_Avignon, 3 Augustus._
Gisteren morgen om 4 uren voeren wij van _Lyon_, af; want de wind
was wat veranderd, en wij hadden geen hoop, om denzelfden avond
hier te zijn. De schuit was volgens afspraak; doch 'er ging maar één
schipper mede, en dit beviel velen van onze reizigers, die het hoofd
vol zwarigheid hadden, in 't geheel niet; ik voor mij was hier omtrent
minder ongerust, want had 'er niet deskundigen over gesproken, en men
verzekerde mij, dat 'er met bekwame schippers, zoo als die lieden
hier doorgaans zijn, op deze rivier geen gevaar te vreezen is. Wij
voeren onder de groote steenen brug (_pont de la Guillotière_) door,
doch langs den kant, omdat daar de minste trekking is. De stroom in
het midden onder deze brug is verbaasd snel. Weldra kwamen wij aan de
plaats, waar zich de _Saone_ met de _Rhone_ veréénigt; de afscheiding
van het water dezer twee rivieren, is aan de onderscheidene kleuren
duidelijk te zien, en maakt als een streep op het water. De stroom
is hier ook zeer sterk, zoo dat ons schuitje begon te hobbelen, en
eenigen onzer reizigers zeer zuinig te zien. Het land aan de oevers,
stond hier en daar onder water; zulk eene overstrooming, in dit
jaargetij, heeft hier niet dan zeer zeldzaam plaats. Te _Givors_, een
steedje omtrent drie mijlen van _Lyon_ aan den oever van de _Rhone_
gelegen, moest de schipper aanleggen, om tol te betalen, en wij
stapten aan land, om onderwijl eens rond te zien. Door zijne gunstige
gelegenheid is dit plaatsje nog al handeldrijvend, en de inwoners,
die grootendeels vrachtschippers en _Commissionnairen_ zijn, voeren
vele goederen, als ijzer en steenkolen, komende van _St. Etienne_,
waar een groote geweer- en andere ijzeren instrumenten-fabriek is;
'er zijn ook steenkolen-mijnen niet ver van _Givors_; zij brengen
'er dan ook een groote hoeveelheid van naar _Lyon_, en gebruiken
'er zelve zeer veel in de flessen-fabrieken, die hier ook een'
voornamen tak van bestaan opleveren; men verhaalde mij, dat 'er thans
zes aan den gang waren. Ook wordt 'er zijde in de omstreken geteeld,
en ik zag een paar vrouwen bezig met de poppen aftehaspelen. Hoewel
de wind niet zoo gunstig was als gisteren, vorderden wij echter door
den snellen stroom al vrij spoedig, en hadden _Givors_ nog niet lang
achter den rug, toen wij _Vienne_, twee mijlen van daar gelegen, reeds
ontdekten; die stad ligt tegen en tusschen de bergen en doet zich,
van de rivier te zien, aangenaam op. Zij is zeer oud, uitgestrekt,
maar weinig bevolkt. 'Er is een fabriek van groote ijzeren en stalen
werktuigen. Men noemt deze stad _Vienne en Dauphiné_, of thans _dans
le Departement de l'Isère_, om dezelve van _Weenen_ in _Oostenrijk_
(_Vienne en Autriche_) te onderscheiden. Even buiten de stad aan den
kant van de rivier, staat een oude pyramide of naald, onder den naam
van _l'Eguille_ bekend; ik kon dezelve van de schuit duidelijk zien,
en vind daar van aangeteekend, dat zij op een vierkant gewelf staat,
ondersteund wordende door vier pilaren van 20 à 24 voeten hoog; de
naald zelve is bijna van dezelve hoogte. Hoewel 'er hoegenaamd geen
opschrift op staat, veronderstelt men, dat het de grafnaald is van den
een' of anderen _Romein_. Midden in de rivier, omtrent voor de stad,
zag ik ook de overblijfsels van een steenen brug. Omtrent een half
uur verder ziet men aan de linkerhand eenen geheel met wijngaarden
beplanten heuvel, het was den om zijn' lekkeren wijn vermaarde
_Côte Roti_. Niet ver van daar, aan de regterhand, ligt het steedje
_Condrieu_; hier moest men weder aanleggen om tol te betalen; want 'er
zijn verscheidene tollen op deze rivier; voor dezen was de vracht dan
ook goedkooper, naar onze schipper verhaalde, maar thans moet 'er te
veel af. Wij gingen ons hier weder een weinig vertreden. Verscheidene
vrouwen, die 'er alles behalve bevallig uitzagen, kwamen vruchten
