De bedevaart naar den Haramoek.--Begrafenis.--Alpinisme
en godsdienstige hydrotherapie.--De tempels van
Vangath.--Herfsthuiveringen.--Afscheid van Srinagar.
De achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada, die in
het jaar 1896 op den 14den September viel, is de groote dag der dooden
voor de kaschmireesche pandits. Maar zij brengen dan niet enkel bloemen
naar een kerkhof, dat meer of minder ver uit de buurt is; ze moeten er
meer dan 4000 meter voor stijgen langs ruwe wegen door verlaten passen
naar een meer, omringd door gletschers en steenachtige hellingen aan
den voet van den reus Haramoek. Daar men liever in de Ganges de asch
stort van de Hindoes uit Indië, wordt die der Brahmanen en Sikhs uit
Kaschmir daar gedeponeerd. Zoo is dan ook het meer bij gebrek aan
beter gekozen als een der bronnen van den grooten, heiligen stroom.
De profanen en de kaarten noemen het Gangabal; de brahmanen zeggen
dood-eenvoudig de Ganga of de Moekoeta Ganga, de Ganga van den
diadeem. Het is bekend, dat de groote rivier vloeit van den haardos van
Siva, en nu is de Haramoek, het enorme rotscomplex, met ijs bedekt,
dat vijf dalen beheerscht en zeven hooge toppen ten hemel heft,
niet anders dan de diadeem en tegelijkertijd de woning van den god.
De pandits beweren, zonder te lachen, dat als men de pradakchina,
dat is de toer rondom het meer, doet in den tijd van droogte, dat men
dan de haren kan zien, waar de bron onder uit vloeit! Als de achtste
dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada na het begin van de
najaarsdagen valt, wordt de plechtigheid van het werpen der asch tot
het volgende jaar uitgesteld. Dat jaar had het weinig gescheeld,
of het feest had niet plaats gehad; het najaar begon den negenden
van de veertien dagen.
In alle huizen waar een doode is geweest, moet een der bloedverwanten,
zoo na mogelijk, de bestijging doen. Die pelgrimstocht van Gangabal
heeft dus een zeer bijzonder plaatselijk karakter. Hier komen geen
pelgrims uit Indië, dat wil dus zeggen, geen sadhoes; enkele Sikhs
uitgezonderd, ziet men er slechts kaschmireesche brahmanen; het is
een ware familiebedevaart.
En het is geen kleine zaak voor de pandits. Men weet, hoe vermakelijk
bang de Kaschmireezen zijn voor de prachtige bergen, te midden waarvan
ze leven en die ze het liefst uit de verte bewonderen. De bandobast is
dan ook een ding van belang, en het schijnt alsof men een poolreis gaat
maken. Er moet een tent worden aangeschaft, dan proviand meegenomen,
kleeren en dekens in overvloed; verder moet men zich voorzien van
suiker, peperkorrels en zure vruchten, alles dingen, die in de vasten
mogen worden gebruikt en die men onderweg neemt, om zich op te monteren
of te verfrisschen, en vooral niet te vergeten, een reukwerk, geknoopt
in een punt van het kleed, om bij wijze van opwekkend zout te ruiken,
als men een aanval krijgt van de bergziekte. Ook is het van groot
belang kangri's bij zich te hebben en een aantal sandalen van poelahor,
die zooveel waard zijn voor het loopen op de gladde hellingen.
Eindelijk moeten er koelies worden gehuurd, om dat alles te vervoeren,
en dan nog de quaestie van de asch. Men ontsluit, om haar mee te nemen,
het kastje boven de deur in den buitenmuur, waarin ze was geborgen
vanaf den dag der verbranding van den doode. Het is de gewoonte,
de enkele overblijfselen van beenderen, die men heeft ingezameld
onder de asch van den brandstapel, in een aarden vaas te bergen,
samen met kleine stukjes van de vijf edele dingen, parel, saffier,
koraal, goud en zilver. Ik heb mij laten vertellen, dat men niet
zooveel asch meenam als wel mogelijk zou zijn, uit vrees er last van
te zullen hebben op de dag van de bedevaart, want de dooden kunnen
den levenden hinder veroorzaken.
Eindelijk, daar zijn onze pandits op weg, niet zonder dat de dragers
van asch eerst in hun huis een eersten lijkdienst hebben gevierd. Die
laatste diensten worden trouwens elken dag van den tocht gehouden,
schenkingen van meelkoeken, water en vruchten aan de geesten der
afgestorvenen. Bij de Ganga moeten allen aan zulk een lijkdienst
deelnemen, en zij, die asch hebben heen te brengen, houden er twee. Wij
haalden te Prang, aan den oever van de Sind, de bonte scharen der
pelgrims in, die aan het ontbijt waren na hun offerande of onder de
boomen lagen te rusten. Er waren daar zeer mooie vrouwen van pandits;
zij gaan inderdaad door voor veel mooier dan haar mohammedaansche
landgenooten, en zonder twijfel terecht. Het is misschien niet te
verwonderen, want het waren juist de hoogste klassen, die zich niet
lieten bekeeren tot het Mohammedanisme.
