ZESDE BRIEF.

_Lyon_, 1 _Augustus_.

Toen ik gisteren een' brief aan u afzond, was mijn oogmerk niet om

u van hier meêr te schrijven, doch de aanhoudende en zware regen

noodzaakt mij weder, om t'huis te blijven, en wat heb ik dan beter

te doen, dan mij met u te onderhouden.

Den 26 Julij bezocht ik het groote Gasthuis, waar ik reeds melding

van maakte. Men wil, dat hetzelve door Koning Childebert, omtrent

de helft van de 6de Eeuw, gesticht is. Het nieuwe gebouw is naar

de teekening van den Bouwmeester Soufflot, 30 à 35 jaren geleden,

gemaakt. Wij vonden een man aan den ingang, die zich aanbood om ons

rond te leiden, en bezochten het gansche gebouw, dat zeer groot is,

van onderen tot boven, beginnende met de Apotheek, de Regenten-Kamers,

de onderscheidene Zalen der zieken, het Linnen-Magazijn, tot op

de kleêrzolder toe. Overal vonden wij Gasthuis-Nonnen of Zusters,

bezig met de zieken op te passen, de geneesmiddelen, onder opzigt

van den Apotheker echter, te bereiden, het linnengoed te herstellen

en te bezorgen enz. Ieder heeft zijn werk, zelfs in de kamer, waar

de Ontleedkundige Operatien geschieden, vonden wij eene Non, die

een zeer geschikt en gnap mensch scheen; zij toonde ons een menigte

ontleedkundige werktuigen, onder anderen een tafel met deszelfs

toebehooren, waarop het steensnijden en diergelijke verschrikkelijke

kunstbewerkingen geschieden. De post van dit goede mensch was,

om diergelijke lijders te helpen en te ondersteunen, de werktuigen

rein te houden, voor het geen tot de verbinding noodig is te zorgen

enz. Mijne verwondering betuigende over den moed, dien zij bezat,

om deze ellende aanhoudend bij te wonen, antwoordde zij, dat men

aanvankelijk zeer veel lijdt, doch dat bezef van pligt en de gewoonte

haar die taak thans dragelijk maakten. Ik onderhield mij met haar over

meêr andere dingen, deze inrigting betreffende, en zij beantwoordde

alle mijne vragen op eene vriendelijke en voldoende wijze. De fraaije

zalen, waar de zieken (thans waren 'er over de 1000) liggen, of hun

verblijf houden, zijn ruim en luchtig; uit die langs den waterkant,

waar van gij de vengsters op de afteekening ziet, heeft men een zeer

aangenaam gezigt. De trotsche en ook van binnen schoon gewerkte koepel,

behoort tot de groote zaal; onder dezelve staat een fraai en tevens

eenvoudig altaar op een verheven voetstuk, zoo dat de zieken uit

hunne bedden, die van ijzer zijn, om 'er het ongedierte uittehouden,

en welke aan rijen staan, hetzelve kunnen zien; dagelijks wordt hier

de mis gelezen. In deze zaal zag ik ook aan het gewelf eene opgevulde

krokodil hangen; onze geleider verzekerde, dat dit dier lange jaren

geleden, in de _Rhone_, digt bij de steenen brug gevangen werd, en

wel door een persoon, die ter dood veroordeeld was, en om deze daad

vergiffenis bekomen had. Het dier had al veel vee en zelfs kinderen

verslonden. Dit vertelsel schijnt hier onder het volk vrij algemeen

geloofd te worden; doch wij weten, dat dit in 't geheel geen bewijs

is van echtheid. Beneden is ook een plaats, waar eenige zinneloozen

bewaard worden; onze geleider wilde ons dezelve doen zien, doch de

Non, die daar op paste, weigerde het; en ik vond, dat zij gelijk had;

men moet die ongelukkigen, die veeltijds aanleiding tot spotternij

geven, niet aan de algemeene nieuwsgierigheid blootstellen. In een

gang vond ik op verscheidene tafelen, die daar tegen den muur waren

gesteld, de namen van de personen, die aanzienelijke geschenken aan

dit gebouw hebben gegeven.--Was hoogmoed of menschlievendheid de

beweegoorzaak van deze geschenken?--misschien beiden.--Hoe het zij,

zij hebben welgedaan, en wij moeten diergelijke daden dan ook zoo

naauw niet uitpluizen. In de keuken waren verscheidene Nonnen ook drok

aan het werk; hare spijszaal is hier naast; zij eten gezonde kost,

en moeten braaf werken, ook zien zij 'er, niettegenstaande haren

aanhoudenden omgang met zieken, over het algemeen, gezond uit. Ik zag

'er, die mooi waren, onder anderen eene, die bezig was met eene bleke

en uitgeteerde zieke te helpen; deze was nog jong en inderdaad schoon;