en wijn te koop veilen. De wijn van _Condrieu_ is beroemd, vooral
de witte, wij kochten 'er dan ook van en betaalden 20 _sols_ de fles
[34]. Zij was zeer goed, en het speet ons naderhand, dat wij 'er niet
meêr voorraad van hadden opgedaan. Het stadje is aan den voet van
een' heuvel gelegen en ziet 'er nog al redelijk uit. Ook hier is het
grootste gedeelte van de ingezetenen schippers en schuitenmakers,
en vele tevens wijngaardeniers; want wijn is bijna het eenigste
voortbrengsel van dezen grond. De vader van den vermaarden Marschalk
de Villars, die den 6 Maart 1714 in naam van Lodewijk den XIV. den
vrede te _Rastad_ teekende, is hier geboren; ik vertel u dit, omdat
het eenige betrekking heeft tot onze Vaderlandsche Historie; maar
maak met meêr genoegen melding van een menschlievenden en weldadigen
Roomschen Priester, die hier in 1727 een Gasthuis stichtte. Het was te
wenschen dat het voorbeeld van dien goeden man door zijne ambtgenoten,
van welke Geloofsbelijdenis zij ook zijn mogen, wat meêr gevolgd wierd,
en deze Heeren zich niet alleen vergenoegden met de weldadigheid te
prediken, zoo als zij doorgaans gewoon zijn. Weder aan boord zijnde,
haalde ieder zijn' voorraad voor den dag, en men ging ontbijten;
ons gezelschap was nog al vrij wel, en bestond onder anderen uit een
jong militairen Chirurgijn, die een _Gasconjer_ was, en een soort
van Landjonker, die op een Landgoed in _Provence_, aan de grenzen
van _Italië_ woonde; beide deze lieden, vooral de Chirurgijn hadden,
hier meêr gereisd en nog al eenige kunde; 'er viel dan tusschen beide
ook nog al wat te praten, met kijken had ik inzonderheid veel te doen;
want de oevers van de _Rhone_ leveren doorgaans eene verscheidenheid
van aangename gezigten op. Wij zagen hier een slang, naar gissing
twee à drie voeten lang, digt voor de schuit heen, en zoo het scheen
dwarsover zwemmen, hij streek bijna over de oppervlaktes van het water
en was zeer vlug. Toen men met smaak een stuk uit de hand had gegeten,
merkte onze Chirurgijn aan, dat diergelijk koud en eenvoudig voedsel,
vooral vruchten, toch wel zeker gezonder is, dan zoo vele konstig
bereide en warme, of veel liever heete spijzen; dit betoogde hij
eenigzins op eene geneeskundige wijze, en ik was het volkomen met hem
eens; de landjonker, hoewel genoegzaam met ons van hetzelfde gevoelen,
zeide, dat hij veel met _Engelschen_ en _Amerikanen_ omgegaan hebbende,
de gewoonte aangenomen had, om 's morgens thee te drinken, en dat deze
drank alzoo voor hem eene volstrekte behoefte geworden was, doch dat
hij anders ook zeer vele vruchten at, en 'er zich zeer wel bij bevond;
hij verhaalde ons verder, dat hij een' kok gekend had, die bij een
voornaam man van zijn kennis te _Venetië_ woonde, en sedert verscheide
jaren, niettegenstaande hij dagelijks de keurigste spijze in overvloed
bereidde, genoegzaam niets anders nuttigde, dan vruchten, eenige rauwe
groentens, wortelen, brood, en voor allen drank koud water; dat deze
zonderlinge kok zich daarbij gezond en sterk bevond, daar hij voorheen,
eer hij die levenswijze had aangenomen, gedurig ongesteld en zwak was:
in het begin had hem dit wel eenige moeite gekost, doch hij had het
volgehouden; en eindelijk verkoos bij zijne vruchten en wortelen, uit
smaak, boven de uitgezochtste lekkernijën; een en andermaal had hij
zijn' Heer, die aan overdaad gewoon, en dus ongezond was, aangeraden,
om van levenswijze te veranderen, en zijn voorbeeld te volgen; deze
hier geen' zin in hebbende, en dus minder redelijk dan zijn kok, werd
die raad moede, en zeide hem eens, dat hij zijn handwerk weinig eer
aan deed; dat, indien men hem gehoor wilde geven, hij dan ook geen
kok meer van nooden had: geen zwarigheid, antwoordde deze, gij zult
gezond worden, en ik zal wel een' anderen dienst vinden.--Maar als
