_Dyon den 20 Julij 1804._
Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis
ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik van _Parijs_; en dus daags na
het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had
mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het
vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden
's morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier
op _Geneve_ rijdt, en waarop wij plaats genomen hadden tot _Dyon_. De
plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die
ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25--het
centenaar; doch de koffer voor twee personen zijnde, trok men 'er de
25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. Van _Charenton_ en _Alfort_,
daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. Te
_Lieursaint_ [1], 4 posten van _Parijs_, daar wij ontbeten, niet met
een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en
wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken;
en ik bespeurde toen, dat wij met een' Priester, met een' Rentenier
van _Dyon_, met een Wijnkooper van _Beaune_, een andere van _Maçon_,
en nog een vijfde persoon van den kant van _Geneve_, op reis waren. In
_Holland_ zou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft
men daar een' voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er
word gevraagd: "Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na
toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds,
hoe is mijn Heer's naam?" Diergelijke onbescheiden vraagen treft men
onder de _Franschen_ zeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de
lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder
elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen
dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige
gevoelens eenigzins ontwikkeld, de wijnkooper van _Beaune_, dat een
goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam van
_Franc Bourguignon_ [2] verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat
hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling in _Frankrijk_
plaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van
de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf
wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet
er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier van _Dyon_ scheen
meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers,
de overigen voegden 'er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen
opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn
tegen Keizer Napoléon, om dat hij de Hertog van Enghien heeft laten
ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste
uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling
(_calembour_) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van
ons gezelschap te berde bragt: "Iemand zeide, dat het afbeeldsel
van de Keizer der _Franschen_, dat men op de geldspecie ziet, niet
gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij, _parceque
le nez est pointu et c'est un nez rond_." (Néron). Was deze ter
dood veroordeelde geen voornaam hoofd van hunne partij geweest, zij
zouden 'er misschien niets op hebben aantemerken. De _Franschen_,
en vooral de _Parijzenaars_, zijn liefhebbers van _calembours_;
men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele
jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe
aardigheden, pronkt men in de zoogenaamde _bonne Societé_. Anderen,
die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om
woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook
voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van
wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort
na dat de broeders en zusters des Keizers Napoléon, tot Rijksvorsten
verheven waren, te _Parijs_ door de nieuwsbladverkopers (_colporteurs_)
langs de straten roepen: "_Voici etc. avec les noms et les demeures de
tous les Princes et Princesses à deux sous_;" een winderig heertje,
die daar voorbij kwam, zeî op een' spotachtigen toon tegen den
uitventer: "_Voyons ce qui c'est que vos princes et princesses à deux
sous_." Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk;
hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn,
onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten
boeten, en wie zou hem beklagen.
Omstreeks één uur kwamen wij te _Melun_, 5 1/2 post van _Parijs_. De
Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik,
nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde
dien tijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van
het Departement de _Seine et Marne_ [3], is in eene bekoorlijke
landsdouw aan de oevers van _de Seine_ zeer aangenaam gelegen; die
rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen
vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk
denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben te _Melun_ hun
verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij
tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van de
_Gaulen_. Caesar maakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het
is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van de
_Engelschen_ tegen die stad, welke plaats had in de vijftiende
eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed,
zes maanden uithielden. De geleerde Jacques Amiot, Bisschop van
_Auxerre_ en vertaler van de _Doorluchtige Mannen van_ Plutarchus,
enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel,
wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel al _de
Seine_ af naar _Parijs_ vervoerd. De groote weg, die hier doorloopt,
maakt het vrij levendig; 'er vaart ook een schuit (_coche d'eau_)
van hier naar _Parijs_ heen en weder. In het terugkomen word zij
met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van de _Mammelukken_,
die met Bonaparte uit _Egypte_ kwamen, lagen er hier omtrent 150 in
guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren 'er niet wel
over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk
was; wij zagen 'er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche
kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche
pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende
schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft,
vermaakten mij niet weinig. De _Seine_ en _Yonne_ vereenigen zich voor
_Montereau_. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug
is in de geschiedenis bekend: de Hertog van _Bourgondiën_ kwam in het
jaar 1409 op dezelve, om zich met Karel den VII, die toen Dauphin van
_Frankrijk_ was, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien
Vorst vermoord [4]. Onze reisgezel, de Rentenier van _Dyon_, die
nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander
opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst
gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van de _Yonne_ is
eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke
tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reiziger
hier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.
Tegen het vallen van den avond kwamen wij te _Villeneuve-la-Guyard_,
een stadje in het Departement de _l'Yonne_, en wel het eerste,
als men 'er van dezen kant inkomt. _Auxerre_ is de hoofdplaats van
hetzelve. Wij hadden nu 10 1/2 post afgelegd en hielden hier ons nacht
verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet,
hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze
Wijnkooper van _Beaune_, die in deze streeken bekend was, bragt hier
zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze,
waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.
Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en
reeden 1 1/2 post van hier door het stadje _Pont sur Yonne_, aan
den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel,
die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn'
naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van
de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en
vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De
stad _Sens_ vertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen
een' heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was
schoon. Voor de omwenteling was _Sens_ een Aartsbisdom en de hoofdstad
van _le Senonois en Champagne_; zij is 12 posten van _Parijs_ gelegen:
inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendige vertooning. De
straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk,
die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen
toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche
rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot
en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en
beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man,
en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb
aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot
en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer
hekwerk versierd. Lodewijk Dauphin van _Frankrijk_ [5], in den jaare
1765 te _Fontainebleau_ overleden, werd, benevens Mevrouw de Dauphine,
in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin
van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij
is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den
beeldhouwer Coustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn
de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere
fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven
een Altaar, verbeeldende de moord van St. Savinien. De glazen zijn
geschilderd door den bekenden _Franschen_ konstschilder Jean Cousin
[6], die te _Soucy_ digt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd;
men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de
glazen van _St. Roman's_ kerk te _Sens_ in eene schilderij van het
laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die
aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde
van Julius Caesar. In 1735 vond men 'er het opschrift: _Vesta mater_,
waarom men meent te moeten onderstellen, dat 'er een tempel van Vesta
geweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat 'er ook een
tempel ter eere van Augustus bestaan heeft. 'Er bestaat nog geldspecie,
die 'er Carolus Magnus heeft doen slaan. Paus Alexander de III. koos
deze stad tot schuilplaats, en verbleef 'er van den 30 September 1163
tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier,
wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk
handschrift van den kerkdienst der gekken (_l'Office des fous_,) zoo
als die eertijds in de kerk van _Sens_ gezongen werd, het was een lang
smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt
en met lange magere letters geschreven; men vindt 'er afbeeldingen in
van Bacchus feesten, Pan's feesten, potsenmakerijen en meêr andere
schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door
deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming
beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier,
eene voorname rol; andere op twee beenen waren 'er met menigte bij.
Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men in
_Frankrijk Velours d'Utrecht_ noemt, en dat zeer veel gebruikt word,
om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit
een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien
is zij 'er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.
De Waterhorologies (_Horloges d'eau_) die men zelfs tot in _Asia_
en _America_ verzendt, worden hier gemaakt.
Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en
boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt
over een brug over de _Yonne_, die langs deze stad stroomt. In deze
landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij
ontbeten te _Villeneuve le Roy_, thans _Villeneuve sur Yonne_, een
klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam
gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt
een voornamen tak van zijn' handel uit. Op den weg naar _Joigny_ ziet
men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn is
een voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stad
_Joigny_ [7], en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstad
_St. Michel_, is zeer aangenaam aan de _Yonne_ geleegen, en maakt
een fraaije kaai; 'er staan verscheidene gnappe huizen en een groot
en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk
zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee
prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van
de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund
word, heeft men een verrukkend gezigt. Bonaparte kwam 'er over, toen
hij zegepralende uit _Italiën_ te rug keerde, en men heeft toen op
dezelve een' houten eereboog opgerigt die 'er nog staat. Het stadje,
dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt,
veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een
soort van laken, dat 'er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.
Het dorpje _Avrolles_, daar wij doorreden, leverde een deerlijk
schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst
afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders,
afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men
gemaakt had met het kanaal van _Bourgondiën_ te graven. Het stadje
_St. Florentin_ op dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de
grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen
en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons
aan St. Florentin, daar na Hertog de la Vrilliere, die 'er Heer van
was, een der verachtelijkste Hovelingen van Lodewijk den XV. Hij kon
zich beroemen van veertig duizend _Lettres de Cachet_ uitgegeven te
hebben; zijn bijzit Sabathier heeft 'er omtrent wel negen en dertig
duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:
Ci git un petit saint [8] qui n'est pas du commun;
Il a porté trois noms, et n'en laissa pas un.
Omstreeks zeven uren kwamen wij te _Tonnère_: heden hadden wij 13
1/2 post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is
schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van
verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een
bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier
geen' grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd
voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar
heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op
een steenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquis de Louvois,
Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onder Lodewijk den XIV,
de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden
hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want
men heeft in _Frankrijk_ in dit saisoen, alle reden, om te vreden te
zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is,
dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet
men hier met het scherpziende oog van eene _Noord-Hollandsche_ vrouw
niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men
word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.
Den 18 dezer begaven wij ons 's morgens om 3 uren weder op reis. Na een
eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de
wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen,
om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende
vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering
vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon
rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer
vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men 'er teelt. Wij zagen hier
en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten
gereisd te hebben, kwamen wij te _Ancy-le-Franc_. Het stadje ziet 'er
ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het
scheen door de omwenteling niet geleden te hebben. Nicolo del Abate,
leerling van Primaticcio, een vermaard schilder ten tijde van François
I, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben
het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier
en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het
huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak 'er ook niet;
het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij
zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien
het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat 'er voorheen
aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs
inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie
van Louvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb,
en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de
laatste vrouw en weduwe is van die Louvois, die te _Parijs_ om zijn
gaauwdievenstreeken bekend was [9]. Dit onder anderen verdient als
een staaltje van het edel gedrag van een voornaam _Fransch_ edelman
aangeteekend te worden. Louvois had geld noodig, zoo als hem wel
eens meêr gebeurde. Juist was de Courtenvaux, zijn oom, van wien hij
moest erven, ziek, hij gaat zijn' dood bekend maaken aan een man,
van wien hij £ 30,000--wilde leenen, voorwendende dat hij dit geld
noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn' staat. Men
belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te
bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem
maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek
zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt
den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat
in de _loge_ [10], trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte
zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en
ieder, die naar den Heer de Courtenvaux vroeg, werd terug gezonden met
deze boodschap: "_Hij is kwartier over tweeën gestorven_." Hier door
bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld,
en 's anderen daags verneemt men, dat de Courtenvaux welvarende was;
en Louvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was,
lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat
hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.--wat zegt gij,
Vriend! zou Cartouche het wel beter hebben kunnen overleggen?
Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en
daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en
onvruchtbaar. Te _Aisy sur Armançon_ zagen wij in het voorbijgaan
de ijzersmelterijen van den vermaarden Buffon. Het ijzer word uit
de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden 's
jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men
verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel
van _Montbar_ op eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich
vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij
moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen,
het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op
den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de
Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in
deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij
was een werkzaam man, zelfs tot op 't laatst van zijn leven, en
niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar
teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig:
zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich
dagelijks het haar in _papillottes_ [11] zetten en branden; veeltijds
liet hij zich tweemaal op een' dag kappen, en was 'er zeer opgesteld,
dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield
zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn'
kapper en anderen alles, wat 'er in _Montbar_ in de huisgezinnen en
onder de ingezetenen omging. De Buffon was een _Franschman_; was hij
een _Hollander_ geweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier
over te verwonderen.
Het kasteel is een oud gebouw, en zag 'er zoo wel als de tuinen en
toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde
Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het
stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het
huis van de Buffon geweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid,
om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier
wegens zijn geaardheid verhaal. d'Aubenton is ook van _Montbar_ [12];
het stadje behoorende tot het Departement _la Côte d'Or_ ziet 'er
niet zeer gunstig uit. Het riviertje de _Brenne_ stroomt 'er door,
en 'er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen,
die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn
ook eenige marmergroeven, en men teelt 'er wijn.
In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten,
bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje
schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een en andermaal,
doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om
mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het
huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren
was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar,
waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en
Stommen te _Parijs_ te bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op
eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden,
en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter
niet gaarne zou verlaten.--Buiten _Montbar_ wordt de landstreek hoe
langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning
op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik
hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het
gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier
als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele
zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In 't voorbijgaan
zagen wij _Semur_, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het
riviertje _d'Armançon_ stroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze
rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men
vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters,
Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet 'er noch al vruchtbaar uit,
en men teelt 'er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden
beplant. Tegen den avond kwamen wij te _Vitteaux_, een stadje tusschen
verscheidene bergen aan het riviertje _de Brenne_ gelegen, waar wij ons
avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men
ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik
doorliep het plaatsje, maar zag 'er niets bijzonders. Heden hadden
wij 9 1/2 post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper
van _Beaune_ liet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze
Herberg nog al wel te vreden.
Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit
scheen het algemeen bepaalde uur. Een' vrij hoogen berg over moetende
(want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op
de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins
hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van
den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om de _Armée de Reserve_,
die hier omstreeks lag, met die van _Italiën_ gemeenschap te doen
hebben: thans maakt men 'er geen gebruik meêr van; van deze plaats,
de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon
een schilderachtig schoon landschap beschijnen.--Een eindweegs verder
zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteel _Sombernon_
voorheen bewoond door de Hertogen van _Bourgondiën_. Onze Rentenier
van _Dyon_ deed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken,
dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen
kant door de _Brenne_ in de _Yonne_ de _Seine_, en vervolgens in den
_Oceäan_; en aan den anderen kant door _de Ouche_ in de _Saone_ in de
_Rhone_ en vervolgens in de _Middellandsche Zee_ loopt. De landstreek
blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar
barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door
de menigte palm en andere struiken, die 'er op groeijen. Hoe meêr
wij _Dyon_ naderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene
eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier
en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die
'er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen
dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de
vruchthof van _Dyon_ en levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop
van _Dyon_ had hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat
het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog
aanzienelijke overblijfsels van dat _Carthuizer_ klooster, om deszelfs
pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard;
en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort
van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en
zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van
de _Fransche_ omwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters
heeft zij het menschdom een' wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg
ziet men een gracht (_canal_) die onvoltooid is gebleven, en die zig
tot een goeden afstand van de stad uitstrekt. Niet verre van _Dyon_
begint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden
wijn _la Côte d'Or_ genaamd wordt; de stad vertoont zich met hare
fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde
aftekening zal 'er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen
'er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen,
en namen onzen intrek in het Hôtel _de la Galère_, nadat wij van onze
vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der
daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral
was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen
te vereenigen: men bespeurde aan hem in 't geheel, die onaangename
gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn;
hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en
kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en
redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het
geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was,
dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang in _Engeland_ had opgehouden,
en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en
vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening
sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige
geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer
gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal.
Zie daar, Vriend! een' vrij langen Brief, in eenen volgenden zal
ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb
aangeteekend, nader onderhouden.--Vaarwel!