dit leverde eene zonderlinge tegenstrijdigheid op. In 't geheel zijn

'er in dit huis 150 zulke Nonnen, zij zijn in 't zwart gekleed,

en hebben witte Nonnenkappen op; doch zij doen geen geloften, waar

door zij voor altijd verbonden zijn; en wanneer de liefde bij de

barmhartigheid komt, kunnen zij zich in het huwelijk begeven. Deze

Nonnen of Zusters bewijzen alzoo de Maatschappij een wezenlijken

dienst, en men kan haar dus niet anders dan als achtingwaardige leden

van dezelve beschouwen. Bij het uitgaan gaven wij wat voor het huis,

een Non ontving het op een zilveren schotel. Dit herinnerde mij aan de

zilvere schalen, waarin men in vele _Hollandsche_ steden de aalmoezen

opzamelt; het was gevoegelijker, dunkt mij, dat men daar een houten bak

toe gebruikte. De Kerk van dit Gasthuis is fraai en net; ook schijnt

'er over het geheel een goed bestuur plaats te hebben; alles is

zindelijk en wel onderhouden; maar het geen mij niet beviel, was dat

'er slechts een plaats en geen tuin bij is, dat 'er een vleeschhal en

slagterij is, onder den eenen vleugel, namenlijk een der stads hallen

en slagterijen, het geen stank veroorzaakt; dat de zieken in algemeene

zalen en niet meer afzonderlijk liggen, en eindelijk dat het gebouw te

prachtig is voor een Gasthuis. Ik had liever een eenvoudiger huis op

het land gehad, en de kosten die daar door uitgespaard werden, besteed

om de zieken door tuinen, afzonderlijke kamers enz. het verblijf der

ellende, zoo min mogelijk, onaangenaam te maken. Behalve dit Gasthuis,

is 'er nog een ander nuttig gesticht in deze stad, dat _la Charité_

genaamd wordt, mede aan de _Rhone_ verder op, voorbij de steenen

brug gelegen. Het is zeer groot, en vereenigt in zich een Weeshuis,

oude Mannen- en Vrouwen-huis enz. In de Kerk, die zeer net is,

ziet men eenige graftombes van de stigters of bestuurders van dit

uitgestrekt gebouw. De toren van die Kerk wordt door bouwkundigen,

als een konststuk bewonderd. Diergelijke gestichten zijn in een stad,

als _Lyon_, inzonderheid noodzakelijk, om het groot aantal werklieden

in zijden stoffen en diergelijke Fabrieken, welker getal voor de

omwenteling op omtrent 30,000 begroot werd. De bevolking der gantsche

stad schatte men toen op 120,000.

Na den middag deed ik eene wandeling door de stad, en ging 's avonds

in de Schouwspelzaal, op de plaats _des Celestins_, _Théatre des

Varietés_; de zaal en _decoratien_ zijn niet onaardig; doch het overige

beteekende niet veel; men gaf 'er de eerste vertooning van _le petit

Poucet_ (klein duimpje), dat men te _Parijs_ op een van de Theaters

van de _Boulevards_ ook vertoont [28]. Het was 'er zeer vol; in het

_Parterre_, waar men altijd staat, betaalt men maar elf stuivers.

Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den Berg

_St. Just_, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een

der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat,

_l'Hospice de l'Antiquaille_, zoo als men ook boven den ingang leest

[29], genaamd wordt. Sommige _Romeinsche_ Keizers bewoonden het Paleis,

dat hier stond, als zij te _Lyon_ waren, en hunne Gouverneurs hielden

'er hun verblijf. Men gelooft algemeen dat Lucius Munatius Plancus,

die Consul was gelijktijdig met Æmilius Lepidus en een der Luitenants

of Stedehouders van Cæsar, de stichter is van _Lyon_; het jaar

van _Rome_ 712, en dus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke

Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen;

naauwelijks was 'er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde

in eenen nacht af, en werd door Nero weder opgebouwd. Men ziet in

het _Hospice de l'Antiquaille_ eenige oude opschriften, en in een

onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin

men verzekert, dat St. Photin, die met Irenéus hier het Christelijk

geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest

dan ook boven die nis: St. Photin _a fini son martyre dans ce lieu,

agé de 90 ans sous l'Empereur_ Marc Aurelle 179. Deeze St. Photin,

zegt men, dat de eerste Bisschop van _Lyon_ was; 47 andere werden,

volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de

steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest

zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden,

gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van

ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der

kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst

gezigt. Van daar werd het _Panorama_ van _Lyon_ geteekend. Men

ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, de _Saone_,

de _Rhone_ en over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, de

_Alpen_, de _Mont-Blanc_, de top van de _Mont St. Bernard_ enz. Het

was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient

het gebouw, dat vrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden,

bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van

het zoogenaamde gemeene volk behooren, want _galante Dames du bon

ton_ zet men 'er niet. Men bewaart 'er ook eenige zinnelozen. 'Er is

een Kerk bij, en hier staat een' offerbus, waar men wat in steekt,

ter eere van St. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver

van hier, omtrent voor het voormalig Klooster der _Minimen_, is eene

plaats, die men de plaats der martelaren (_la place des Martyrs_)

noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest

zijn. Men toont 'er ook nog een' grooten steen, zonder eenig opschrift

echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een

achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het

blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen,

vooral onder Septimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest

is. Achter dit gewezen _Minime_-Klooster, ziet men nog de geringe

overblijfsels van een' _Romeinschen_ Schouwburg. Tot de trotsche

gebouwen, die de _Romeinen_ hier gesticht hebben, behooren ook de

kostbare steenen waterleidingen (_aquaducs_), die eene uitgestrektheid

van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet

men 'er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen

(_reservoirs_) waar dit water verzameld werd in een wijngaard,

voorheen behoord hebbende aan het Klooster der _Urselinen_. Het is

een diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door

middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim,

en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede

gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om 'er

stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan,

waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het

metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt

is geweest; maar dat het gewelf 'er naderhand is opgemaakt. Deze

kelder is hier bekend onder den naam van _les bains des Empereurs_,

of _les bains des Romains_. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelve

_la grotte Berelle_. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven,

aan iemand, die 'er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost

neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en

men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin,

ziet men een kelder veel minder diep dan _la grotte Berelle_; zo dat

men 'er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met

kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid

(_en Mosaïque_). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van de

_Romeinen_, doch ik zag 'er twee gedaantens in, die veel overeenkomst

hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond

'er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in

de oudheden dan ik, mogen beslissen wat het is [30]. Ik zag hier ook

eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd

was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks

hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken,

behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw van

_Fourvières_, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door

hare menigvuldige _ex voto's_, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar

beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte

van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende

'er haar rekening bij te vinden, door 'er missen te laten lezen,

enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier

over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje

van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden,

en veel uitgestrekter nog, dan uit _l'Hospice de l'Antiquaille_. Men

ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en

derzelver omstreken, de loop van de _Rhone_ en de _Saone_ en hunne

vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich, duidelijk zag

ik de witte toppen der _Alpen_, en kon mij naauwelijks van zien

verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote

menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende

mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in

nood zijnde, 't zij door ziekte, schipbreuk, in 't water liggende

of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was

'er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen

was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een

strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen [31]. De

rest is niet waard, dat men zich 'er zich een oogenblik om ophoudt,

wanneer men niet tot de geloovigen behoort.

Na den middag wandelde ik langs de _Quai du Rhone_; 'er was veel

volk op die wandeling, maar ik zag weinig schoone vrouwen onder

de zoogenaamde fatsoenelijke lieden, die zich hier, even als in

de _Tuillerien_ te _Parijs_, laten kijken. Onder de klasse, die men

gemeene lieden noemt, ziet men hier een aantal kreupelen en mismaakten;

dit vindt men doorgaans in plaatsen, waar vele weverijen en spinnerijen

zijn. Buiten de _Barrière_ langs de _Rhone_, naar den kant, daar zij

van daan komt, is ook een aangename wandeling. Van sommige huizen,

die hier tegen de bergen staan, gaat men uit een van de dakvengsters

in den tuin.

In deze stad zijn, even eens als in _Brabant_ en _Vlaanderen_, veel

Bierhuizen, en het is 'er 's avonds vol volk. Het bier van _Lyon_

is beroemd, naar mijn' smaak is het te sterk gehopt.

Den 28 Julij regende het zoo sterk, dat ik weinig kon wandelen; de twee

rivieren waren dezen nacht aanmerkelijk gewassen, en de stroom van

de _Rhone_ was ongemeen snel. Die rivier maakt door de sterke drift

en de rotsen, welke onder water staan, hier en daar eene soort van

draaikolkjes. Het water dezer twee rivieren is, tegenwoordig vooral,

zeer onderscheiden van kleur; dat van de _Rhone_ is geelachtig grijs,

en dat van de _Saone_ is groenachtig.

De gewone schuit van hier naar _Avignon_ (_Coche d'Eau_) meende men dan

ook, dat morgen niet zou kunnen varen, want men hield de vaart op de

_Rhone_ thans voor min of meer gevaarlijk. Een slecht vooruitzigt voor

ons, die met dat vaartuig binnen eenige dagen dachten te vertrekken.

Tegen den middag hield het een weinig op met regenen, en ik ging

wandelen. _La place des Terreaux_ is een fraai vierkant plein; op

dezelve staat het Stadhuis, de voormalige Abdij van St. Pieter, en

aan den anderen kant over dezelve, verscheidene fraaije Koffijhuizen;

men vindt daar allerlei ververschingen voor een redelijken prijs;

het ijs (_les glaces_) is 'er zeer goed, en veel goedkooper dan te

_Parijs_. De levensmiddelen schijnen hier over het algemeen niet

duur te zijn; het vleesch is 'er goed, men heeft 'er overvloed

van groentens; de riviervisch schijnt 'er ook niet schaars; en de

Spekslagerswaren, vooral de worsten (_les saucissons_) van _Lyon_,

zijn beroemd.--_Zwitsersch_ en _Geneefsch_ geld is hier ook gangbaar.

Het Stadhuis is een fraai gebouw; die van _Lyon_ houden het voor een

van de schoonste Stadhuizen van _Europa_, maar het lijkt nietmetal

naar dat van _Amsterdam_; in den gevel (_la facade_) van hetzelve,

ziet men nog de beelden der Vrijheid en Gelijkheid. In het portaal

zijn twee fraaije liggende metalen beelden, meêr dan levensgrootte;

het eene een man en het andere een vrouw, verbeeldende de _Rhone_ en de

_Saone_. Voor de omwenteling stonden zij op de plaats _Belle-cour_. In

dit portaal, waar men ze aan beide kanten geplaatst heeft, zijn zij

veel te groot; Coustou is 'er de maker van. De oude metalen tafel,

waar op de aanspraak gegraveerd was, die de Keizer Claudius toen

hij nog _Censor_ was aan den Senaat van _Rome_ ten voordeele van die

van _Lyon_ deed, en die men ook voor de omwenteling in dit voorhuis

zag, is eenigen tijd na dezelve, toen het geschut voor het Stadhuis

geplant was en 'er verscheidene kogels in geschoten werden, genoegzaam

geheel vernield; en men ziet die thans niet meêr. De _Lyonnezen_

betreuren zeer het gemis van die tafel, en in der daad het was een zeer

merkwaardig stuk. De groote zaal boven dat portaal, brandde omtrent

twee jaren geleden, bij gelegentheid eener Illuminatie, geheel uit.

