_Lyon, 31 Julij._
Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier
verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om
van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk,
zou een vreemdeling, die met de _Europeesche_ zeden en gebruiken niet
bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of
hunne knechts of meiden waren. Men had ons het _Hotel des Celestins_
aangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (_fiacre_), die men
hier zoo wel als te _Parijs_ vindt, lieten 'er onze koffers opbinden,
en ons zoo aan het _Hotel des Celestins_ brengen; dit is een van de
eerste Hotels van de stad, doch het was 'er ons veel te duur; want
ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken
naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer
wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan
het _Hotel de Languedoc_, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden,
brengen; het staat op de Kaai langs de _Saone_, niet ver van de
houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de
eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de
rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg van _St. Just_,
_l'Hospice des Antiquailles_, de Kapel van _notre Dame de Fourvières_
enz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van
het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek
genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer
met twee bedden £ 3-:-: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.
De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen
op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit
en zwart was, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid
onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets
zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het
lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen,
bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den
hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men te _Parijs_
ook heeft, doch daar ziet hij 'er anders uit; dit was al een heel
slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en
daar in _Frankrijk_ gezien, die niet beter waren: velen schijnen in
dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen,
en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der
dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke
en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of
meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft,
mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan
dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de
Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten
of verordeningen, die 'er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad
hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde
toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft het
_Institut National_ van _Frankrijk_, in naam van het Gouvernement,
de volgende prijsvraag uitgeschreven: _"Quelles font les cérémonies
à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu
de la sepulture?"_ en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden,
is van F.V. Mullot voorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik
die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem,
met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat
men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen,
dat het bijgeloof de oude plegtigheden wel weder algemeen zal trachten
intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op
de plaats _Belle-cour_, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats
van Lodewijk den Grooten genaamd werd, en thans den naam van Bonaparte
voert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld van Lodewijk
XIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen
beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen,
die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen 'er
nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen
geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; 't heeft hier wel wat
van ons _Haagsche Voorhout_. Deze plaats is omtrent 450 treden lang,
en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij
ligt tusschen de _Saone_ en de _Rhone_. Ik was 'er van de kaai van de
eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte 'er overgaande,
en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van de _Rhone_
uit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor
mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen
van dezelve aan Paus Innocentius den IV. verschuldigd. Zij is in geen
regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde
tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had
men haar ook zoo smal gemaakt, dat 'er geen rijtuigen elkanderen op
konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest, van 'er een tweede
naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en
'er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren
zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met
ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel
geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid
niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is
zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug,
heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo
dat het zand, dat met het water van de _Rhone_ afkomt, zich op een
hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt
moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een' bouwmeester
ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden
wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Het muurwerk van
dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat 'er de brug niet door
leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen
stond 'er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een
poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men
onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze
brug, die _le pont de la Guillotière_ genaamd wordt, ziet gij in de
bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe Gasthuis _Nouvel
Hopital_, op de kaai van de _Rhone_; de teekening van dit schoone en
trotsche gebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u
hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel,
zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat
men 'er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad
door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft,
en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.
Den 25 dezer ging ik 's morgens vroegtijdig uit, en begon met de
Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oud _Gothisch_ gebouw, zoo als
gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant,
door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel
ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is
het eenigste, dat ik 'er beziens waardig vond, want her vermaarde
uurwerk door Nicolas Lippius van _Basel_ in 1598. gemaakt, en dat
vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert
verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van _'s Bosch_
staat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk
vind men aangeteekend, dat 'er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch
boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd
geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamd
_Palais de Justice_, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft;
en van binnen zag het 'er schandelijk slordig uit; dit komt mij
vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot
welker voorname hoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren,
in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een
Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte,
bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog
viel, was een schilderij, waarop Christus aan het Kruis geschilderd
was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was
'er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woord _Egalité_
stond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat
anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij
een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar 'er immers in een Regtzaal
voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen
zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere sekte is, te pas
komt. Joden en andere lieden, die niet tot de Roomsche Kerk behooren,
en die als leden van de Burgerlijke Maatschappij dezelfde regten en
aanspraak op de wetten hebben, als de leden van die Kerk, moeten zich,
voor deze balie verschijnende, deswegens natuurlijkerwijze ergeren,
en ik geloof, dat, wanneer ik tot dit regtsgebied behoorde, ik niet
zou kunnen nalaten, om mij over het plaatsen van dit schilderijtje te
beklagen, en de wet onder andere ook die, welke betrekkelijk is tot
de regeling der Godsdiensten (_l'organisation des cultes_) thans in
_Frankrijk_ bestaande, en die geen heerschenden Godsdienst erkent,
zou mij daar regt toe geven.
