Tentleven.--De kleine dalen in het Zuid-Oosten.--Geschiedenissen
van dieven en sprookjes.--De ruïnen van Martand.--Brahmanen en
Mollahs.
Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de
samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh,
Arpat en Lidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel
is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog
meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van
gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er
hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan
Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier
herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door
haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land
heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk,
dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij
liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.
Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met
tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows
zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen,
op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats
dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen
liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet
u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen,
als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde
ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van
de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba's genoemd, van
allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes
tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer
decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er
worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk
gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.
Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold,
waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich
met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap
met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte
trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook
wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben
behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote
moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk
gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt
alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden;
het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het
draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in
caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard
wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met
leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor
vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt
op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel
waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien
ponny's, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons
aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote
Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!
Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men
ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park,
dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar
hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder
te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij
bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp,
die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben
gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond
op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast;
voor de etappe van 20 kilometer vier anna's; voor de halve twee anna's,
dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een
goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine
geldstukjes van 2 en 4 anna's meegenomen. Ik liet de koelies op een
rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank
zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was
een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje
in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en
zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven,
tot de beurt aan hen kwam.
Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan
den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot
drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben,
hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen
met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie
watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in
de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes,
die een heerlijke frischheid onderhouden.
Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een
diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige
land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in
Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder
een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen
nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den
anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van
de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie
kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen 's morgens, dat
ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp
stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen,
die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het
schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid
genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij
schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde
ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de
resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb
het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar
elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat
ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te
bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom
van honderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug
te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen
worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel
philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op
mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen
en de politie het verder onder elkander uitmaken.
Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het
Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen
voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons
idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door
het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen
van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de
ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door
den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste
water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den
berg is gevallen.
Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee
dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het
gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden,
door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn
ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op
te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan
die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van
bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn
van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk
bleek zoo'n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen
een weg gebaand.
Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van
Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al
te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder
riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden
van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden
tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote
dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven
kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht
op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de
schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.
De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het
was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag
bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn
liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den,
want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig
hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp
gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op
het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes
te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de
maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand
te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong;
zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later
vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later
in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo'n verrassing,
dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was
de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.
Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de
stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht
op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan
den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar
Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen
bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij
een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig
lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik
te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de
klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood
had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel,
verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de
uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er
veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af
zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of
buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar
op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.
Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van
abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te
brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk
is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In
Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat
ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron
driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het
heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de
komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept:
"Daar is het!" trekt het beleedigde water zich op eens terug,
zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van
Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek
aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het
voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de
omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken,
schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een
veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee,
heeft tot zich zelve gezegd: "In deze eeuw van ijzer zal niemand op
mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden
van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden
geëerd...." En de berekening heeft niet gefaald.
Van Vangam brengt een korte tocht ons naar Koekar-Nag. Maar hier
ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit
oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel,
bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental
bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de
oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen
zich met de hoogere sneeuwballen en rhododendrons. Weer hooger klommen
jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen
boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook
wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger,
geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den
blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven,
want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.
Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen
herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster
achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en
vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het
dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten
toedienen aan den tahsildar of onderprefect van Ver-Nag. De reden was,
dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.
Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den
ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie
een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil
komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat
het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan
we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte
hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken;
het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart
beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild
zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld
en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor
den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok,
om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te
verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was
de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd,
dat al die goden dood waren?
Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een
verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het
smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran
over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een
kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als
scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken
eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende
muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het
smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd
voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.
Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag
liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows
gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in
ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer
en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is
tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe
azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte
gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat
hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude
kluizenaar woont.
Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden
de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was
geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan
demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters
in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter,
die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en
die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en
demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met
hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid
zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude
man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke
gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of
kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend
met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden
winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde
bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien
tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.
Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het
geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en
toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir,
vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het
centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de
grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er
werd ons een kampplaats aangewezen onder notenboomen op een plek,
die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.
Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke
geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men
wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen
een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum
heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is
men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte
niet ontzien.
Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek
het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats
hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch
was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten,
waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een
verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom,
een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en
met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op
prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar
haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud
genoeg zullen wezen, om echt een huishouding te beginnen.
Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in,
ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst,
dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond
worden door Yogini's, half feeën en half toovenaressen; wee hun,
die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op
zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld,
dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling
doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894
vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen,
een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij
bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie
maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen,
toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon
herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel
was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini's van de bergen.
Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het
heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten
wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga
van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode
boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt,
schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens;
een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar
wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst
wordt met bloedige letters aangekondigd.
Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet
men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie
flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik
passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den
oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd,
dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was
gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de
hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden
werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest
besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen
te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door
haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij
hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die
de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze
eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal,
waar wij onze hoofdbagage vonden.
Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door
de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug,
bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt
werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In
Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de
dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de
velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de
maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo
vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.
Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal
jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de
interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument
ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote
plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen
de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen
der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig
en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw
ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte
onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere
tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen,
de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend
in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend
is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de
zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des
avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen,
ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk
wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan
die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie
van zijn geliefde godheid, de zon.
Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan
nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij
er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen
is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, 's
nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen
het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond
stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens
omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon
lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van
zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen,
die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf,
verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden
van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.
In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij
dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij
de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen
tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar
huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten
dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een
weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der
mooiste kampen van Kaschmir betrokken.
Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat
blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen
heuvel vormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt
naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere
water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de
naga, of eigenlijk lieten de beide naga's, naar de brahmanen zeggen,
het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste
een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval
zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks
kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar,
bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die
gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene
licht was ons kamp gevestigd.
Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven
van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats
zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte
bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en
zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden
ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij
dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van
Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya's genoemd
naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de
twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was
van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer,
dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit,
en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat
den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was,
toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken,
en zei tot hen: "Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven;
ik wil er ook een voor mij hebben." Het zou een moeilijk geval hebben
kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den
zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen
slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar
driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt,
dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den
zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan
een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken;
eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde
maand gewijd aan den dienst van de pitri's of vaderen, de overleden
voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig
meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van
die maand is geboren.
Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of
tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita's van
Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der
bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze
reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van
bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in
handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af,
zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.
De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de
Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en
maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.
Maar de poerohita's nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn
er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent
er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven
het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen
per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien,
en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen
wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden
pelgrimstocht af te wachten.
In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien
jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen;
de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij
aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita
was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje
tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld,
en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk
met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize
is de naam poerohita een beleediging.
Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen
hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier
mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den
inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen,
zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan,
waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar
het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven
van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven
maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij
elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic
te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier,
was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen
bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker
en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom
klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en
eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de
waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor
de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.
A propos van poerohita's ben ik te Bhavan getuige geweest van een
amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een
pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje
schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak
neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel,
die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats
toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de
plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met
lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.
Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehier zijn geschiedenis, zooals
de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper,
had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar
afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden,
zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen
ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een
boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij
zich hield.
Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede
brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij
banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman
Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme
brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de
duiventil had toegelaten. Geen zijner collega's wilde meer aan zijn
tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen
waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof
te werpen.
"Gij," zeide hij tot den pandit, "ge zijt een pandit uit de stad, wijs
en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen
en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt." Die
vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn
mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen
met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita's.
Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het
Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties
bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij
mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.
De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van
neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten
dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan
volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort
gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven,
dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen
worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij
was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield,
dat zoo'n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard,
maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie
dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den
gezegenden naam moest herhalen van "Ram! Ram!" waarna hij, gereinigd
door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere
verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken
maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer
zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn
wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de
dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.
Vijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam,
oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de
oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp
in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met
Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van
de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen
van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij
wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun
kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok
af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen,
die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat
meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De
wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de
recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.
De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder
kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil
en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan
staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een
paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder
portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende
uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche
koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het
klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang
van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks
groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens
dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van
groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er
vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na
zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans
en zijn brood gevonden.
Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken
en nog een paar andere; bij de lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren
boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van
een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit,
en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van
den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims
er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest
verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken
van een mohammedaanschen heilige vereert.
Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die
hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer
indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte
ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen,
dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek
uiterlijk hebben, elkander risji's noemen met een titel uit de
oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de
Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van
Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.