De voormalige Abdij van _St. Pieter_ is een groot en trotsch gebouw,

hebbende eene groote plaats in het midden en rondom dezelve, op de

eerste verdieping eene fraaije galerij. Thans schijnen de vertrekken

aan bijzondere personen verhuurd te worden; eene zeer ruime zaal

beneden, en die ik meen dat voorheen voor een spijszaal diende,

wordt thans door de Kooplieden en Fabrikeurs tot een beurs gebruikt;

men ziet rondom in dezelve eenig pleister-beeldwerk _en bas-relief_.

Deze plaats _des Terreaux_ was ook de martelplaats van eene menigte

Protestanten omtrent het midden van de 16de eeuw; onder anderen werd

hier eene ruim bemiddelde jonge dochter de Cagnon genaamd verbrand;

zij was gewoon, om de armen van _Lyon_, hoewel grootendeels van haar

in godsdienstige gevoelens verschillende, rijkelijk te bedeelen;

deze riepen weenende, toen men hunne weldoenster naar den brandstapel

sleepte. "Helaas! wij zullen geen aalmoezen meer van u ontvangen;"

waarop de ongelukkige de Cagnon de fluweelen muilen, die men haar

nog gelaten had, van hare voeten nam, en die den armen toewierp,

zeggende: "Ja, gij zult 'er nog ontvangen;" en men had geen moeds

genoeg om deze ongelukkige aan de klaauwen van hare beulen te

ontrukken.--Christenen, of liever zij, die 'er den naam van droegen,

die hier zelve verscheidene eeuwen geleden door de _Romeinen_ zoo wreed

vervolgd waren geweest, en deze vervolging met regt als een gruweldaad

beschouwden, deze zeg ik, vervolgden en martelden hier thans hunne

Medeburgers en Medechristenen. _Lyon_ was ook een der voornaamste

steden in het navolgen van den afgrijsselijken _St. Bartelmoord_. De

slagting was hier toen ook allerverschrikkelijkst, zoo als gij weet;

maar gij weet misschien niet, dat de scherprechter deugd en moed genoeg

bezat om de uitvoering van de bevelen der drie voorname hoofden van

het _Lyonsche_ moordrot, te weigeren, zeggende: "Mijn ongelukkige post

veroordeelt mij, om het werktuig van het geregt te zijn, maar niet dat

van moordenaars."--Thans, daar de rede en verlichting eenigzins over

het bijgeloof zegepraalt, behoorde men dien scherprechter, hoe zeer

zijn naam misschien reeds in vergetelheid is geraakt, een Gedenkteeken

op te rigten, en de koninklijke en geestelijke monsters, aanstookers,

of uitvoerders van dien moord, in de verachtelijkste houding aan

zijne voeten te plaatsen. Met genoegen vindt men ook aangeteekend,

dat de krijgsbende, toen ter tijd in de Citadel van _Lyon_ liggende,

weigerde om in de gruwelen te deelen, en dat zelfs bijna het geheele

volk die met verontwaardiging afkeurde, zoo dat zonder eene bende

stadssoldaten, die slecht genoeg waren om zich voor veel geld te

laten omkoopen, de Protestanten misschien behouden zouden zijn geweest.

Den 29 Julij, alweder aanhoudende regen--met smart zag ik in de

nieuwspapieren, dat het rijpe koorn begon te schieten, en niet kon

ingehaald worden; de druiven meende men, dat door dit koude en natte

weder ook veel zouden lijden. Het was Zondag, ik ging dan eenige

Kerken zien; na de omwenteling zijn 'er hier ook verscheide, zoo wel

als Kloosters, gesloopt; uit andere, die men toen voor magazijnen

enz. gebruikte, zijn de sieraden weg genomen, doch die, welke voorheen

aan de Jesuiten behoorde, en een zeer fraai en prachtig gebouw is,

heeft men onder anderen laten staan. Deze Kerk is van binnen met

marmer van onderscheide kleuren rijkelijk versierd, en verdient wel

gezien te worden: de aanzienelijke boekerij voorheen aan dit Kollegie

behoord hebbende, is achter deze Kerk in eene schoone zaal, langs

de kaai van de _Rhone_; thans behoort zij aan de stad, en dient tot

algemeen gebruik. Van hier ging ik naar de Kerk van de voormalige Abdij

_d'Ainai_ of _St. Martin d'Ainai_, en zag daar vier zware kolommen

van Granit van een donker grijze kleur; thans dienen zij om een

gedeelte van dit gebouw te onderschragen. Voorheen, maakte de vier

'er maar twee uit, en behoorden toen tot den Tempel van Augustus,

die niet ver van hier op de punt van het schiereiland, waar een groot

deel van _Lyon_ op gebouwd is, moet gestaan hebben, zij bereikten toen

eene aanmerkelijke hoogte, en men heeft de barbaarschheid gehad, van

die schoone en kostbare stukken door te zagen, om ze in deze Kerk te

gebruiken; het is duidelijk te zien aan de einden van twee dezer halve

kolommen, waarmede men die op de voetstukken geplaatst heeft, dat het

de bovenste helften zijn der anderen. Aan beide zijden van het groot

Altaar op de grafzerken, zag ik ook nog overblijfzels van _Mosaïken_,

in den smaak van die, welke ik op den berg van _St. Just_ gezien had:

