VIERDE BRIEF.

_Lyon, 30 Julij._

De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, van _Chalons_

naar _Lyon_ vertrekken moesten, voer eerst 's middags om twaalf uren

af; ik had dus nog tijd, om _Chalons_ doorteloopen, waar ik blijde om

was; want het zag 'er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus

wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters,

die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat. De

overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de

kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren

gekomen; de kramen en lootsen stonden 'er nog, digt bij de poort, waar

men van den kant van _Dyon_ inkomt, en hier naar te oordeelen, scheen

zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn. _Chalons_ drijft zeer veel

handel, voornamelijk in granen en wijn. 'Er zijn ook eenige koussen-

en hoeden-fabrieken; men vindt 'er vele welgestelde Ingezetenen. Het

getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de

omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen,

en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en

ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze

Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man,

hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen

maakte. De menschen zien 'er ook over het algemeen frisch en gezond

uit; kortom, _Chalons_ is een aangename plaats, en _Les trois Fesans_

een goede Herberg. Bij het dorp _Presty_, niet ver van deze stad

gelegen, vindt men loodmijnen.

Deze streek, die voorheen tot de _Gaulen_ behoorde, schijnt bewoond

geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit

althans schijnt zeker, dat de _Insubriënsen_, wier vestiging in

_Italië_ veel ouder is dan de grondslag van _Rome_, en misschien

zelfs dan de aankomst van Enéas in _Latium_, een deel uitmaakte van

de _Æduensen_, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar

van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte van _Frankrijk_;

waar thans de stad _Autun_, tot dit Departement behoorende, staat;

deze stad, die men wil, dat toen _Bibracte_ genaamd was, bezit ook

nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust,

om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.

Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan het _Bureau_

(bij den Commissaris) £6-:-:. betaald te hebben voor ieder persoon;

dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, van _Chalons_

naar _Lyon_. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze

schuit, die men hier _la Diligence_ noemt; behalve nog vrij wat

koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levert _Chalons_,

ook eene aangename vertooning op; ik bleef 'er zoo lang mogelijk op

turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch

de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers,

op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste

van onze schuit werd _Patron_ genaamd; zij spreken onder elkanderen

eene taal, die men _patois_ noemt, en die ik niet verstond; hier

en daar komen 'er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met

het _Italiaansch_. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men

kan dezelve dus, zonder veel moeite, zoo wel op als afvaren. Wij

voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen

was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand

sleepten. Daar aan de boorden van de _Saone_ niet veel te zien was,

gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en

wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden,

troffen wij ook weder onzen Wijnkooper van _Maçon_ aan, met wien wij

reeds van _Parijs_ naar _Dyon_ gereisd hadden. Te _Tournus_, een stadje

half weg _Chalons_ en _Maçon_, zeer aangenaam aan den regter oever

van de _Saone_ gelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier,

zijnde onder steen en boven hout; doch in een' smaak gemaakt, dat men

ze op een' zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de

9de eeuw bestond hier een voorname Abdij van _Benedictijner_ Monniken,

tot dat de Kardinaal de la Rochefoucauld, die 'er Abt van was, dezelve

deed _seculariseeren_, en 'er een Kanonniken Kapittel van maakte.

Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van

hier zag ik, aan den oever van de rivier, een _Maçonnois_ boerinnetje,

met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode

van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. Van

_Parijs_ af hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze

kanten is het geelächtig wit.

's Avonds om half acht kwamen wij te _Maçon_, omtrent elf _Fransche_

mijlen van _Chalons_ gelegen, en de Hoofdstad van dit Departement,

hoewel kleiner en minder bevolkt dan _Chalons_; waarom de inwoners van

die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur

niet gegeven heeft; vooral ook, omdat _Chalons_ meêr in het midden van

het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats,

daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank

van het Departement.

_Maçon_ doet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling

van eene hoogte [24], en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug,

op dertien bogen, over de _Saone_: door middel van deze brug heeft

zij gemeenschap met het Departement _de l'Ain_; voorheen dat gedeelte

van _Bourgondiën_, dat men _la Bresse_ noemde. Immers, Vriend! hebben

onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters, E. Wolff en A. Deken,

te _Bourg_, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar

hare _Wandelingen door Bourgondiën_ geschreven. Met een dankbaar

gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel

tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. Hare

_Sara Burgerhart_ is geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een

meesterstuk, en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden;

hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die 'er zoo natuurlijk

in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet

kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in het _Fransch_, en zoo

ik mij niet bedrieg, ook in het _Hoogduitsch_ overgezet.

Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is

het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije

gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de

vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel;

zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug,

die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt

op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is

aangenaam beplant, en 'er is een weide op, die bij zekere gelegenheden

dient tot de viering van Feesten. Zeker _Fransch_ schrijver, die 'er

toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt: _"Cest

un vrai tableau de l'Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur

le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux,

les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l'Imagination

les lui prête, quand l'oeil la considère, et tout homme devient poète,

s'il touche à ses rives parfumées."_ [25]

Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan

eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond,

dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend,

en dat wel gelijkende is.

Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem

komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap

huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot

den anderen moesten doorloopen. De wijn van _Mâcon_ is smakelijk,

en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel

handel, vooral met _Parijs_ en _Lyon_; en deze twee steden gebruiken

'er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomen

_au grand Hotèl du Sauvage_, alwaar wij s'avonds aan tafel zittende,

zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen,

scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk te _Moulins_, hoofdplaats

van het Departement _'Allier_, voorheen _le Bourbonnois_, gemaakt

wordt. St. Louis in 1248 vertrekkende, om een' kruistogt te ondernemen,

kocht in 't voorbijgaan het Graafschap _Mâcon_. Van de vermaarde

Abdij der _Benedictijner Cluny_, voorheen een der aanmerkelijkste

van _Frankrijk_, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets

anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar

onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand

werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de

letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van de _Benedictijnen_

zeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die

voor een groot deel der wereld verloren waren.