Bevallig in haar levendig gekleurde kleedjes met wijde mouwen, met
een witten gordel om het middel, en om het hoofd een langen, witten
sluier geslagen, die op de schouders afhing, maakten verscheiden van
haar een bijbelschen indruk. Wat de pandits betreft, de meesten van
hen leggen op reis het witte kleed af, dat er met den gordel als
een soort van toga uitziet en hun werkelijk niet kwaad staat; zij
vervangen het door een costuum, dat veel gelijkt op dat van Kisjtwar,
een buis met een korte broek, en banden om de beenen gebonden. Bijna
alle dragen ook nog een groote jas, gevoerd met een voering van
lamsvel uit Ladakh. Enkele knapen geleken met hun geborduurde mutsen
en gekleurde wambuizen boven de nauwsluitende broeken op pages uit de
middeleeuwen. Anderen hadden het betreurenswaardige denkbeeld gehad,
wonderlijke jassen aan te trekken, meesterstukken van kleermakerskunst
uit de hoofdstad; er waren hemelsblauwe, bruine, groene, zelfs enkele
van zwart fluweel, alle van buiten versierd met zakken als die van
jachtbuizen. Die jeugdige pronkers stellen het jonge Kaschmir voor,
dat zich in alles het engelsche volk heeft ten voorbeeld gesteld;
zij begroeten ons in het Bargoensch, dat ze hebben geleerd op de
school van Srinagar en dat ze nu gebruiken in de hoop, een of ander
postje bij de karavaan te krijgen. Intusschen willen ze den tocht
naar Gangabal niet opgeven. Naast hen vervullen de poerohita's hun
plicht als aalmoezeniers. Verderop zit een groep Sikhs vroolijk te
praten. In hun nabijheid hingen, over de vork van de in den grond
gezette stokken, zakjes van verschillende kleuren, bevattend de asch
van hun dooden. Op die manier voeren ze die naar de Ganga; de pandits
hangen de zakjes gewoonlijk om den hals. Enkele hadden er tot drie of
vier; de verschillende kleuren van de zakjes dienen in zulk een geval,
ze uit elkander te houden, want ze moeten den naam van den ex-eigenaar
van de asch uitspreken bij het in het water strooien. Des avonds werden
overal vuren ontstoken, en het kamp had een zoo feestelijk aanzien,
dat het kwalijk strookte met het plechtige doel van de bedevaart.
Den volgenden morgen ging ieder langs een steenachtig voetpaadje naar
het dal Sjittagroel; de terugweg wordt genomen door het Vangathdal. Te
Sjittagroel wonen de maliks, die, zooals de maliks van Bhatkote voor
Amarnath, zorgen voor het tijdelijk welzijn van deze pelgrims en
daarvoor een kleine vergoeding ontvangen. Er werd gekampeerd in het
open veld aan den voet van den berg; er moesten ongeveer 2000 meter
stijgend worden afgelegd. Een hevig onweer, dat des avonds opkwam,
had de tenten en de menschen doornat gemaakt. Het was omstreeks
middernacht een vreemd gezicht, al die bewegende groepen, half in
de schaduw, half in het flikkerende licht der vuren, hun kleeren
nog gauw op het oogenblik van het vertrek drogend. Daarna ging de
processie in ganzenmarsch langs het pad, enkelen met een harsfakkel
in de hand, anderen met een toorts van berkeschors of zelfs met een
gewoon windlampje.
Zou des nachts de bestijging wat korter lijken? Ik weet het niet;
over dag schijnt ze eindeloos. In eens passeert men alle zônes van
den plantengroei. Eerst stijgt het voetpad door een boschrijk dal
of eigenlijk ravijn tusschen hooge groene wanden van noteboomen,
kastanjes, hazelaars en vijgeboomen. Daarna volgen hellingen met
verspreid staande boomen, meest sparren, half ontworteld door de regens
en zich krampachtig met hun wortels vasthoudend op de schuinten. Dan
krijgen we de lijn van de berken, gevolgd door die van het gras,
waarop de streek van de kale rots volgt.
Men vindt hier ook weer, net als aan den kant van Amarnath, die soort
van reuzendrempels, die naar de hoogvlakten leiden of de margs, en
waar nog alleen enkele zeer hooge toppen boven uitsteken. Maar eerst
krijgen we een kloof met loodrechte rotswanden, waar hier en daar
een plekje gras zich vertoont, zooals aan den rand der klippen aan
zee; dat is de Haph-Nar, kloof der spoken. Daar zouden lang geleden
pelgrims gestorven zijn, die verdwaald waren, en ze waren zoo talrijk,
dat men in de diepte van de sombere kloof meer dan tachtig pond touw
van de heilige koorden der brahmanen heeft gevonden! Iets verder gaat
men door een nauwen doorgang in een rots, en daar staan de maliks,
om van elken voorbijganger eenige stuivers te ontvangen.