men verhaalde mij, dat deze behoord hadden tot de Graftombe van Paus

Paschal den II. Het was deze Paus, die den zoon van Keizer Hendrik den

IV. gebood om het lijk van zijn vader optegraven, en het op het veld

te werpen, om 'er vijf jaren onbegraven te blijven liggen. Dat een

Paus deze afschuwelijke daad bevolen heeft, is niet te verwonderen;

maar dat de zoon gehoorzaamde--welk een gruwel!!--Paschal, die men wil,

dat deze Kerk gewijd heeft, stierf in 1117. Men liet mij ook in het

Sacristy een' kelder zien, waarin een heilige zou gemarteld geweest

zijn: de Kosterin, die de vriendelijkheid had, van mij dit alles te

laten zien, scheen een goed snapachtig wijf, en hield mij voor zeer

geloovig; waarschijnelijk, omdat ik haar met eenige belangneming het

een en ander ondervroeg. Zij vertelde mij dan verscheide sprookjes van

wonderwerken, die ook, gedurende de belegering, zouden voorgevallen

zijn: onder anderen, dat zij een lieve vrouwebeeldje te dier tijd in

een houten toren verborgen had, en deze toren was, niettegenstaande

de kogels en bommen 'er rondom vlogen, onbeschadigd gebleven. Zij

schimpte en schrolde ook dapper op de Jakobijnen en de Filosofen,

zoo wel als op den nieuwen Keizer. De _Lyonnezen_ zijn grootendeels

Konings of liever Bourbons gezind, gelijk zij in het begin van de

omwenteling, helaas! maar al te duidelijk getoond hebben, en als een

gevolg hier van ook zeer gehecht aan de Kerk, zoo als die voorheen

bestond; alle de onlangs gemaakte veranderingen, beschouwen zij dan

natuurlijkerwijze als onwettig, en de Paus door de omstandigheden

genoodzaakt, om 'er in toetestemmen. De reden der bijzondere

gehechtheid dezer stad aan het Hof, de Adel en de Geestelijken,

schrijft men voornamelijk toe aan het belang, dat zij had, bij het in

stand houden der pracht, weelde en verkwisting. Aan wie toch zouden zij

hunne kostbare _Lyonse_ stoffen, borduurselen en diergelijke verkocht

hebben, als de eerste grondbeginselen van de omwenteling stand hadden

gehouden.--Nu daaromtrent valt het hun tegenwoordig dan ook nog al in

de hand. Zonderling is het intusschen, dat de bewoners van de oude stad

op den berg van _St. Just_ en _Fourviéres_ meestal Republikeinen waren,

hoewel grootendeels werklieden tot de Fabrieken behoorende. Zou het

niet mogelijk zijn, dat die lieden op de puinhoopen der _Romeinsche_

oudheden wonende, eenigzins met de Geschiedenis dier Volken waren

bekend geraakt, en tevens hunne verhevene gevoelens en edelen trek

na vrijheid hadden ingezogen. Sommigen meenen dat de reden, waarom

die van _Lyon_ zich zoo sterk tegen de omwenteling toonden, ook moet

toegeschreven worden aan een zekere jaloersheid, die 'er tusschen

deze stad en _Parijs_, als de twee grootste en voornaamste steden van

_Frankrijk_, plaats greep, en al van ouden datum bestond. _Parijs_

voor de Hoofdstad te moeten erkennen, kwetste de eerzucht van _Lyon_,

en _Parijs_ had de omwenteling begonnen, en speelde 'er de hoofdrol

in. Zoo moest dan deze ongelukkige stad, die reeds in onderscheide

tijdvakken, de allerakeligste moord- en bloedtooneelen had opgeleverd,

nog eens eenen rampzaligen burgeroorlog, en de betreurenswaardige

gevolgen van dien, ondervinden. Met aandoening hoorde ik dikwijls

verscheide omstandigheden dien aangaande vertellen; de _Lyonnezen_

schenen mij genegen, om hier over met vreemdelingen te spreken,

en geen wonder, dat men diergelijke tijdvakken niet ligt vergeet;

daarbij vindt men hier schier overal gedenkteekenen, die 'er aan

herinneren. Men verzekerde mij, dat deze noodlottige gebeurtenis,

omtrent 20,000 menschen aan de stad _Lyon_ gekost heeft; het

getal komt mij wat groot voor. Zonderling is het ondertusschen,

dat de Generaal Prescis, Kommandant der stad, met zijne Officieren

gelegenheid gevonden heeft, om zich door de vlucht te redden, en

de straf te ontgaan, terwijl eene menigte jonge lieden en burgers

van _Lyon_, door hem misschien opgezet en zekerlijk misleid, (want

anders zouden zij niet vermetel genoeg geweest zijn, om eene stad,

die geheel buiten staat was, om eene belegering uittehouden, tegen

eene magtige Armée te willen verdedigen) terwijl, zeg ik, deze in de

stad bleven, en door de belegeraars als muitelingen, misschien op eene

te strenge, of te algemeene wijze, werden gestraft.--Men schijnt,

ten opzigte van dezen Prescis verscheide ongunstige vermoedens te

voeden; doch het is buiten mijn bestek, om hier verder in te treden.