ieder uw voorbeeld, dat gij zegt zoo heilzaam te zijn, eens volgde:
was de tegenwerping; en de kok besloot met te zeggen, dat hij niet
geloofde, dat zulks althans gedurende zijn' leeftijd plaats zou hebben;
doch als het al eens gebeurde, dat dan de maatschappij zulk eene
groote verandering zou ondergaan, dat hij een zijns gelijken geene
moeite zouden hebben, om een stukje lands te vinden, daar zij het
weinige voedsel, dat zij noodig hadden, op telen konden [35].--Wat
zegt gij van dezen wijsgeerigen kok?--Ik heb wel Professorale lessen
gehoord of gelezen, die zoo goed niet waren. Al pratende kwamen
wij voor _Tournon_, een stadje in het Departement _de l' Ardèche_,
voorheen _Languedoc_; het is aardig gelegen aan den voet van een'
berg; 'er is een zeer groot gebouw, dat voorheen een kollegie was,
aan de Jesuiten behoorende, doch sedert de afschaffing van dezelve,
werd het door wereldlijke bestuurd, en thans is het een Kweekschool,
onder opzigt van het Gouvernement; het is aangenaam aan den oever
van de _Rhone_ gelegen. Over _Tournon_ aan den linker oever van de
rivier ligt een plaatsje, _Thain_ genaamd; van hetzelve valt niets
anders aanteteekenen, dan dat de beroemde hermitage-wijn digt daar
bij groeit. Men ziet door de wijnstokken, waarmede zij beplant is, den
geheel groenen heuvel van de rivier; deze heuvel is niet groot, doch al
de wijn, die in den omtrek groeit, noemt men even eens Hermitagewijn,
en deze wordt ook al duur verkocht; want het gaat hier mede zoo als
met mêer andere dingen; vele menschen die geene fijne kenners zijn,
houden zich te vreden met den blooten naam. Omstreeks _Thain_ plagt
ook een goudmijn te zijn, naar men verzekert; doch dezelve is thans
geheel verwaarloosd, het geen mij verwondert; want een goudmijn zou
thans in _Frankrijk_ wel te pas komen. Daar _Tournon_ en _Thain_ zoo
digt bij elkanderen liggen, vraagt men spottenderwijze, _"Combien y a
t'il depuis Thain à Tournon [36]?_" en volgens een slechte uitspraak,
"_Combien y a t'il depu Thain (putains) [37] à Tournon_. Men verhaalt,
dien aangaande een' aardigen kwinkslag. Ten tijde van Lodewijk den
XIV. bevond zich een man van _Tournon_, op reis met iemand, die tot
het hof van _Versailles_ behoorde; deze hoveling vroeg ook spottende
aan onzen man: "_Combien y a t'il depu Thain (putains) à Tournon?_"
en deze had de tegenwoordigheid van geest, om hem zonder bedenken
te antwoorden: "_Oh! ce n'est pas la peine d'en parler; mais dites
moi combien y a t'il bien de Maintenon (des Maintenons) à Versailles
[38]?_" Gij vat de kneep, en zult zekerlijk zoo wel als ik dien trek
van tegenwoordigheid van geest bewonderen. Vervolgens kregen wij
_Valence_ aan den linker oever van de rivier gelegen, in het gezigt,
gij zult uit de afbeelding zien, dat die stad niet onaardig gelegen
is; niet ver van deze stad, en eer men aan dezelve komt, werpt zich
de rivier _l'Isère_ in de _Rhone_. Onze reisgenoot de Chirurgijn
herinnerde ons, dat het hart van den laatst overledenen Paus in de
Kerk van _Valence_, in een looden kistje bewaard werd. Hij zelve had
het niet lang geleden gezien, daar wij hier toch aan moesten leggen,
en dat al weder om tol te betalen, besloten wij, om de stad eens in te
gaan, en aldaar de Pausselijke overblijfsels te gaan bezigtigen. Het
was even na den middag, en brandend heet, zoo dat deze bedevaart ons
een zweetje koste; op verscheide plaatsen in de straten, waren echter
nog al zeilen van het eene huis tot het andere uitgespannen om schaduw
te geven. Wij zagen in de Hoofdkerk, in een Kapel, die geschilderd
was met een' zwarten grond, waarop hier en daar doodshoofden en
Pausselijke versierselen, op een soort van klein altaartje, het
geen midden in dezelve stond, een houten doos of kistje, en hier in
was het looden, dat het hart en de ingewanden van den Paus bevatte;