Vervolgens is ieder deelnemer verheugd, als men te Brahmasar is
aangekomen, de verlangde plek, waar gerust wordt aan den voet van de
hooge, donkere pyramide van den Haramoek, wiens grootheid over het
geheele laatste deel der reis heeft gewaakt.
Wat leven hier nog een legenden en wat is het volksgeloof nog
levendig! Wie twijfelt, of de top bestaat uit een enkelen steen en
of de aanblik iemand tegen den beet van slangen beveiligt, omdat
een van die dieren den halsband vormt van den god Siva! De top heet
onbeklimbaar. In vroeger tijd had een sadhoe twaalf jaren lang zich
tot taak gesteld, hem te beklimmen, om Siva te zien. Dag op dag steeg
hij langs het rotspad omhoog; de nacht overviel hem onderweg, en des
morgens, als hij ontwaakte, bevond hij zich weer op het punt, van waar
hij den vorigen dag was uitgegaan. Zijn geval is tot een spreekwoord
geworden in Kaschmir; als bijvoorbeeld een kind den eenen dag vergeet,
wat hij den vorigen heeft geleerd, dan is het als de bedelmonnik van
den Haramoek.
Er wordt intusschen verteld, dat eens een schaapherder, die naar
een verloren schaapje van zijn kudde zocht, zich zeer hoog op den
berg waagde. Hij bemerkte in een hol in de rots een man en een vrouw,
die tot de meest geminachte kaste behoorden, bezig een wijfjeshond te
melken, om hun dorst te lesschen. De man vroeg den herder, of hij mee
wilde drinken; maar de blinde Mletsja weigerde en ging voorbij. Toch
had de man nog gelegenheid, hem een droppel melk op het voorhoofd
te strijken. Onder het afdalen ontmoette de herder den sadhoe en
vertelde zijn avontuur. Dadelijk sprong de sadhoe op, likte met zijn
tong den droppel van het voorhoofd des herders en ging heen in blijde
verrukking. Diegenen, die door den Mohammedaan voor landloopers waren
gehouden, waren niemand anders geweest dan Siva en zijn vrouw Parvati.
Zou de god werkelijk dit jaar slecht gehumeurd zijn of is Parvati
jaloersch van al de hulde, die gebracht is aan haar mededingster
van de Ganga? De koelies zijn natuurlijk nog een heel eind achter,
en daar breekt een hevig onweer los met hagel; in een oogenblik is
de grond bedekt met een dikke, witte laag; de donderslagen zijn zoo
hevig, dat het is, of ze ons de bergen op het hoofd willen gooien;
tot overmaat van ramp is een ijzige wind opgestoken en loeit door
den pas. Dat treft niet voor de arme brahmanen, die nog een koud
bad moeten nemen in de Naga, want geen bad, geen verdienste van den
pelgrimstocht. Daarbij zijn ze schrikkelijk bang voor zulke onweêren,
die iemand in een oogwenk voeren uit het klimaat van Indië naar dat
van Lapland, en vooral voor dien wind, die als het wat later in het
seizoen is, wel eens noodlottig wordt voor karavanen, overvallen in
den pas. Allen kruipen samen in de tenten, die al bezet zijn vóór
zij nog goed en wel zijn opgeslagen.
Den volgenden morgen brandde de zon weer, en deed verlangen naar
een weinig schaduw tusschen de kale rotsen, tot er 's avonds weer
kou en onweer volgden. Den dag daarop werd eindelijk het doel der
reis bereikt; men was aan den oever van het meer Gangabal. Maar
de bedevaartgangers zijn daarmee nog niet aan het einde van hun
moeite. Zij hebben evenals te Amarnath hun bijzonderen weg, die langer
en moeilijker is, maar die in hun oogen het voordeel oplevert van hen
drie naga's te doen ontmoeten, waardoor ze de gelegenheid krijgen,
drie koude baden extra te nemen. Werkelijk, ze verdienen al het goede,
dat ze zoo hoog en tegen zooveel inspanning komen zoeken; maar als
al die opeenvolgende koude baden op de nuchtere maag hun van veel
nut zijn bij hun toekomstige wedergeboorte, zal dat, dunkt mij, niet
beletten, dat ze er in dit leven een flinke verkoudheid mee opdoen.
Een weinig boven Brahmasar slaan ze rechtsaf door een rotspoort. Van
de drie naga's, waar die heen leidt, zouden twee geboren zijn uit de
tranen van de schoone Parvati. Dat was in den tijd van haar ijverzucht
op haar mededingster de Ganga, die altijd verdwaalde tusschen de
donkere haren van den god. Siva had het verstandigste gedaan, wat er
in zulke omstandigheden te doen is, hij was weggegaan. Parvati ging
hem toen berouwvol zoeken. Onderweg informeerde ze, of men haar man
niet had zien voorbijgaan; hier kreeg ze een ontkennend antwoord,
en een traan van brandende smart ontvloeide aan haar oogen, ginder
was het antwoord bevestigend, en een traan van zalige vreugde vloot
over haar wangen; en zie, daardoor is nu nog de naga van den eersten
traan warm, terwijl de andere koud is. Wat de derde naga betreft,
haar donkere kleur heeft haar den naam van Kal-Sar bezorgd.