Den 30 Julij, hoewel het al weder onophoudelijk regende, ging ik al

vroegtijdig uit; het was zoo guur, als bij ons in de maand October. De

kaai opgaande, langs de _Saone_, klom ik 'er tegen over de rots,

daar het Kasteel _Pierre en Cize_ op plagt te staan, de hoogte

op. Hier ziet men de overblijfsels van de oude Vestingwerken,

die ten tijde van de belegering veel verwoest, en vervolgens

grootendeels gesloopt zijn geworden; het ruwe en stormachtige

weder gaf aan die puinhoopen een nog treuriger aanzien--men ziet

hier stukken van muren van eene ontzaggelijke dikte, en zeer ruime

onderaardsche gewelven; sommige bestaan bijna nog in hun geheel,

en zijn zoo groot, dat het wel Kerken gelijken. Het Fort _St. Jean_

stond voorheen op deze hoogte, en moet, naar de puinhoopen, die men

'er nog van ziet, te oordeelen, eene aanmerkelijke sterkte geweest

zijn--welligt had deze plaats aan een' schrijver van oude ridder-

en spookromans, aanleiding gegeven tot sombere en verschrikkelijke

invallen--en ik onder een brok van een ouden muur een weinig voor den

regen schuilende, en dien boêl overziende, dacht aan de ellendige

inrichting der menschelijke maatschappij waartoe deze vreesselijke

muren, met zoo veel moeite en kosten opgerigt?--dienden zij ter

beschutting tegen een' vernielenden watervloed, of om de woede van

uitgehongerde roofdieren aftekeeren--neen! maar alleen, om menschen

tegen menschen te beveiligen.--

Hier en daar heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. Wat verder

komende, zag ik, dat men bezig was met den muur van de stad, doch ook

alleen maar een' enkelen muur, weder op te bouwen. Zoo maken en breken

de menschen aanhoudend. Ja! wat hebben wij sedert 18 a 19 jaren niet al

zien maken en breken, opbouwen en verwoesten. Men bediende zig tot het

opmetselen van dien muur, onder anderen van een' roodachtigen steen,

die scheen zamengesteld te zijn uit een menigte kleine keitjes. Mij

dunkt, dat dezelve gepolijst zijnde, fraai moet wezen; bij ons zou

men daar wel gebruik van weten te maken, doch hier is het marmer en

diergelijke steenen verkrijgbaar genoeg. Zelfs niet ver van deze stad

vindt men aanmerkelijke steengroeven. Onzen weg vervolgende, zagen

wij de Kerk van het voormalig _Karthuizer_ Klooster, ook op deze

hoogte gelegen; de Kerk is fraai met smaak gebouwd, en wordt thans

voor een _Parochie_ gebruikt; zij schijnt van binnen ook gewit en

opgemaakt. Het groot Altaar in het midden van het koor, is van marmer

van onderscheide kleuren zeer fraai gemaakt; boven hetzelve is een

konstig gewerkt geheel verguld verhemelte (_baldachin_), rustende op

marmeren kolommen--ik zag 'er ook eenige redelijk goede schilderijen

van _Fransche_ Meesters. Deze Kerk pronkt met een' fraaijen koepel,

en is zeer licht. Ik beklaagde mij niet van deze wandeling gedaan te

hebben, hoewel ik door nat was.

In het voorbijgaan vernam ik aan het Bureau van de schuit op _Avignon_,

dat dezelve, om den aanhoudenden sterken stroom en het hooge water,

zoo als men wel gevreesd had, niet had kunnen varen, en waarschijnelijk

in de eerste dagen nog niet varen zou--ik wilde toch zoo gaarne de

reis te water doen, hoe vreesselijk men die hier ook afschildert. 's

Avonds, door den regen niets beters te doen wetende, ging ik in het

_Theatre des Varietés_, en zag 'er _les brigand de Calabrie_, ook ik

't _Hollandsch_, onder den naam van: de Struikrovers van _Calabrien_

vertaald, en na hetzelve _Palmire et Alminor_, getrokken uit de

geschiedenis van den Verloren Zoon; beide zijn Melodramas, dat is te

zeggen, Toneelspelen, met muzijk verzeld, doorgaans speelt het orchest,

als de voorname personen opkomen of afgaan. Deze soort van stukken

is gemeenelijk opgesierd met marschen, balletten, gevechten en veel

théatralen toestel. Zij worden in _Frankrijk_ niet op tooneelen van

den eersten rang gespeeld, en door velen als onregelmatig en in een

slechten smaak (_d'un mauvais genre_) afgekeurd; doch ik beken gaarne,

dat ik 'er verscheide gezien heb, die mij veel meêr bevielen, dan de

groote Opera's, waarmede men te _Parijs_ zoo veel op heeft. Beide de

genoemde stukken werden nog al redelijk gespeeld, zoo dat ik mij nog

niet erg verveelde. Het _parterre_ maakte hier zoo wel als te _Parijs_

tusschenbeide een vreesselijk geweld.

Den 31 Julij, al weder regen. Heden gingen wij eenige Fabrieken van

zijden stoffen en zijden fluweelen enz. zien, onder andere die van de

Heer Pereau op de kaai van de _Rhone_, dat een van de voornaamste is;

hier is de stapel kostbare stoffen en fraaije borduurselen, waarvan

'er sommige moesten gebruikt worden bij de aanstaande kroning van den

nieuwen Keizer, zoo ook voor behangsels van bedden, en bekleedsels

van onderscheide meubelen aan het Hof; want het schijnt, dat het

Keizerlijke in pracht en kostbaarheid niet voor het voormalige

Koninklijke zal willen onderdoen: en wat voer men daar in het begin

van de omwenteling tegen uit, trouwens, en dit kan men vooral met regt

van de _Franschen_ zeggen, "de tijden veranderen en de menschen ook."

