TWEEDE BRIEF.

_Lyon_, 26 _Julij._

Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo

als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uit _Dyon_, beloofd heb. Die

stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den

overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die 'er

plaats heeft. Bij ons zou men 'er ten dezen opzigte in 't geheel niets

ongewoons vinden; doch voor _Frankrijk_ moet het als, iets bijzonders

in 't oog loopen. _Dyon_ was voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom

van _Bourgondiën_, thans is zij het van het Departement van de _Côte

d'Or_; de _Prefect_ houd 'er zijn verblijf, en 'er is een _Tribunal de

première instance_. De weg van _Parijs_ tot _Dyon_, zoo als wij die

genomen hebben, is 38 3/4 posten. Aan den Conducteur van den wagen

gaven wij volgens gebruik £ 3-:-: de persoon drinkgeld, en aan de

postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het

andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteur verschieten,

het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.

De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze

Herberg was 'er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den

wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije

eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor

de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij

wordt dan ook nog _la porte de la Liberté_ genaamd. Aan den binnenkant,

en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: "_Les droits de

l'homme reconnus le 30 Septembre l'an I. de la Liberté (1739) etc._"

[13] _De basreliefs_ hier op toepasselijk zijn van den Beeldhouwer

Attiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst

gestorven. Even buiten deze poort ziet men een' fraaijen tuin in

den _Engelschen_ smaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene

wandeling strekt: men noemt denzelven _le Jardin de l'Arquebuse_; bij

ons zou men het de _Schutters Doelen_ noemen. Het merkwaardigste, dat

ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men

kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen

omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer

hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen is al veel dood hout,

en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door

dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in

wezen te houden.--Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik

zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of

het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren--dan oudheid.

De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die

door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is

onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was 'er zelfs nog aan bezig,

alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze

zijn 'er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige

bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.

Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt

van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander

vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (_la sainte

Chapelle_). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog van _Bourgondiën_,

in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus

Eugenius de Vierde aan Philippus, zeer ten onregte bijgenaamd, _de

Goede_, Hertog van, _Bourgondiën_, [14] de beruchte wonderdadige

hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem

hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de

kerkvergadering van _Bazel_, in 1439, afgezet, uitgescholden voor

een handeldrijver in geestelijke zaken (_Simoniet_), meineedigen,

onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, en Amadeus

Hertog van _Savoyen_, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne

plaats aangesteld.--Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.--De

Hertog van _Epernon_ gaf vervolgens een gouden kist met edele

gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden,

(deze Hertog was toen Gouverneur van de Provintie _Bourgondiën_)

en eindelijk voegde Lodewijk de XI. Koning van _Frankrijk_ 'er zijne

kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een

gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon van Lodewijk

de XI. plaatste men 'er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest

moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen

boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men

mij verzekerde moest 'er een Schouwburg van gemaakt worden.

Nu 'er zijn ook kerken genoeg in _Dyon_, en een Schouwburg heb ik

'er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt;

want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte

maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was 'er in

deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de

onverdraagzaamheid, hadden 'er vrij wat invloed. Men heeft 'er dan

ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van

Frankrijk Tavannes, vertrouweling van Karel den IX. en een van de

voorname bewerkers van den rampzaligen _St. Bartels_ nacht, speelde

hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheen _le Palais

de Condé_ noemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie,

is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en

ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van

een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat

door bogen in de straten, die 'er op uitkomen. Midden op deze plaats

stond voorheen het beeld van Lodewijk de XIV. te paard. In dit Paleis

vergaderden de Staten van _Bourgondiën_ alle drie jaren, doorgaans in

de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den

derden Staat. De Maire van de stad _Dyon_ was altijd Voorzitter van

den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen,

en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. 'Er was

volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen. Hunne

voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de

Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit

in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt:

"van een anders leder is het goed riemen snijden;" en het is dus ook

geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid,

die overal in _Frankrijk_ plaats had, moede wordende, zijn misnoegen

daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen

van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren,

heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk

regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich

deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurig _Hollandsch_

boekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke

som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante

veranderd--en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De

onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in

dat voormalig Paleis van _Condé_. Daar het openstond ging ik 'er in,

en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield,

en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd

werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag,

en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te

doen, zat gerust te slapen.--Aan den ingang van de zaal las ik, dat

van de toehoorders de mannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan

den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene

bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid

hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde

ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen

met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog

een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het

nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.

De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen;

de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren

eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene

verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad

is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mij _Dyon_ voor,

wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam

verblijf te zijn.

Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een' reiziger

allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de

Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg

of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht,

wij maakten 'er dan ook gebruik van; men vindt 'er hier verscheiden, en

daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder

anderen in een van de _Parijssche_ Nieuwsbladen eene beschrijving van

het Feest van laatstleden Zondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen

zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte

van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men

op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en

had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men

zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien,

gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke

Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder

een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging,

bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij

stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam

man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep:

_Chapeaux bas_, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde

over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in

't geheel niet overeenkomstig vond met de _Fransche_ wellevendheid.