Intusschen stijgen koelies en profane bezoekers tot den berg, die
het dal van Sjittagroel op den achtergrond afsluit ter hoogte van
ongeveer 4000 meter. Ongeduldig om alles te zien, ging ik verder
naar den top, die over de meren uitzicht geeft; van daar was het een
wonderschoon landschap. Onder onze voeten aan den voet van den berg
waren de bekkens van het Noen-Kol te zien, half blauw, half groen,
al naar de diepte van het water; meer naar links zag men de gletschers
boven het Gangadal hangen, en van den eenen naar den anderen vloeide
een zilveren waterval.
Reeds zijn brahmanen en brahminen aan hun gewijde therapie bezig. Het
doodenmeer weerspiegelde kalm den hemel in zijn afwisselende tinten. De
harde rotsen, het koude water, de bevroren sneeuw, alles was in den
zonneschijn van een groote plechtige doodschheid. Eenige panditvrouwen
gingen ons voorbij en vergaten, zich het gelaat te bedekken, en ik zag,
dat haar oogen rood waren van het weenen. Dit is inderdaad de plek
van de scheiding voor goed. Hier worden de laatste lotsbeschikkingen
getroffen van hen, die eens waren, en hier zal het lot worden beslist
van hen, die nu nog zijn de Hindoes van Kaschmir. In een kluit aarde,
genomen van den oever van het meer en in de hand gekneed, neemt men
de vijf heilige zaken mee en de overblijfselen van de verbranding,
en het meer omvat het al. Dat duurt nu al eeuwen zoo, en alle dooden
der aarde zullen het meer niet vullen.
Wij lieten die menschen aan hun gedachten over en aan hun plichten,
die met den dood in verband stonden, en we daalden af naar Vangath
bij de daar opgeslagen tenten aan de grens der berken. Tegenover
ons graasde op een begroeide helling een kudde van wel duizend
schapen. Alsof ze door een onoverwinnelijke macht gedreven werden,
liepen ze steeds voort, alleen onder het gaan nu en dan een grasje
afknabbelend. Velen vormden een lange lijn, waar ze in onafgebroken
rij elkander volgden. Memand wees hun den weg, maar als ze in de
eene richting ver genoeg waren gegaan, stuwden de herders ze in een
andere. En dit ziende, begrijpt men de tochten van de karavanen van
lastschapen, die over de hooge steppen van Midden-Azië trekken, elk
met eenige brokken steenthee op den rug. Ze slapen in de open lucht
aan den voet der rotsen.
De gezinnen der herders slaan een soort van schuilhut op met wat takken
van jeneverbesstruiken, opgehoopt tegen den wind en den regen. In ruil
voor een karig loon belasten ze zich ermee, den geheelen zomer zoo de
schapen van een of meer dorpen te laten grazen. De boeren hebben geen
bijzonder hoog idee van hun eerlijkheid, en meer dan een eigenaar gaat
af en toe eens naar boven, om het aantal zijner schapen te tellen,
onder voorwendsel hun als versnapering een kleinen voorraad zout
te brengen.
Ook van dit punt hadden we het uitzicht op veel bergen, als de
golven van de zee een woelige massa vormend en alle met versche sneeuw
bedekt. De terugweg was over golvende terreinen, daarna volgde een klim
over steile rotsen en ten slotte hadden we een daling over paden, die
duizelingwekkend steil waren en vol steenen. Beneden lagen de rivier,
de tempels, de naga, en een kleine mijl verder het dorp Vangath,
het einde voor dien dag.
De bloedverwanten van de pelgrims kwamen in menigte ze daar opwachten,
beladen met allerlei versterkende en verkwikkende middelen voor de
dapperen, die tot het Gangadal gestegen zijn. Die komen terug, volkomen
kaal geschoren, want dat schrijft de dienst voor, en de mohammedaansche
barbiers zorgen wel, die gelegenheid niet te mankeeren. Om daar op die
enorme hoogten hun kunst uit te oefenen, laten ze zich goed betalen,
tot wel acht anna's toe of tachtig centimes! Alle brahmanen moeten
eraan gelooven, behalve zij, wier vader nog leeft en wier vrouw
zwanger is. Ook degenen, die dooden hebben gebracht naar boven,
worden geschoren.