Ik kwam op straat een' Priester tegen, die openlijk de hostie naar

een zieke droeg; een man met een bel ging vooraf, zoo als zulks

in de _Roomsche_ Landen gebruikelijk is; vele menschen knielden,

alle namen de hoeden af. Ik had hier ook al een begravenis met

Priesters en kerkelijke plegtigheden gezien, en ik vernam dat 'er ook

somtijds proçessien gaan. Waar toe toch al deze toestel en openlijke

vertoningen; de geloovigen, dunkt mij, zullen 'er niet gelooviger door

worden, en de ongeloovigen nog veel minder; was het dus niet beter,

dat men, om zich aan geene spotternij bloottestellen, en om anderen

niet te ergeren, of aanleiding tot onaangenaamheden en verwijdering

te geven, binnen de kerkgebouwen bleef; daar mogen de onderscheidene

geloofsbegrippen te pas komen, daar zijn wij Joden, Roomschen of

Protestanten, op de straten en andere plaatsen zijn wij alle burgers,

en hoe minder wij ons in dien kring door onderscheidene benamingen,

leuzen of diergelijke trachten te onderscheiden, hoe meer wij immers

de eensgezindheid en alzoo het algemeen geluk bevorderen.

Na den middag was het nog al redelijk goed weder, en ik wandelde

de kaai van de _Saone_ zuidwaards op, langs de puinhoopen en

nog overgeblevene muren van het Arsenaal, bijna geheel door het

bombardement vernield, gelijk ook een groot gedeelte van deze

wijk, en waar van nog maar weinige huizen zijn opgebouwd. Ik kwam

vervolgens aan de hier zoo beroemde werken van Perrache, die de

vereeniging van de twee rivieren omtrent 1100 halve roeden (_toises_)

voor uit heeft gelegd, zoo dat de stad hier door een aanmerkelijk

stuk gronds wint. Voor _Hollanders_, aan dijken en droogmakerijen

gewoon, baart dit werk niet veel verwondering. Men heeft hier ook

aangename wandelingen, en ik keerde langs de kaai van de _Rhone_,

die daar aangenaam beplant is, weder terug. Behalve de huurkoetsen

(_fiacres_) vindt men in deze stad, en de omliggende streken, ook nog

een ander soort van rijtuigen, het zijn ligte wagentjes, zeer laag,

en op vier wielen, die door één paard getrokken worden; de banken

zijn in de lengte geplaatst, zoo dat men 'er op zijde, rug tegen rug,

en de beenen buitenwaarts inzit; op de banken, waarvan sommigen op

riemen hangen, liggen matrassen; doorgaans kan men 'er met zes en meêr

personen in zitten, zij worden veel gebruikt, om na buiten te rijden;

men vindt ze gemeenlijk staan, bij de voorname uitgangen van de stad,

en kan ze daar goedkoop huren. Die rijtuigen worden _Carioles de Lyon_

genaamt, en de voerlieden, die ze verhuren _des Carioleurs_.

Heden den 1 Augustus is het weder nog al redelijk, en het scheen,

dat de regen toch eindelijk eens zou ophouden; wij bepaalden dan ons

vertrek op morgen, indien wij eenige reisgenooten konden vinden, om

een schuitje (_bateau de poste_) tot _Avignon_ met ons te huren. Hier

in slaagde ik zonder veel moeite, wij waren met acht personen, en

huurden zoo een schuitje voor zes _Louis d'Ors_, onder beding dat het

goed met planken overdekt, en van zitbanken en stroo, om de voeten in

te zetten, voorzien moest zijn; vooral ruim en stevig genoeg, ook in

allen opzigte geheel tot onzen dienst, zoo dat wij hier en daar des

goedvindende konden aanleggen, mits de reis 'er niet te veel door

werd vertraagd; de schipper mogt niemand buiten onze toestemming

aan boord nemen enz. Alle diergelijke voorwaarden behoort men te

voren wel uitdrukkelijk te maken, om daarna geene moeijelijkheden te

hebben; omtrent dit alles overeengekomen zijnde, gaf mij de schipper

(_patron_) een _Louis d'Or_ op hand, ten blyke, dat de overeenkomst

gesloten was, dit is genoegzaam door geheel _Frankrijk_ gebruikelijk,

het zij de huurder of verhuurder, kooper of verkooper die geeft, men

noemt dit handgeld _les arrhes_; voorts was de afspraak, dat wij morgen

ochtend met het krieken van den dag zouden vertrekken, indien de wind,

die noorden was, zoo bleef, kunnende 's avonds van denzelfden dag dan

nog te _Avignon_ zijn; de schipper zou ons in dat geval laten roepen;

doch als de wind veranderde, behoefden wij zulk een haast niet te

maken, omdat men dan toch een nacht onderweeg moest slapen.

Daar nu onze afreis bepaald was, en ik al, wat hier merkwaardig is,

genoegzaam gezien had, bleef mij nog over, om in een voornaam magazijn

een kleine voorraad van _Lyonsche_ zijden kousen te kopen, en ik

vond 'er zeer goede voor £ 9-:-: het paar, zoo witte als zwarte. Het

overschot van mijn' tijd besteed ik nu, om aan u te schrijven, en

dezen brief te sluiten, na u vooraf nog het een en ander aangaande

deze stad te hebben medegedeeld.