dit kistje was overdekt met een kleed van violetkleur fluweel met
gouden franjes, en waarop de Pausselijke muts en sleutels met goud
geborduurd waren; een soort van lijklamp hing 'er boven, en werd,
naar men mij verzekerde, altijd brandende gehouden. Deze Kapel is
met een ijzer hek gesloten, en boven hetzelve leest men: "_Ici sont
deposés le coeur et les entrailles de_ Pie VI." Die Paus is in deze
stad, om den oorlog of de gevolgen van dien _Rome_ ontweken zijnde,
hier staatsgevangen gehouden en gestorven. Zijn ligchaam is naar
_Rome_ gevoerd; doch op aanzoek van Bonaparte, zoo men zegt, zijn
zijne ingewanden hier wederom terug gebragt, en men wil, dat 'er een
graftombe zal opgerigt worden, om dezelve in te bewaren. Aan of in de
Kerk, die een donker en slordig voorkomen heeft, is voor het overige
niets bijzonders te zien. Ook zag ik niets aanmerkelijks in de stad,
het is de hoofdplaats van het Departement _la Drome_, voorheen _du
Valentinois en Dauphiné_. Het verblijf van de Prefecture, en een
_Tribunal de première instance_, is zeer oud en met muren omringd;
de omstreken schenen mij toe nog al aangenaam te zijn. _Valence_ is
door een heuvel, in de gedaante van een halven cirkel, natuurlijk
beschut, en dat op eene wijze, als of het door kunst gemaakt was:
men vindt hier omstreeks goede en zuivere bronnen; de zijdeteelt is
ook een voorname tak van bestaan van de inwoonders. Voorheen was 'er
een Universiteit, die verscheide voorname Rechtsgeleerden opgeleverd
heeft. Het bijgaand fraai gezigtje zal u een denkbeeld geven van de
ligging dier stad. Omtrent drie mijlen onder dezelve, valt de rivier
_le Drome_ in de _Rhone_: deze laatstgenoemde rivier is hier al vrij
breed, en wij werden reeds van verre door het hevig gedruisch van het
water den snellen stroom gewaar. De rivier geleek hier op sommige
plaatsen naar eene hevig ziedende pot: sommigen van ons gezelschap
begonnen dan ook zeer bevreesd te worden, doch onze schipper, die
mij toescheen een nuchter en bekwaam man te zijn, verzekerde, dat
hij het gevaar wel zou weten te vermijden; zoo dat men niet ongerust
behoefde te zijn; wij kwamen 'er dan ook zonder eenig letsel over;
maar werden door de golven ter deeg geschommeld. De groote toevloed
van water, vooral thans, na eene zoo sterken en aanhoudenden regen,
en eenige rotsen of klippen in de rivier, en onder het water staande,
veroorzaken deze geweldige bruisching. Het was omtrent zeven uren
des avonds, toen wij _Ancone_, een dorpje aan de linker oever van de
_Rhone_ naderden: Onze schipper (_patron_) zeide, dat wij daar een
redelijk goede herberg zouden vinden, en dat het dus raadzaam was, om
'er te blijven overnachten. Het voorstel werd algemeen aangenomen; maar
de herberg, die men ons aanwees, zag 'er in 't geheel niet breed uit,
en wij dachten, dat, zoo wij 'er al konden slapen, het niet anders dan
op stroo zou zijn. Ook hier werd het spreekwoord, dat schijn dikwijls
bedriegt, bewaarheid, en wij stonden niet weinig verwonderd, toen men
ons langs een' grooten trap en langen gang verscheide redelijk goede
kamers aanwees, en 'er was voor ieder een bed; dit viel dan niet weinig
mede. Wij stelden nu verder onzen landjonker tot Hofmeester aan, om het
avondmaal enz. te bestellen, te meer, omdat hij zeer goed _patois_, het
geen de landtaal is, sprak, en ik ging met den Chirurgijn landwaards
in, naar den kant van _Montelimart_, dat maar een half uurtje van hier
gelegen is. Wij zagen het liggen, doch vonden het te laat, om 'er naar
toe te gaan, wijl de afspraak was, dat wij vroeg zouden eten en naar
bed gaan: om den volgenden morgen weder vroeg in de kleêren te zijn. Te
_Montelimart_ zijn veel Protestanten; de inwoners waren van de eerste,
die de hervorming van Calvin aannamen; het is nog al redelijk bevolkt,
en vrij welvarende, omdat de groote weg van _Lyon_ naar _Marseille_