De tien of twaalf tempels verbergen onder het groen hun schilderachtige
ruïnen bij een bron, die verrassend helder is in haar bed van
steenen. Deze zoo rustige plaatsen waren in den tijd van Avantivarman
het tooneel van een merkwaardige tragedie, die het de moeite waard
is, in de vertaling van Dr. Stein te lezen. Die koning was er eens
zijn godsdienstplichten komen verrichten in den grooten tempel,
dien hij meende te hebben verrijkt met zijn geschenken. Dus was hij
zeer verbaasd, te zien, dat de priesters voor het beeld van den god
niets anders legden dan wat bladeren van oepalakh, een in het wild
groeiende plant, soort van witte Scabiosa, waarvan de Kaschmireezen
de bladeren gekookt eten. De vorst kon niet laten, daar een opmerking
over te maken en de reden te vragen van zooveel zuinigheid. Daarop
wachtten de poerohita's slechts, om te spreken.
Zij vertelden dat een zeker edelman uit de buurt zich op de
gunst van den minister had beroepen, om hun de inkomsten van het
dorp afhandig te maken; daardoor werd de karigheid van hun gave
verklaard en de schrielheid tegenover den god. De koning deed,
alsof hij niets had gehoord en ging weg onder voorwendsel van een
plotselinge ongesteldheid, de plechtigheid onvoltooid latend. Daar
was ieder vol van. Het bericht ervan drong door tot den minister,
die er slechts op uit is, zijn plaats te behouden en zich trachtte
te ontdoen van zulk een dommen gunsteling. Hij liet hem dadelijk het
hoofd afslaan en het onthoofde lichaam in het heldere water van de bron
werpen. Waarna hij kalm naar de gezondheid van den koning kwam vragen,
die volkomen hersteld was. "Nooit," zegt dan de kroniekschrijver,
"heeft men stellig zulk een minister gezien!" Dat kan zijn, en men moet
niet overdrijven; maar al zijn de zeden verzacht, te ontkennen is het
niet, dat er tegenwoordig ook nog ministers zijn, wier portefeuilles
aan hun lijf schijnen vastgelijmd.
De nabijheid van den tempel en het schoone landschap hielden mij
terug. Ik bleef eenige dagen in Vangath, en er was daarbij een
zekere luiheid in mij, die mij weerhield, mij te verwijderen van
die bergen, welker bekoring zeker altijd ieder zal bijblijven, die
eens het gras ervan betreden heeft en de zuivere en lichte lucht
heeft ingeademd. Maar toen kwam de herfst, die zich duidelijk liet
kennen aan de vergulde tint, die zich op de hellingen legde, en door
de sneeuw, die op de toppen viel, door de pikante frischheid van de
morgenlucht en de heldere koude van den maneschijn. En daar kwamen,
bij de eerste herfstverschijnselen, alle herders naar beneden, die
zomerbewoners zijn van de hooge weiden; ze komen met hun gezinnen
en kudden. Elken dag was het een optocht door het kleine dorp van
een schilderachtigen, luidruchtigen troep; en die menschen leken
mij even afhankelijk van de seizoenen, als de vluchten trekvogels,
die boven ons hoofd langs trokken.
Eerst kwamen de Goedjars, want hun buffels verdragen niet goed de
koude, zooals ze trouwens ook niet tegen groote warmte kunnen. Daarom
werden ook de open hutten, waar ze daarboven zich in ophouden, het
eerst verlaten. In zakken hun provisie, boter en kaas, meenemend,
trekken ze voort en drijven hun zware, domme beesten voor zich uit,
die toch zulke teêre gestellen hebben en lastig erop gesteld zijn,
zich in iederen plas op den weg te wentelen. Daarginds naar den kant
van het Zuiden wacht hen de een of andere lage woning met plat dak,
staande in een veld van maïs, zooals wij er zooveel hebben gezien,
toen we naar Kaschmir gingen, op de heuvels langs den weg.
Dan brengen de herders aan de boeren van beneden de schapen terug,
die voor den zomer aan hun hoede waren toevertrouwd. Maar hoevelen
zullen er op het appèl ontbreken, die gerekend zullen worden te zijn
verscheurd door beren of in een afgrond te zijn gevallen, terwijl ze
eenvoudig verkocht zijn, zoo duur mogelijk, aan toevallig voorbijgaande
toeristen? Wie zal het zeggen? Het is het geheim van de marg. Er
zal in de dorpen geschreeuw en getwist zijn naar kaschmireeschen
trant; maar dan zal alles weer stil wezen; de herder zal zijn loon
in graan ontvangen en zal tot het volgend voorjaar ontslagen worden;
en dadelijk nadat hij zijn schaapjes gewasschen, gekamd en geschoren
heeft, zal de boer ze in zijn huis opsluiten, om hem als kachels te
dienen, terwijl hij van de wol zeer warme dekens maakt in den loop
van zijn lange winteravonden.
De nieuwste ontmoeting op weg naar de tempels was die met een
gezelschap babarkans of geitenhoeders. Zij waren echte nomaden
en verschenen in Kaschmir slechts als trekvogels, net als de
zomertoeristen. Ze brengen het koude jaargetijde door op de zuidelijke
hellingen van den Himalaya. Het zijn heel andere personnages dan
de gewone herders. Hun geiten zijn hun eigendom, evenals talrijke
pakpaarden, die hun bagage dragen.