Van ouds droeg _Lyon_ den naam van _Lugdunum_, en had dus bijna

denzelfden naam als ons _Leyden_ _Lugdunum Batavorum_; misschien had

men 'er _Batavorum_ bijgevoegd, om die stad van het _Lugdunum_ der

_Gaulen_ te onderscheiden. Naderhand werd _Lyon_ een Aartsbisdom en de

Hoofdstad van de Provincie _le Lyonnois_, thans is het de Hoofdplaats

van het Departement van de _Rhone_ en het verblijf van de _Prefecture_

en _Tribunal d'Appél_; men begroot het getal der inwoners, naar men

mij verzekerde, nog heden op omtrent 120,000. _Lyon_ wordt op 100

_Fransche_ mijlen afstands van _Parijs_ gerekend, doch over _Dyon_ is

het verder; zij is omtrent 40 van deze laatstgenoemde plaats gelegen,

en 48 van _Avignon_ De hoofdstad niet zijnde, noemen de _Lyonnezen_

hun stad egter de tweede van _Frankrijk_; want zij worden voor zeer

hoogmoedig en eigenbelangzoekend (_egoistisch_) gehouden; zoodat

_Lyon_ voor hun schier alles, en het heeläl bijna niets is; dezen

karaktertrek schrijf ik al weder toe aan de hooge Geestelijkheid

van die stad; want deze door hunnen alles vermogenden invloed gaf

toch den voornaamsten plooi aan 's volks denk- en handelwijze;

oordeel of het ook groote sinjeurs moeten geweest zijn; van den

Aartsbisschop af, tot den laatsten Kanunnik van het Domkapittel toe,

noemden zij zich _Comte de Lyon_; het waren alle Prinsen en Graven,

zij moesten 16 kwartieren, zoo van 's vaders als van 's moeders

zijde in hun wapen voeren, en de Koning van _Frankrijk_ was hun

eerste Kanunnik. Deze geestelijke Graven, die zich de navolgers van

den nederigen Christus noemden, waren zoo verregaande opgeblazen,

dat zij zich met de Godheid, dien zij erkenden, schenen gelijk te

willen stellen: want zij knielden niet in tegenwoordigheid van de

Hostie. Dit hadden zij zelfs tegens de _Sorbonne_ [32] volgehouden,

tot dat, naar men zegt, Lodewijk de XIV. zich eens onder hun in de

_St. Jans_ of _Domkerk_ bevindende, goedvond om te knielen; nu konden

zij welstaanshalve toch ook niet anders doen, zij knielden dan,

maar voor wien, voor God of voor den Koning?--Ik wenschte, dat zoo

vele brave en achtingswaardige Roomschgezinden, met alle diergelijke

schandelijke zaken, waar door men den godsdienst ontluisterd, wat meêr

bekend waren. De geschiedenis doet ons egter ook een' Aartsbisschop

van _Lyon_, die in het laatst van de afgelopen eeuw geleefd heeft,

als een' achtingwaardig man, kennen, voornamelijk om de vriendschap

tusschen hem en den vermaarden wijsgeer en schrijver Thomas [33],

die te _Lyon_ in de armen van dien Aartsbisschop, genaamd Montaset,

gestorven, en op deszelfs landgoed, even buiten de stad, begraven is;

waar de redelijke Montaset zijn overleden vriend dan ook een graftombe

oprigtte, die hij door zijn tranen aan de vriendschap heiligde.

Onder verscheidene vermaarde mannen, konstenaars en geleerden, werd

ook Pierre Perrin, stichter van de _Fransche Opera_, en dus voor de

_Franschen_ wel een groot man, hier geboren: hij voerde den titel

van _Abbé, Conseiller du Roi_ enz. en werd het eerste bevoorregt

met het Koninklijk verlof (_lettres patentes_) om de Koninklijke

Muzijk-Akademie opteregten, in 1669. De eerste Opera, die hij in

't openbaar gaf, (te _Parijs_ in 1671) was _Pomone_ genaamd. Hoewel

de versen, van Perrin zijn eigen maaksel, zeer slecht waren, werd het

stuk toch zeer toegejuicht en acht maanden agter elkanderen gespeeld,

zoo dat deze Opera, hem alleen voor zijn aandeel 30,000 Livres opbragt;

doch zoo als het gemeenelijk gaat, de voorspoed werd door de afgunst

gevolgd, en Perrin was al schielijk verpligt om zijn voorregt tegen

een sommetje aftestaan; zijn geluk was dan van korten duur, en hij

stierf te _Parijs_ omtrent het jaar 1680. De beeldhouwers Coysevox en

de twee Coustou's, zijn ook van _Lyon_, als mede Joseph Vivien een van

de uitvinders van het teekenen met pastel. Op de geboorte van Caracalla

heeft de stad _Lyon_ geen reden om roem te dragen--en hoe zeldzaam

had het menschdom reden, om de geboorte van een' Keizer of Koning te

zegenen!--Onder verscheidene Kerkvergaderingen (_Conciliën_) die hier

gehouden werden, zijn die van 1245 en 1274 vermaard, de eerstgenoemde

niet alleen, omdat bij hetzelve besloten werd, dat de Kardinalen

voortaan roode hoeden zouden dragen; maar bijzonder ook omdat Keizer

Frederik de IIde, in den ban gedaan, en van het Keizerrijk ontzet

werd door Paus Innocentius den IV.; de andere door de geloofspunten,

die daar verhandeld werden, was de voorname oorzaak van de scheuring

der kerk, door de afzondering der _Grieken_--maar ik houde mij op,

met u dingen te vertellen, die gij misschien lang weet, in plaats

van naar bed te gaan, wijl ik 'er morgen vroegtijdig uit moet.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 11 / 56 题