en _Italië_ 'er doorloopt, en de landstreek vruchtbaar is; wij zagen
dan hier ook fraaije boeren-hoeven; de landlieden waren grootendeels
bezig met hun koren door muilezels te laten treden, (_fouler_), zoo
als bij ons de vlasballen worden gedaan. Het zag 'er, niettegenstaande
het ongunstig weder, vrij wel uit. Behalve eenige andere vruchtbomen,
waren de meesten, die ik hier zag, moerbeziën; want de zijdeteelt is
ook hier omstreeks een voornaam bedrijf, en heeft waarschijnlijk aan
dezen kant zijn oorsprong in _Frankrijk_ genomen. De natuurkundige de
Faujas [39], zegt in een' zekeren brief: dat de eerste moerbezieboom
in _Frankrijk_ gebragt werd, ten tijde van de laatste Kruisvaart door
eene Gui-Pape-Saint Auban, een mijl van _Montelimart_. Dat deze oude
moerbezieboom nog bestaat, en dat de Heer de Latour Du Pui-la Chaux,
dit gedenkteeken van den landbouw had doen in waarde houden, door
'er een muur om te bouwen, en te verbieden, dat men 'er de bladeren
van plukte. De afstammelingen van dezen ouden boom, bedekken thans
een goed gedeelte van den _Franschen_ grond, en brengen aan den staat
een inkomen op van verscheiden millioenen. Dit een en ander had ik
voor mijn vertrek van _Parijs_, uit een der dagbladen, opgeteekend;
hopende gelegenheid te zullen hebben, om dien merkwaardigen boom te
zullen zien, doch nu was het te ver; daarbij wisten de lieden alhier,
mij 'er geen genoegzaam narigt van te geven; ik zou dan eerst naar
_Montelimart_ hebben moeten gaan, om 'er na te onderzoeken, en dit
zou te veel tijd gevorderd hebben: dus zag ik, hoewel niet zonder
leedwezen, van dit ontwerp af.
In 1762 vonden eenige arbeiders, omstreeks dit dorp _Ancone_, in een
tuin gravende, een groote Lijkbus (_urne_), waar een lijk in was,
hebbende op het hoofd eene gouden kroon, en aan een oor een ring van
hetzelfde metaal. Meêr vond ik hier niet van aangeteekend, en sommige
inwoners, die ik 'er hier na vroeg, konden 'er mij ook niets naders
van zeggen.
't Was een warme dag geweest, de avondstond was regt koel en
verkwikkende. Om hier wel genot van te hebben, ging ik eenzaam op de
vlakke oevers van de _Rhone_, die men hier heeft, even als bij ons
aan zee, wandelen. De bergen en rotsen aan den overkant, en boven
en beneden dezelve, maakten eene majestueuse vertoning; zekerlijk,
dacht ik, hebben sommige hunner voorheen stroomen vuurs en lava
uitgebraakt, terwijl men de sporen daarvan nog in deze landstreek
vind. Deze landstreek, te weten aan den overkant van de _Rhone_,
bekend onder den naam van _le Vivarais_, en thans behoorende tot het
Departement _de l'Ardeche_, werd oudtijds bewoond door de _Helvianen_,
die op het eind van de vijfde Eeuw, of het begin van de zesde,
door Sigismundus, Koning der _Bourguignons_, overwonnen werden. De
avond begon meêr en meêr te vallen, de horens van de beesten-hoeders,
die zich in de bergen deden hooren, en tegen de rotsen weêrgalmden,
verwijderden zich al verder en verder, eindelijk hoorde ik niets
meêr, dan het geruisch der rivier, en het gekraak der keisteentjes,
waarover ik liep, en waar deze oever als mede bezaaid is. Het werd
tijd, en ik begaf mij naar de herberg; daar zag ik met genoegen, dat
de tafel voor de deur, en alzoo niet ver van dien aangenamen oever
van de _Rhone_ gedekt was. 'Er was schier geen zuchtje aan de lucht,
zoodat de kaarsen, die men op tafel zette, zonder moeite aanbleven, en
het eten was goed, en smaakte, omdat wij honger hadden, uitmuntend. Wij
deden dan een regt aangenamen landelijken maaltijd; het oud moedertje
van den huize ziende, dat wij wel over haar te vreden waren, kwam
ook bij ons zitten snappen, en scheen zeer opgeruimd. Hadden wij den
volgenden morgen niet vroegtijdig op reis gemoeten, ik had hier zoo
spoedig niet van daan gekomen, doch nu was slapen de boodschap.
Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier
vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de
gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wij _Viviers_ hoofdplaats
van _le Vivarais_, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije
teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde
uitteekenen, zou 'er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit
stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever
van de _Rhone_ gebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die
boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te
zijn. Voor de omwenteling was _Viviers_ een Bisdom, en de Bisschop
voerde den titel van _Comte de Viviers_. Beneden aan den oever van
de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men
zegt dat het zoo veel vensters heeft, als 'er dagen in het jaar zijn;
nu 'er waren 'er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot een
_Seminarium_. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de
schipper _le Chateau de Roche-mollet_ noemde, meêr wist men 'er mij
niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig
met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wij _le Bourg
St. Andeol_, voorheen het verblijf van den Bisschop van _Viviers_, en
waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet 'er nog al wel uit, en is
aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten 'er een oogenblik
aan wal, en kochten 'er wat provisie; want het water geeft eetlust,
en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens,
dat wij onder die vreesselijk vermaarde _Pont-Saint Esprit_, waar
van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen. 'Er wierd raad
gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug
aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste,
als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje
wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om 'er in te blijven, doch
voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot,
die 'er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok
uit, om daar door, in geval 'er een ongeluk plaats mogt hebben, niet
belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons,
dat 'er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder
eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten
een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als
een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen,
en wandelden langs een' aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen,
wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag,
tot het stadje _Saint Esprit_. Het zal waarschijnlijk een sterkte
geweest zijn, en heeft een _citadel_ en _bastions_, maar heeft voor
het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van de
_Rhone_ gelegen, en behoort thans tot het Departement _du Gard_. Wij
zagen 'er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten,
die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming
van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer
onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezond werk is, dat ik
zeer wel gelooven wil. Nogthans waren 'er onder die werklieden,
eenige meisjes die 'er wij wel uitzagen; maar misschien hadden
zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens
gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk
werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn;
zij is, volgens de beschrijving, 420 _toises_ lang, en 2 _toises_,
4 voeten, en 4 duimen breed [40]. Zij werd begonnen in 1265, en in
1309 voltooid, men werkte 'er dus 44 jaren aan.--En hoe, denkt gij
dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje
gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd,
om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te
bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een'
schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse
eene brug te bouwen; weldra kwam 'er een ruime toevloed van offeranden
en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje
om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had
de onvoorzigtigheid gehad, van 'er hem niet in te kennen: doch men
herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten
steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking. Een groot
gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier
uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond 'er een reden, waarom men
ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft;
want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat
gekomen, om 'er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons
reeds lang aan den anderen kant. 't Is zeer duidelijk te zien, dat de
stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke
het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers
niet onhandig zijn zie ik 'er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks
aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen
doorluchtig zijn als of 'er vensters in zijn. Ter instandhouding van
dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de
zware vragtkarren of rijtuigen, mogen 'er niet willekeurig overrijden,
en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt,
in een soort van houten laden (_sabots_) gezet, en de karren 'er zoo
zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog
eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar
ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen,
niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even
als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan
van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten,
en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven
aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig. _Orange_
zagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de
overblijfsels der _Romeinsche_ oudheden, die deze stad nog bezit, niet
kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus
wat te ver om 'er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm,
en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders
voerden den naam van Prinsen van _Oranje_, naar het Prinsdom, of
liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.--Wat
heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot
verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het
stadje _Caderousse_ aan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt
'er een eiland in de _Rhone_, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk
wees men ons de oude Pausselijke stad _Avignon_, die door zijne
aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots,
waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en
aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt,
ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk
is, de _Rhone_ maakt daar twee armen en vereenigt zich weder bij
_Avignon_. Het was omtrent twaalf uren 's middags, toen wij hier
aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat
wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik 'er af,) een' weg
afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was 'er dan ook bijzonder over te
vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk
wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk
aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30 _sols_ drinkgeld,
en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier
verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet
weder terug keeren naar _Lyon_, zijne woonplaats.
Dezen langen _epistel_ hebt gij wederom aan het slechte weder te
danken; want naauwelijks waren wij in ons Logement of werden door
een geduchte donder- en regenbui, even eens als _Lyon_, verwelkomd:
thans (om elf uren 's nachts) houdt dezelve nog aan.