in de _Alpen_, is zeer sterk, en daardoor onbevaarbaar, te meêr om de

menigte eilandjes en zandbanken, die zich gedurig verplaatsen. Zelfs

de bedding van de rivier verlegt zich dikwijls, en de landen hier om

streeks worden aanhoudend door overstroomingen beschadigd. Bruggen

zijn daar dan ook niet gemakkelijk te maken, echter naar ik vernam,

was men bezig, om het wat lager dan dit veer met eene houten brug

te beproeven. Thans was de _Durance_, door den aanhoudenden regen,

ook zeer hoog. Wij wierden met een soort van pont aan een reep,

die echter op verre na zoo gemakkelijk en geschikt niet was, als

onze ponten, overgezet, tot een groote zandplaat, of liever bank van

keisteentjes, en van daar met een tweede diergelijke pont, tot aan

den oever. Dit overzetten hield ons omtrent een half uur op. Even

voor het opkomen van de zon, terwijl het vrij sterk daauwde, zag ik

omtrent in het zuiden een' flaauwen regenboog. Toen de zon opkwam,

en de daauw optrok, was het zoo frisch, dat wij 'er eenigzins hinder

van hadden, dit heeft in deze luchtstreek, en in dit jaargetij,

dikwijls plaats, en hoewel het over dag zeer heet is, kan het in den

morgenstond zeer koud zijn. Over het algemeen, in dit gedeelte van

_Frankrijk_, voorheen onder den naam van _Provence_ bekend, heeft

'er eene zeer groote verscheidenheid in het luchtgestel plaats:

om dat men 'er vrij hooge bergen, moerassen, rivieren, vlaktens,

en zeestranden heeft. De vruchtbaarheid van den grond is dan ook

zeer onderscheiden: men zegt daarom, dat men in _Provence_ te

gelijkertijd de vier jaargetijden vindt. Het stadje _Orgon_, 3 1/2

post van _Avignon_, en daar wij doorreden, na van paarden verwisseld

te hebben, zag 'er niet zeer gunstig uit, het ligt tegen eene vrij

steile hoogte. _Lambesc_ een ander stadje, omtrent 3 posten verder,

beviel mij beter; het is aangenaam gelegen, en de omstreek schijnt

nog al vruchtbaar te zijn, tot nog toe anders was de grond over het

algemeen steenachtig en onvruchtbaar. In de omstreek van _Lambesc_

vindt men marmergroeven. Te _St. Cannat_, daar wij omstreeks negen

uren aankwamen, wilde men ons al doen eten, dat is te zeggen, een'

maaltijd doen nemen, die het ontbijt en middagmaal in zich vereenigen

moest; dit beviel mij niet; ik ging dan met een' man van _Aix_, die

ook op den postwagen was, in een klein herbergje, waar het 'er vrij

gnap uitzag, niet ver van het posthuis; hier gaf men ons persiken,

watermeloen, die men hier _pastèque_ noemt, zoo veel brood, als wij

lusten, en een fles vrij goeden wijn, en dit alles koste voor ons

beide maar 9 _Fransche_ stuivers. De vrouw scheen een goede huismoeder

te zijn, en hield zich met een paar lieve kinderen bezig; de boer,

die teffens hospes was, had een gezond oordeel, en scheen zeer aan

de eerste beginselen van de omwenteling gehecht, en daar hij hoorde,

dat wij het hieromtrent met hem eens waren, kwam hij met verscheidene

gegronde aanmerkingen, aangaande de tegenswoordige tijdsomstandigheden,

vrij rondborstig voor den dag. Ik praatte veel met deze goede lieden,

en dit ontbijt is zeker een van de aangenaamste, die ik tot hier

toe op deze reis aangetroffen heb.--Men wil dat de _Franschen_

over 't algemeen niet geschikt zijn voor eenen Republikeinschen

regeringsvorm, indien 'er evenwel hier en daar sommige huishoudens,

als dit gevonden werden, zoo als ik veronderstel, dat zij 'er wel

te vinden zijn, als men zich de moeite gaf om ze optezoeken, en

de zuivere Republikeinsche grondbeginsels werden wat aangemoedigd,

zouden zij 'er wel geschikt voor kunnen worden, dunkt mij.--Mogelijk

is dit het oogmerk dan ook wel van het tegenwoordige Gouvernement, en

wie kan gelooven, dat al het geene zoo veele groote mannen, vooral ook

in _Frankrijk_, dienaangaande geleerd hebben, geheel zal uitgewischt

of in vergetelheid gebragt worden.--Het dorp _St. Cannat_ beteekent

niet veel, en de grond scheen 'er mij ook al niet zeer vruchtbaar. In

het begin van de vorige eeuw ontdekte men een uur van dit dorp aan

de zuidzijde, een mijlpaal, die 'er het 21 jaar van de Christelijke

jaartelling, onder Keizer Tiberius, geplaatst was. De reisweg der

_Romeinen_ van _Aix_ naar _Arles_, liep daar langs. Van _St. Cannat_

tot _Aix_ rekent men 2 posten, of omtrent 3 mijlen van _Provence_;