Er wordt verteld van een kreupelen barbakan, die voor zich alleen meer
dan dertien duizend geiten zou bezitten. Hij is dus een croesus voor
dat land, want zijn kudde vertegenwoordigt wel een waarde van 50.000
roepijen. Die geiten zijn zeer groot, en hun huid is zeer gezocht
voor het maken van emmers. De emmers, die voor water worden gebruikt,
worden gelooid aan beide kanten, terwijl de voor proviand gebruikte
aan de binnenzij het haar behouden.
Maar meent niet, dat van dit haar de beroemde shawls worden gemaakt. De
echte Kaschmireesche geit is hier onbekend; die komt slechts voor op
de hooge plateaux van Thibet. Daar alleen laat de goede moeder natuur
onder de vacht van het dier een soort van fijn velletje groeien,
juist als het dons groeit onder de veeren van de eidergans. Van die
wol weefde men de shawls en daarvan worden nu nog de zachte en soepele
stoffen geweven, die pasjminah heten. Er zijn wel pogingen gedaan, om
in Kaschmir de wolgeit te acclimatiseeren; maar hoe streng de winter
er ook zij, hij is niet streng genoeg, om de geit er toe te brengen,
met een zacht wollen laagje den mantel van lange haren te voeren. Dus
natuurlijk komt die wol niet voor bij de geiten van de barbakans,
die den kouden tijd in het warmer Indië doorbrengen.
Om op onze herders terug te komen, er waren wel een twintigtal, mannen,
vrouwen en kinderen. Ze hadden ook een groote wijfjesbuffel bij zich,
wier melk met meelkoeken hun ontbijt vormde. De mannen waren in dekens
gehuld op kaschmireeschen trant; de vrouwen droegen alle een kleed
van blauw katoen met roode streepjes. De wijde broek was nauw aan
de enkels, en een soort van blouse bedekte het bovenlijf. Onder het
kleine mutsje, dat ze droegen, kwam het blonde haar uit en viel in
kleine vlechten op haar schouders. Ze waren niet leelijk met de ovale
gezichten en den fijnen neus, kleinen mond en langwerpige oogen. Deze
nomadenvrouwen dragen de kleine kinderen op den rug en niet op de
heup, zooals de vrouwen in Indië en Kaschmir. Ze hebben een soort
van wieg gevormd van een lap stof, dien ze zich eerst stevig om het
middel binden, waarna ze hem met een eind achterom over den schouder
slaan, zoodat in de holte het kind kan liggen en wat er dan nog over
is van de stof wordt bij wijze van tulband om het hoofd gerold van de
moeder, die daar bovenop een aarden of bronzen vaatwerk zet en vlug,
met de handen vrij, zich over den weg kan bewegen.
Eindelijk moesten wij opbreken als de anderen. In het dal der Sind
kwamen we op den muildierweg, die van Srinagar naar Leh voert, en we
hadden nog interessante ontmoetingen. Het waren brave boeddhisten
uit Ladakh, die naar hun land terugkeerden met hun karavanen van
yaks, beladen met graan, rijst, zout en aardewerk; ook soms waren
het Mohammedanen uit Jarkand op weg naar de indische havens, waar
ze voornemens waren, zich naar Mekka in te schepen. Ze zijn allen
ongeveer gelijk uitgedost, een bonten muts, een mantel met lange mouwen
en laarzen van vilt, terwijl altijd dezelfde kleine gesluierde oogen
knippen in hun gele, platte Mongolengezichten. Al die menschen hebben
haast en gaan in tegengestelde richting, om weg te komen, voordat de
sneeuw de passen onbegaanbaar heeft gemaakt en Kaschmir terugvalt in
zijn lethargische winterrust.
Laten wij dus ook haast maken, om van de laatste mooie dagen te
profiteeren. Ik kon mijn intrek nemen met een paar vrienden in de villa
Sjeik-Safaï-Bagh, eigendom van den radja Amar-Singh, een der broeders
van den koning. Het huis was gebouwd in het midden van een groot park
van amandelboomen op een vrij hoog terras, zoodat wij uitzicht hadden
op het wonderschoone meer van Srinagar; de stedelingen praten altijd
van het Dal, dat is het meer, juist als de Parijzenaars van het Bois,
als ze het Bois de Boulogne bedoelen. Het "Dal" dan was prachtig in
dit herfstlicht. De eilandjes en de beroemde drijvende tuinen, echte
vlotten van bloemen, spiegelden zich in het doorschijnende water,
dat op het klaarst de bosschen, de bergen en den hemel weerkaatst. En
het kader is waard, zoo iets schoons te omvatten; men kan zich geen
grootscher amphitheater van bergen denken dan dat, hetwelk van den
Hariparvat, met zijn fort gekroond, gaat naar den Takht-i-Soeleiman
met zijn tempel, terwijl daarachter de witte kegel van den Haramoek
verrijst.