Den 24 dezer, 's morgens om vijf uren, verlieten wij _Mâcon_; over ons

Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw,

'er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was 'er nog een

ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die 'er

onder weg was ingekomen, en welke, 'er vrij galant uitzag. De Heer,

die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij te _Lyon_,

waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had

verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden

in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand

die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit

een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid

van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers

niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die te _Mâcon_,

en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigen dag

veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het

ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij

bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier

was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was

dat Dametje, dat 'er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die

ook te _Maçon_ bekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw,

en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit

zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam,

waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden

hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat

het gezelschap van de verwijdering, die 'er tusschen hun plaats had,

niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het

ons daar na verhaalden. Nu werd 'er op rekening van die lieden, en

vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding

tot lagchen en spotten, want de _Franschen_ van de zoogenaamde _bon

ton_, of die ze naäpen, vooral die van _Parijs_ of van de groote

steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het

onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren

'er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken

uit. Zelfs op de voorname Tooneelen van _Parijs_, daar men zoo naauw

gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw

gedurig bespottelijk. In de volksliederen, die men aan alle hoeken

van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet

hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek;

doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier

door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat 'er onze

ouderwetsche, zoogenaamde stijve _Hollanders_, in dat opzigt beter

achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen,

en dat is toch het ware, smaken.

Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, van _Mâcon_, want zij

werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen

maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom

zou ik het 'er dan niet bij voegen.--Nu weder aan mijn reisverhaal. De

wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan

zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen,

en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van de

_Saone_, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit

hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van

regen, en voegden 'er nog bij dat het tegen den avond zou donderen,

en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.

Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen

twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij

groot en een bastaardsoort van den herders hond, de andere was een

mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht,

en behoorden aan onzen schipper, die 'er veel werk van scheen te

maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten

zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij

ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra

bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit,

en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl

het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te

kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te

vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in

de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet

gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn' kleinen vriend

te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder

om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen,

duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de

naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.--Zouden de dieren, vooral

dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt;

en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen

gevoel (_instinct_)--is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons

verbeelden, wanneer wij 'er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren

handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde

menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelen sommige

zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer

gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?--Maar deze zijn

voor beschaving vatbaar.--Kan men dit van de dieren ook niet zeggen,

en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid

neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt,

en daarom stap ik 'er af.

De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van

de oevers van den Rhijn, tusschen _Mentz_ en _Bonn_. Wij naderden

_Riotti_, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten

wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die

naar _Lyon_, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten

'er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal,

van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte 'er ook goed

op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat

de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder

den prijs van den maaltijd begrepen is.

Daar de Rivier tusschen deze plaats en _Trévoux_ wat kronkelt, besloten

een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een'

naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een

Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds

op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer

Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen, dat hij hoop

had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat

hij van zijn ouders geërfd had, en in _Bourgondiën_ gelegen was,

wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes,

beviel mij ongemeen. _Trévoux_ een oud stadje, behoorende tot het

Departement de l'Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte

langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hun

_Journal et Dictionnaire de Trévoux_, Hier bestreed het bijgeloof

de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement is

_Ferney_ gelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was,

en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigen Calas tegen de

dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij van _Trévoux_ was voorheen

vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad

heeft, zijn zeer schilderachtig.--Hier wandelt men in een dreef van

fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel,

van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de

omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men

ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij waren _Trévoux_,

dat nog 5 _Fransche_ mijlen van _Lyon_ is, reeds door, en hadden

al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden;

hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu

had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen,

groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen, lusthuizen, boschjes, hooge

boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen

rondom 'er zich, als in een' spiegel, in vertoonen, nu en dan eens

een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen

of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam

door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer

maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden van _Lyon_ hebben

hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als

onze _Amsterdamsche_ Kooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den

Zondag doorbrengen. Het steedje _Neuville_, daar wij voorbij voeren,

ligt allerliefst, en men vindt 'er ook verscheidene buitenplaatsen,

die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen

dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet,

geleken.--Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden

uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog

tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden

oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om

de schoone natuur te ontsieren.--Aardig vertoont zich in de nabijheid

van _Lyon_ het eiland _Barbe_, een gedeelte van de rots, waar het

plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen

uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een

digte beplanting van boomen, maken 'er een zeer fraaije en bevallige

schilderij van. Die van _Lyon_ verzamelen zich somtijds bij plegtige

gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de

stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier,

de puinhopen van het kasteel _Pierre-Cise_ of _Pierre-en-Cise_;

gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van

de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des

Kardinaals de Richelieu, onder de regering van Lodewijk den XIII.,

werden hier opgesloten, Cinqmars namelijk en zijn vriend de Thou. Zij

werden den 12 September 1642 onthoofd; Cinqmars was slegts 22 jaar

oud. De vader van den ongelukkigen de Thou, die in zijne geschiedenis

verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag

toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.

De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan

wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des 's morgens

gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven

ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot 'er

een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik

'er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te

gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een

zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit

te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos.

Genoeg voor ditmaal--wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als

het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten,

en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te

onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar,

om te gaan wandelen, en somtijds waag ik 'er ook al eens een' natten

rok aan.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 9 / 56 题