dat is bijna zoo veel uren gaans. De landstreek blijft aanhoudend berg-

of rotsachtig en de grond over het algemeen woest. De gezigten, hoewel

niet vrolijk, leveren nog al eenige verscheidenheid op, en houden daar

door den reizenden aangenaam bezig. Om het onbelemmerd gezigt vooruit,

is dan de _cabriolet_ ook verkiesselijk boven het binnenste van den

wagen. _Aix_, voorheen de hoofdstad van _Provence_, thans van het

Departement _les bouches du Rhone_, ligt in eene aangename vlakte

aan den voet van verscheidene heuvels; hier begon de natuur weder

eene vriendelijke gedaante aantenemen. Wij moesten buiten om de stad

rijden en verwisselden daar ook van paarden; doch de _Conducteur_

hield zich op mijn verzoek wat op, zoo dat ik den tijd had, om even

in de stad te gaan en de fraaije wandeling te zien, en 'er mij een

weinig te ververschen; deze stad is de oudste, die de _Romeinen_ onder

de _Gaulen_ gehad hebben; zij werd gebouwd in het land der _Salyes_,

die, volgens Strabo, verdeeld waren in zes cantons, voor dat zij

aan de _Romeinen_ onderworpen werden. Zij bestond dus reeds, toen

'er de _Romeinen_ eene kolonie naar toe zonden, 46 jaren voor de

Kristelijke Jaartelling. Misschien lokten de warme baden, en de

nabijheid van _Marseille_ hen hier naar toe; althans deze kolonie,

wierd aanmerkelijk onder die welke de _Romeinen_ in _Provence_

hadden. Verscheidene oudheden, opschriften en medailles, die hier

van tijd tot tijd gevonden zijn, dienen om meerder licht over de

geschiedenis van deze stad te verspreiden. De Graven van _Provence_

hielden hier hun gewone verblijf, en het Parlement enz. van die

_Provincie_ zijne zitting. Bij mijne terugkomst van _Marseille_ kom ik

hier weder door, zal 'er dan langer trachten te blijven, en 'er u meêr

van weten te vertellen. De weg naar _Marseille_ is aangenaam en zeer

levendig, hier en daar fraaije gezigten, buitenplaatsen, fonteinen en

boomen; voor de herbergen lag een menigte watermeloenen, die men aan

de reizende om zich te verfrisschen, voor eenen zeer geringen prijs

verkoopt; zij zijn zeer sappig, en men houdt ze hier voor gezond,

zoo zelfs, dat men 'er, hoewel verhit, gerust van kan eten; doch zij

zijn flaauw van smaak. Op de hoogte, een uurtje van _Marseille_, heeft

men een treffend schoon gezigt; links in het dal ziet men een menigte

buitenplaatsen en lusthuizen, die de _Marseillanen les Bastides_

noemen, en regts in de _Middellandsche zee_ tot aan den gezigtseinder:

de eilanden, of rotsen die zich als heuvels uit zee verheffen,

_Pommegue_, _Bottaneau_ en de sterkte, die men _le Fort d' Is_ noemt,

breken op eene aangename wijze het gezigt op dezen uitgestrekten plas;

regt uit heeft men de stad, doch die houdt zich nog meest verscholen,

en verder een keten van hooge rotsen. De weg bij _Marseille_ is zeer

vrolijk; hier staan een menigte herbergjes (_ginguetes_) daar veel

volk was, rijtuigen, paarden, opgeschikte wandelaars, alles kondigde

de nabijheid aan van eene voorname stad. Wij kwamen de poort, die

men _la porte d'Aix_ noemt, binnen. Welk een ongemeene lange regte

straat! wat verder is dezelve aan beide zijden met boomen beplant,

en daar wandelde in het midden een menigte meestal fraai gekleede

Heeren en Dames. Deze wandeling noemt men hier ook _le Cours_. Op

de fraaije en ruime plaats genaamd _la canne biere_ (misschien wel

van het _Hollandsch_ kanne bier [46] afkomstig) houdt de wagen stil;

het was omtrent 7 uren, toen wij aankwamen. _Aix_ en _Marseille_

zijn 4 posten van elkander afgelegen. Ik gaf den Conducteur meêr

dan gewoonlijk, omdat hij zich om mij te _Aix_ een kwartier langer

had opgehouden, en hij was zeer wel te vreden. Het _grand Hotel des

Ambassadeurs_, waar ik mijn intrek nam, is hier digt bij. Nu weet

gij dat ik te _Marseille_ ben--Vaarwel!

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 13 / 56 题