In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat 'er een _Museum_ in deze

stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook

in het voormalig Paleis van _Condé_; men ziet 'er in eenige zalen

verscheidene schilderijen, waar onder 'er twee Veldslagen van den

beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam van _le grand_

Condé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige

overeenkomst met dien man,--hoe zoo? zult gij vragen,--wel hij was

zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor

het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn

de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze

dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo

de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen,

de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den

landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden,

als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig

afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen van _Bourgondiën_,

naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of

gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook

zag ik 'er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een

ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij van

_Citeaux_. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal

marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeeldden

_Carthuizer_ Monniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes

hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen

van _Bourgondiën_, in het koor van de Kerk der _Carthuizers_, waarvan

ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling

zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking,

die 'er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik

zag hier ook nog een klein stukje agter een glas in een lijst, het

was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had

'er een gordijntje voor gehangen, om dat het 'er zoo afzigtelijk

uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van

het huis van _Bourgondiën_ behoorende, moest voorstellen; maar het

regte wist 'er de sukkelaar ons niet van te zeggen.

Den 21 ging ik 's morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van de

_Arquebuse_ wandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord

of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van

den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve,

den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht

en dertig zulke voeten;--Welk eene aanmerkelijke dikte!--De grond

schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en

struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik

een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn

leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de

reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij

groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben,

dat 'er midden in een menigte torren zaten, welken 'er de bladeren

afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik

herinner mij niet van diergelijke _insecten_ meêr gezien te hebben,

althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur,

en kwamen mij voor te behooren tot de soort van het Vliegend Hart,

zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed 'er een paar

van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank,

dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was

zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den

struik, reeds gewaar werd.

Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor

een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken

waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te

hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat 'er wel vijftig menschen

op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok

vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om

de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het

riviertje _l'Ouche_ stroomt langs _Dyon_, en 'er legt een fraaije

steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige

partijtjes. Bezat ik de kunst van Ruisdaal of Waterlo, ik zond u ook

hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten de _porte de

fer_ (een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik

sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheidene _Oléanders_,

_Laurustinus_ boomen en andere welriekende kruiden en bloemen,

die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt

men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen

opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienen tot

verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur

van diergelijke gestichten in _Frankrijk_ veel verbeterd; voor dien

tijd had de Geestelijkheid 'er meestal alleen de bestiering over. In

ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid

zeer wel tegen de _Franschen_ kunnen monsteren, zou toch, dunkt mij,

ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral

wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord,

zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene

zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste

die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt,

en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder

ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het

afleggen en voorbij dragen der dooden.--Welk een schouwspel! waarom

in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze

hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche

gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen

en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is

immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen,

als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden

was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige

natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en

Onderhouder van dezelve denken.

In en om deze stad, zag ik verscheidene daken en torens met pannen

van onderscheidene kleuren belegd; men maakt 'er ruiten en andere

figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat

niet onäardig.

De Bibliothekaris der Bibliotheek van het _Lycée_, is een zeer

vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onze _Hollandsche_

geleerden, als Grotius, Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops

in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling

boeken bevatte; 'er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen,

als Piron, Crebillon, Buffon, Voltaire en meêr anderen. De Beeldhouwer

Attiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is 'er de maker van.

Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van

den welsprekenden Bossuet, Bisschop van _Meaux_, daar ik in mijnen

vorigen reeds melding van maakte; van den Toneeldichter Crébillon,

een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de

Treurspelen van AEschylus op nieuws in _Frankrijk_ ten Tooneele, nadat

hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken

zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen 'er van worden

dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762. Piron,

door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in

1689 geboren [15], als ook la Monnoye, Dichter en _Bibliograaf_,

en de Baron de Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken,

enz. die in 1659 het licht zag. Rameau een van de grootste _Fransche_

muziek-_componisten_, is ook van _Dyon_; hij werd aldaar geboren in

1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk te _Parijs_,

en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera's; [16]

zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd. _Dyon_ heeft dus veel

toegebragt tot den luister van het _Fransche_ Tooneel; de inwoonders

van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden

Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om

'er een te bouwen, ten uitvoer te brengen. Menestrier een geleerde

oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook te _Dyon_

in 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles

nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen van _St. Medars_ kerk,

het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:

"_Ci git_ Jean le Menestrier,

_l'An de sa vie soixante dix_,

_Il mit le pied a l'étrier_,

_Pour s'en aller en Paradis_." [17].

Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen

buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging

het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den

kant van _Parijs_, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel

geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis,

en was tot de omwenteling toe de Bastille van _Bourgondiën_; ik zag 'er

dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.--Wie weet, dacht ik,

hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere

tranen gestort hebben.--Het ziet 'er thans zeer vervallen uit.--Van

den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den

anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal,

men noemt die plaats _Tivoli_.

Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te

vertrekken; want de Postwagen naar _Chalons_ reed 's nachts, en hier

hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij,

dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen

duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de

bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de

stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.

Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden £ 3-:-:

aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2-:-: voor een kamer

met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £

3-:-: voor het middag eten, en £ 3-10-: ook wel eens £ 3-:-: voor

het avondeten en slapen betaald.

De inwoners van _Dyon_, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland,

hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een

vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet

veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op

ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten,

speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan;

'er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt 'er ook sommige

wollesstoffen en confituren, en de mostaart van _Dyon_, die geheel

_Frankrijk_ door beroemd is, zoo als bij ons die van _Zaandam_ of

_Doesburg_, moet ik ook niet vergeten.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 7 / 56 题