De bedevaart van Amarnath.--Het dal van de Lidar.--De pelgrims
uit Indië.--Naar de toppen.--De heilige grot.--In de dholi.--De
goedhars of buffelherders.
Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad
vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel
de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft
de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend
bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst
is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale
bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit
door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige,
vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.
Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die
decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden
pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand
Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de
bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen
en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen,
sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de
natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen
of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn
bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat;
er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en
landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes
van menschelijkheid wenscht te zien.
Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar
toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg
voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen,
terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan
blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik
aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de "gouden weide"
en zelfs boven "het dal der rozen".
Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal
bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met
zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan
volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer
een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en
Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding,
waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.
Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het
opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van
een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen
gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om
Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar
de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om
te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts
brengt.
In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie
notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren
van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen
radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn,
hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar
Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een
zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan
den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden
weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel
meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat,
dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig
gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij
bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te
vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den
meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door
hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.
Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet
en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en
bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren,
melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij
mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had,
hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen
begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.
Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden
de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad
rijst nog vermeerderen. Door de parvana's of orderbrieven, die we te
Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig,
maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat
diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg
voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.
Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen
wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en
den stroom.
Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te
Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de
rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen
in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan
den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het
bestaat uit twee huizen voor de poerohita's en enkele planken hutten
voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god,
waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld
wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen
de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen,
door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat
is Ganesj!
Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op
gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender
wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir
zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen
hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook
van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij
zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj
en sprak: "Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En
als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar;
die rood zal wezen." Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die
waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was
gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van
een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen
van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er
wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De
geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee
aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.
Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen
opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de
tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal
van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en
sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed
van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn
uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage
te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en
Islamabad of Srinagar.
Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote,
met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de
beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar
het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip
voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus
maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.
Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te
vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten
en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en
warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er
nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is
het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar
de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij
zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en
hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed
loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten
druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden
over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten
morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren,
dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van
Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde
ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was
niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning
om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt
hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen
en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander
overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming
heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.
Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag
een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden
genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen
waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen
gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen,
die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen
dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een
kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op
zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer
alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes,
die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën
uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van
brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer
uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met
het vaandel begeeft zich op weg naar Amarnath, waarna alle anderen
volgen.
Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de
rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort
van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit
de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De
eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie
huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer
oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig
uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en
vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van
Pendsjab.
Tannin, 18 Aug.
Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om
uit te blazen en te dineeren. Van Palgam is dit een zware tocht. Wij
zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen
te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten
gras, en eenige kangri's, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen
en een kangri kosten drie anna's of dertig centimes.
Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun
afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij
nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te
leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze 's avonds
zouden gebruiken.
Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling
van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee
uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan
dien weg, en waar niets was te krijgen.
Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom
vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie
verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met
sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever,
naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de
grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse
naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men
een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.
Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee
riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een
boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den
berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf
verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige
bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar
beneden.
Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal,
een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht
oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is
tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der
sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms
waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op
moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze
arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den
last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken,
sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens
was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid
of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.
Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen
heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het
bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide,
die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen
bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de
wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de
hoogten slechts bloeiend voor God.
Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van
breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen,
die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de
rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval
weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend
water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te
houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en
hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.
Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers;
we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig
grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we
hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen,
een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.
Cecha-Nag, 20 Aug.
Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar
niet minder moeilijk. Zoo klimmen wij met een marschdag telkens een
stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van
boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide
jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.
Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen,
die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen
de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag
of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is
met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het
boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de
zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.
Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten;
toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang,
terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in
een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet
gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over
de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen
opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten,
en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof,
waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen
verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den
avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten,
hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle
kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van
de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een
landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen,
als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is,
of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.
Kel-Nar, 21 Aug.
Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt
versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen
toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met
hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen
lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar
Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het
ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders
dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee,
en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat
zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht
tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk
dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.
Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder
was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk
over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, die inderdaad veel
steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere
stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen,
zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke
gletschers boven ons lagen.
Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier
ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen
vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den
kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de
suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot
de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat
de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het
wilden, aan de naga's van de streek ten offer gebracht.
Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den
gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote
Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn
op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen;
de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit
beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij
drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder
pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de
maliks van Bhatkote dan later inzamelen.
Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets
kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas,
tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind,
die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn
of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door
een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs
gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal,
dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water
niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.
De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in
gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden
stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren,
namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in
de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk
en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te
krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien
vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens
hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van
hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen
wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp
was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een
alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een
algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel
wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent
gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten
weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de
steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.
Pandjtarni, 22 Aug.
Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was
er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch
en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het
bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen,
is doodgegaan.
De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen
langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf
keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten,
gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter
eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons
uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is
geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij
klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.
Kort daarna komt men te Pandjtarni. De "vijf stroomen" vloeien in
een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een
tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn
gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te
nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek
waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar
vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die
op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de
lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis
verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof,
die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.
Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De
ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst
waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in
ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden
overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen
ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging
ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf
op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en
rood door de poerohita's, die van twee uur in den namiddag af op hen
wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden
al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei
te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen
hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar
banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen
te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels,
pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in
zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra
de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar
komen ze terug met bundels jeneverbeshout.
Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen
in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds
de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van
den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.
Amarnath, 23 Aug.
Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken
langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter
voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere
verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een
bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant
naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn
godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een
beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden
en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims
volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen
velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening
ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld
is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken,
dat de beschaving vorderingen maakt!
Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een
soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft
niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de
Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen,
die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een
geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen,
en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt,
als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men
ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.
Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de
pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de
geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg
zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die
nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor
één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.
Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet
langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van
de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati
geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu
eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u
kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven
op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard
zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter
halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen
opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer
der Onsterfelijken.
Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus,
vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de
oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon
voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is
zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie
verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de
vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel
van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde
stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten
den kreet: "Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!" Met
dien uitroep stormen ze naar de grot.
Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den
linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een
kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren
hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het
gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen
uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend
op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd,
om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat
water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle
lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.
Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren
bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u
voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine
glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke
voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs
toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel
der pelgrims is geen schaduw van twijfel. Met welk een devotie drukken
ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen
wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene
zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens
houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij,
gewijd door een rhythme van handgeklap.
Onnoodig te zeggen, dat de poerohita's van de party zijn, zij hebben
de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen
en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op
Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om
de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen,
die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men
schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel
door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend
gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er
nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden,
als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder
geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.
Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita's een onnoodige drukte en
duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs,
die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor
in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om
mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme,
oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen
zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een
klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is
voor de poerohita's van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal,
een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben,
en het laatste voor de maliks van Bhatkote.
Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we
weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd
roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt,
en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot
de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden
is aan de Mohammedanen.
Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden
wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige
aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren
ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil
om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het
dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de
heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van
de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen
in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze
elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.
Zoo'n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder
wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.
Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer
gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van
Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen
geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we
niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan
sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop
opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.
Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren
niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even
omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden
wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen
ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen,
waarop ze bij hen zouden wezen.
Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep
ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te
Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot
spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter
werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd
is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van
Amarnath terug in stilte en verlatenheid.
Den 24sten Aug., 's morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien
dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in
zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen
dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte,
die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór
zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij
een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een
soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof
erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al
een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte
inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes,
en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.
Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve
dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over
te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op
eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men
een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen
en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen,
dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het
intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een
beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de
opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt
van Astan Marg.
Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels
gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van
een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde
melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een
groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig
zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik
kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel,
waarin gesmolten boter wordt bewaard en de aarden of bronzen potten,
waarin ze wordt gesmolten.
In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en
naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de
andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde
wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie
nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde
eenvoudigheid van de herderinnetjes.
Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest
van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door
een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van
den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin
Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke
buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van
een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog
twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en
mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer. Vandaag heb ik nog
alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van
den Haramoek te doen.