De kaai langs de _Rhone_, _Quai du Rhone_, is fraai, en met schoone,
en zelfs prachtige huizen, waarvan de meeste vijf, zes en meêr
verdiepingen hoog zijn, bebouwd [26]. Langs den waterkant is een
wandeling gemaakt, die men heeft beginnen te beplanten. Men heeft
ook van deze kaai, en uit de huizen op dezelve een zeer aangenaam
gezigt over de rivieren, de landstreek aan den anderen kant van
dezelve, tot tegen de _Alpen_, die men bij helder weder duidelijk
zien kan. Over de _Rhone_ ligt, behalve de brug, waarvan ik u reeds
geschreven heb, nog een houten brug, die den naam draagt van zijnen
maker Morand. Deze brug (_le pont Morand_) hoewel ligt in schijn,
is van een beproefde stevigheid. In den winter van het jaar 1789
bevroor de _Rhone_, niettegenstaande den snellen stroom. De ijsgang
maakte eene verschrikkelijke vertooning. De verdubbelde aanval van de
ontzaggelijke ijsschotsen, deed voor het behoud van de brug beven; en
zij weerstond het gevaar, zelfs zonder schade te lijden. De _Lyonnezen_
hier over verblijd, en erkentelijk vierden een feest ter eere van
deze gebeurtenis. De naam van Morand zweefde op ieders lippen, en
deze brug als een gedenkteeken van zijne bekwaamheid werd met lauwers
bekroond. Behalve de kaaijen, de plaatsen _des Terraux de Belle-cour_,
en eenige weinige straten is _Lyon_ in 't geheel geen fraaije stad;
zij is voor het overige onregelmatig gebouwd, de straten zijn eng,
meestal zeer naauw, en krom, de huizen zijn hoog, en hier door is
het 'er duister en bedompt, daarbij zeer bevolkt. De morsigheid
en onaangename reuk is voor iemand, die daar niet aan gewoon is,
inderdaad hinderlijk. Hier kan men nog als een groot ongemak bijvoegen,
dat de weg zeer ongemakkelijk gestraat is; de keijen of straatsteenen
zijn klein, veelal scherp en ongelijk, zoo dat de voeten zeer doen,
als men 'er lang op gaat. Wanneer men dit aan onze Hollandsche
Franschmannetjes, die dit land niet anders kennen, dan uit _Mode
Journaal_, _l'Almanach des Graces_, of de eene of andere Roman,
en die zoo veel op hebben met _Frankrijk_, vooral met de voorname
steden in hetzelve, eens vertelde, zouden zij aardig staan te kijken;
want 'er zijn vele van die zuikerpopjes, die zich verbeelden, dat men
hierop Rozen wandelt; dat men niets anders ruikt dan Amber en Jasmijn,
niets eet, dan keurige spijzen, niets drinkt, dan nektar, niets hoort,
dan liefelijke toonen, en streelende woorden, en niets ziet, dan dat
aangenaam en bevallig is; maar het gaat 'er zoo niet, en dit land
heeft zoo wel als andere landen zijne schoone en lelijke zijde.
's Avonds ging ik in den grooten Schouwburg (_le Grand Théatre_):
Het is een fraai gebouw, ruim veertig jaaren geleden, volgens de
teekening van de Bouwmeester Soufflot, gebouwd, en staat regt achter
het Stadhuis. Voor hetzelve is een plein, en ter zijde een gallerij,
waar verscheide kramers hunne onderscheide waren uitstallen; dit
alles maakt met het Stadhuis _la place des Terreaux_, en de Abdij van
_St. Pieter_, op dezelve, een fraai geheel uit. Van binnen beviel
de Schouwburg mij ook wel; doch order en netheid haperden hier ook
weder, en zelfs in het _Parterre_ (waar men staande moet blijven),
hinderde de stank van zekere tonnen, die in een vertrekje aan den
ingang zijn geplaatst, niet weinig; men gaf 'er een Blijspel genaamd,
_le Jaloux sans Amour_ en _l'Irrato Opera_, het Muzijk is van Mehul
in den _Italiaanschen_ smaak gecomponeerd. Het spelen was maar zeer
middelmatig, het zijn hier waarlijk ook geen tovenaars; echter als
zij te _Amsterdam_ speelden, en zulk soort krijgt men 'er doorgaans,
zouden onze zoogenaamde lieden van smaak 'er drok naar toelopen,
terwijl zij den neus optrekken, als men hun spreekt van den grooten of
Stads Schouwburg, waar ik ondertusschen verscheide stukken zeer goed
heb zien uitvoeren, en waar sommige vertoonders spelen, die zelfs door
_Fransche_ Konstkenners en voorname Konstenaars, niet ligt gereed,
om aan vreemden lof toetezwaaijen, openlijk bewonderd worden [27]. Ja
ik durf staande houden, dat dit tooneel behoorlijk aangemoedigd en
bestuurd, weldra zou verdienen, om onder de eerste tooneelen van
_Europa_ gerangschikt te worden. Wanneer zal die ellendige lage en
verderfelijke trek, naar al wat vreemd is, onder ons eens ophouden, en
de _Hollandsche_ zeden en voortbrengsels van Kunsten en Wetenschappen,
waar wij ten allen tijde billijk roem opdroegen, en nog roem op mogen
dragen, eens herleven. Trachten wij van onze naburen, en van vreemden
te leeren, wanneer 'er zig iets nuttigs voor ons op doet; maar laten
wij toch bij aanhoudendheid niet dwaas en slecht genoeg zijn, om hun in
alles nateäpen. Gij hebt deze en diergelijke aanmerkingen niet noodig,
vriend! maar gij vat dikwils de pen op, tot nut en vermaak van onze
landgenoten, en bij die gelegenheid zou zoo iets te pas kunnen komen.