Alleen de roestkleur der naburige hellingen, de bleekgouden bladeren
der populieren en de dunne streep van sneeuw, die al over de bergen
loopt, als om de vormen beter af te teekenen, doen de nadering van
het slechte jaargetijde vermoeden. Het dal wordt met elken dag mooier,
als om zich in een zekere coquetterie meer te doen regretteeren door
diegenen, die ervan moeten scheiden.
De Bagh van Dilavar-Khan, waar Jacquemont verblijf hield, is veel
dichter bij de stad en er is lang niet zulk een mooi uitzicht,
maar niettemin ben ik er heengegaan als voor een pelgrimstocht. Het
hout der veranda is zeer vermolmd, en de vertrekken zijn niet weinig
vervallen; maar weinige jaren geleden leefde nog een oude bewaker, die
"Sjakaman"-Sahib had gekend en die zich herinnerde, dat hij een lange,
magere man was, die de roepijen met handen vol om zich wierp. Het is
waar, dat op bevel van Randjit-Singh zijn voorraad ervan alle morgens
werd vernieuwd; hij zou met de 1200 francs, die hem vanwege het museum
werden uitgekeerd, niet veel dwaasheden hebben kunnen uithalen. Hij
vertelt in zijn brieven, hoe hij meermalen in Sjeik-Safaï-Bagh, waar
wij verbleven, een weinig rust had gezocht en zijn oogen te gast liet
gaan aan het landschap.
Het lijdt geen twijfel, of wij hebben dat huis teruggevonden, zooals
het in 1831 was; maar het is daarna al gevallen onder het houweel der
sloopers. Een jaar maakt tegenwoordig meer verschil in Kaschmir dan
vroeger een eeuw. Niet alleen bestaat niet meer de aardige baraderi,
maar het bosch van amandelboomen is gekapt en in kleine perceelen
gesplitst, juist als in Europa met parken gebeurt, en er zijn villa's
verrezen, die men voor een seizoen kan huren. De radja Amar-Singh
moet in zulke dingen heel snugger wezen, en hij heeft deze soort van
speculatie niet beneden zich geacht. De plek is er uiterst geschikt
voor, en Bernier had reeds op de aanwezigheid van al die goede dingen
gewezen, als de zuivere lucht, het meer, de eilanden en de nabijheid
der stad, alsook op de vele bronnen en rivieren.
Daar ons huis op de zachte hellingen was gelegen, die naar den
zuidelijken oever voeren, was het uitnemend geschikt voor middelpunt
van uitstapjes naar de prachtige tuinen uit den tijd der Groot-Mogols,
verspreid in den omtrek. Het is bekend, dat die parken opmerkelijk
door hun inrichting aan die van Versailles herinneren, met welke ze
ook in den tijd van den aanleg overeenkomen. Op den westelijken oever
ligt Nasim-Bagh, dat geen terrassen of fonteinen meer heeft, maar waar
het bosch van platanen in volle pracht is. Aan den tegenoverliggenden
kant vindt men Nisjat-Bagh, den tuin der vreugde, waar een witte
italiaansche villa op den steilen oever staat en zich in het heldere
water spiegelt.
En achter het wijde bekken, dat meer dan een mijl lang is, omsluit een
natuurlijk dal de koninklijke residentie Sjahlimar, terwijl aan het
eind van lange meren, met veel watervallen en omringd door prachtige
lanen, het liefde-paleisje van Jehan-Guir en Noer-Mahal nog te midden
van watervallen en fonteinen boven zijn vier op elkander volgende
terrassen de marmeren kolommen van zijn paviljoens verheft. Men moet
bij Bernier de enthousiaste beschrijving lezen van al die pracht,
die nu verbleekt of verdwenen is. Men kan niet dwalen tusschen de
overblijfselen, zonder met weemoed te denken aan de personen, die zijn
heengegaan en die er de volle vreugde van het leven hebben genoten,
bladeren van een anderen zomer, vrouwen van een anderen tijd.
Ook moet men erkennen, dat die keizers en die sultanes zin hadden
voor de natuur en voor levensgenot; er zijn zeker nergens ter wereld
beter plaatsen aan te wijzen voor zulke paleizen en siertuinen, als
daar aan den oever van het groote, heldere, hooggelegen meer, waar men
als tusschen twee hemelen het goede der aardsche dingen genoot. Maar
draag er zorg voor, dat ge u alleen aan deze beschouwing wijdt,
als het seizoen der muskieten er nog niet is of er al is geweest;
dus alleen in de lente of in het najaar moet men gaan. Het zou anders
ook al te heerlijk wezen, en de engelen zouden het paradijs verlaten,
om naar Kaschmir te gaan, als men er in den zomer geen rekening moest
honden met dat duivelsgebroed.
Welk een menigte mooie plekjes en monumenten zouden er nog voor ons
te bezoeken zijn! Indien u de bestijging niet afschrikte, zou daar
vooreerst de tempel zijn boven op den Takht-i-Soeleiman, waar men van
het terras een zoo magnifiek uitzicht heeft op de bochten der rivier;
of wel een boot zou ons op een gemakkelijke manier naar de moskee
van Hazarat-Bal kunnen brengen, waar, naar het heet, een haar van
den baard des Profeten wordt bewaard. Daarom hebben er op bepaalde
tijden groote godsdienstige feesten plaats, en veel handelstransacties
worden afgesloten tusschen de uitoefening der godsdienstplichten,
zoodat het er op sommige tijden overweldigend druk kan zijn. Niet
alleen is het een plaats van samenkomst voor kooplieden, bedelaars
en vrome geloovigen, maar ook de elegante dames uit Srinagar komen
er in al de glorie van haar beste gewaden zich vertoonen.
Zal ik u nog half te water, half over land voeren naar de brahmaansche
of mohammedaansche gebouwen der stad, naar den vergulden tempel
van het koninklijk paleis of naar de moskee van Sjah-Hamadan, te
herkennen aan haar drie boven elkander gelegen daken, en naar het
graf van Zaïn-oel ab-Din, waarboven zich een koepel verheft?
Gaan we te zamen een wandeling doen door de voorsteden aan den
rechteroever tot Jamma-Masjid, en zullen we dan in de portieken en
op de muren der naburige ziarats de oude zuilen en het beeldhouwwerk
gaan zien, dat ontleend is aan antieke hindoesche heiligdommen? Of
willen we tevreden zijn integendeel met den loop der verschillende
kanalen te volgen, die elkaar kruisen als een net van waterstraten
door de stad en dan vooral naar het Markanaal gaan, dat soms zoo
leelijk ruiken kan, maar dat altijd zoo schilderachtig is met de
zware steenen bruggen en de hooge huizen, die er aan staan?
Hoop maar niet, dat ge in Srinagar gemakkelijker dan elders ontkomt
aan den last, dat de hoekjes, die het aardigst en interessantst voor
de oogen zijn, het onaangenaamst zijn voor den neus. Dat is nu eenmaal
zoo in alle antieke steden en het is een fatale wet, maar hygiëne
en schilderachtigheid gaan, helaas, niet gemakkelijk samen. Maar, om
kort te gaan, die uitstapjes worden door iedereen en elken dag gedaan,
en men vindt daarover de uitvoerigste inlichtingen in de reisgidsen.
Een ervaring, die misschien wat zeldzamer was en dus eerder waard
is, meegedeeld te worden, is het bezoek, dat ik gelegenheid had te
brengen in het huis van een groot heer in Kaschmir. Wij waren dien
morgen weer op expeditie uitgetogen, want hoe kan men anders zulk
een tocht noemen, met twee of drie booten, waarbij men naar engelsche
mode een heel eetkamer-ameublement en vaatwerk, proviand en bedienden,
keukenapparaat en een kok meesleept? Het was afgesproken dat wij ons,
om te ontbijten, in het park van dat paleis zouden ophouden, een der
weinige prachttuinen, die nog in Srinagar in wezen zijn gebleven,
en waar men van de Djhilam komt langs een breede, steenen trap.
Toen onze maaltijd was afgeloopen, liet de eigenaar, zeer correct op
zijn Europeesch gekleed tusschen zijn muilen en zijn tulband, ons zelf
zijn bezitting zien. Een monumentale poort, gemaakt naar de afmetingen
van olifanten, en met paviljoens erboven voor de gasten, gaf aan den
straatkant toegang tot een eerste binnenplein; twee groote gebouwen,
door een ander plein gescheiden, en waarvan het meest naar binnen
gelegene het zenana of vrouwenverblijf was, vormden het woonhuis;
wij bezochten het eerste. In de kamers voegden zich ongelukkig bij
de weelde van aziatischen aard in tapijten, divans en geborduurde
kussens, ook canapé's en meubels van slechten engelschen smaak. In
een prachtige hooge zaal, met het plafond gedragen door twee rijen
gebeeldhouwde zuilen, was al dat niet bij elkaar behoorende bijeen,
en op een perzisch tapijt, dat alle verzamelaars zou doen watertanden,
lagen tennisbats. Petroleumlampen stonden naast fijn geciseleerde
bronzen antieke lampjes, en terwijl wij bladerden in perzische
manuscripten, met verrukkelijke miniaturen verlucht, keken ons van
de muren in vergulde lijsten afschuwelijke chromo's aan.
En eindelijk was voor ons de tijd van vertrek gekomen. Onze
doenga's werden losgemaakt en brachten ons met den stroom mee
naar Baramoela, het punt van uitgang van het Dal, zooals we er
ook waren binnengegaan. Zachtjes gleden wij door onder de zeven
bruggen van Srinagar, die in dezen tijd van laag water dubbel hoog
schijnen. Tempels, moskeeën en paleizen gingen aan ons voorbij,
en met diepen weemoed namen we van dat alles afscheid.