Door het "Gelukkige dal" in een doenga.--Roeiers en roeisters.--
Van Baramoela naar Srinagar.--De hoofdstad van Kaschmir.--Een
beetje staathuishoudkunde.--Boven Srinagar.
De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden
puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van
gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen
opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af
en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan
de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje,
dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en
eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den
achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een
ongeloofelijk kleine ruimte.
Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen,
en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele
ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen
smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot,
waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de
tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend,
zonder dat ge u behoeft op te houden.
Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op
watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet,
waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De
mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats
noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar,
al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat
komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water
een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken;
ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji's
kan men toch niet.
De handji's zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien
verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol
in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het
vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote
vrachtbooten af tot de lichte doenga's voor passagiers toe. De handji's
van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad
van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze
zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar
ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft
ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw;
verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en
dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste
kinderen trouwens.
Een heel vertier voor de handji's zijn de kibbelpartijen met collega's
van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk
geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen
van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de
parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel
is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend
toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avond en duurt de
strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over
boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende
den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd,
en de vrouwen trekken weer van leêr.
Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid
van die zoo belasterde handji's. Ik moest uit de vloot van aan den
wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden
aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen
zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over
mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in
dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven
de andere uit: "Kiline, Hazoer, kiline!" Dat is hun manier, om het
engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk
het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een
keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang;
een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.
Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze
als al hun collega's de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht
te babbelen en geen notitie te nemen van mijn "tsjoep! tsjoep!" het
hindoesche woord voor "stilte, stilte!" Er waren ook wel oneenigheden
tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden
mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk,
soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien,
waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de
wederzijdsche minachting te uiten.
Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot,
des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier
glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel
lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het
was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene
oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het
landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze
reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.
Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat
zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls
aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden
de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie,
goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even
goed in Middel-Europa had kunnen liggen.
Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den
horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig
om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een
smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.
Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige
en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden
en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de
kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het
land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.
Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee,
een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen
platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in
kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid
de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet
anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de
lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor
een hoop planken, die liggen te drogen.
Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van
uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat
de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de
palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout
komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg
elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er
gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel
van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de
hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade
aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de
bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op
de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand
en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.
Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te
zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou
men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen,
vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten,
Trapa natans, daar singhara's genoemd, een der voortbrengselen van het
meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs
gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners
ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en
lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de
natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen,
en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche
liederen zeer ver mee.
De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls
bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en
die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze
kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever
trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet,
dat Goelab-Singh in zoo'n storm omkwam.
In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de
groote rivier te bereiken, haastten mijn handji's zich, om langs
den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En
ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm,
sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels
eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje,
en al de handji's gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en
bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden
dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren
tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.
Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den
morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De
gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de
ruïnen van Patan te komen. De doenga's gleden voort over de bloeiende
lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo
doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen
kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen,
die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De
kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig
panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti
en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring
van sneeuwbergen.
Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die
in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in
verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen,
notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd
omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk
zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en
weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun
nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten
gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken,
met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want
de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden
onder die al te dichte bevolking.
Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van
hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en
Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel
is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad
de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een
edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het
plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de
laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren
buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode
meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een
bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.
Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers
vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer
uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt
de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren
is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige
plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje
staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam
in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd
wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er
wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen,
de mahsir genoemd.
Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de
Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en
diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche
tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men
daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het
sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den
achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de
opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat
niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen,
dat is Troon van Salomo.
Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den
stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide
oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin
liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden,
in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de
laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel
omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine
loggia's op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover 's
winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te
vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde
grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.
Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens
bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met
lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote
trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan
de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood
of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden
door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen,
klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den
nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige
fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara's
bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in
de straten van Parijs.
Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj,
nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand,
die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al
die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email,
papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten
van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze
zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan
ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met
hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven,
te leveren aan het einde van het seizoen.
Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd
vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche
bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch
geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij
agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen,
die hun diensten komen aanbieden, kleermakers voor heeren en dames,
schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers,
fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot
teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en,
als het noodig is, ook uw honden.
Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de
dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een
verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks
1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen
was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling
aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen
natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het
nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar
geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder
oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die
oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft
sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken,
waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.
Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de
jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het "Gelukkige
Dal". Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan
alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben
geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde
branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad
te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche
regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land,
voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners,
voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor
het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal
van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens
achthonderd zielen telt.
Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie
werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het
bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen
werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren
en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er
kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan
de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk "The Valley
of Kaschmir", Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de
verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de
nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir,
en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te
doen hebben, dat zoo'n bruuske en radicale verandering in zoo weinig
tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of
mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats,
al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.
Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden,
dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al
een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers,
lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist
noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst,
en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun
overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op
hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen
voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond
beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid
voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven,
en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal
moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.
Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een
roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In
den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om
hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de
stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk
was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren
alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat
of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of
districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer
zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen
werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren
drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs
aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een
mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die
omstandigheden de stedelijke nijverheid een groote vlucht moest nemen,
dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het
niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van
hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.
Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien
en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn
bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn
vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse;
ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert
blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de
andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft
van den Settlement Officer voorwaarden verkregen, beter dan hij ooit
heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet
nog zachtere heeft verkregen.
Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken
niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de
afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden,
toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de
beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn
over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te
behouden en hun belastingen in producten te betalen.
Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie
van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten
houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de
opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen
en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk
gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft
bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het
dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben
het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.
Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden,
zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen
examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van
overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen
ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence
hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de
verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed-
of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.
Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit
Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet
vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting
in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de
groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891
besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar,
dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog
weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden
koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de
helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.
Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter
geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke
duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een
derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.
Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer
Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De
grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in
Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En
dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren,
hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der
engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als
een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van
het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat
is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.
De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in
Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te
wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg,
om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou
het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den
wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De
handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde
bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van
inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen
en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren
voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den
bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls
brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel
als vergoeding gelden.
Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën
kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche
bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en
die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij
gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men
moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din
in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde,
toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge
van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met
koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie
van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën,
oudtijds in Hindostan wereldberoemd.
Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste
is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den
pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een
parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als
het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte
wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen
voor de bedienden in de afgelegen dorpen, waar men veel moeite heeft om
de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.
De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari
te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te
jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal
verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever
vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn
op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris
van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden,
die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen,
maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars
en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel
als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis
van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo
zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder
te begrijpen, is evengoed als niet te zien.
Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half
Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt
de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is
het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.
Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den
Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de
shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad,
indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der
bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn
niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat
nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het
water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen,
die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden
beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar
eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang,
maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar
dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik
ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.
Toen het beest door stokslagen van de handji's gedood was, vroeg ik
den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was,
en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de
kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn
neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het
een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken
zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm-
en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod
beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op
een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus
moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon
onderscheiden. "Zoolang u dien kunt zien," voegde de pandit erbij,
"kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar..." Ik zal toch
maar in elk geval op mijn hoede zijn.
Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel,
een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal
bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is
een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met
zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende
beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak
met het beste brood kunnen wedijveren.
Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de
belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging
het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van
Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens
u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven,
een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan
betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der
hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen
van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.
Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet
minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de
Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat
zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa
duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal
liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn
werk maar ten halve heeft verricht.
Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten,
en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het
smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan
bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in
een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren
noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het
verlies op een zesde van den oogst. De naga's hadden toen wel dorst,
en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.
Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar
in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der
merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der
oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas,
en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge
Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed
maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong
meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij
werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet
anders gebruikte dan lotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven,
noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te
drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna
hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hem te zeggen,
hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar
zoo armoedig had.
Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig
wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten,
dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar
moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in
het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water
druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den
jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde,
dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook
behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer
zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.
Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo
streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den
nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden
de naga's er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen
van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den
vader van zoo'n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om
eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet
te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard
er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer,
en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den
brahmaan zijn dochter tot vrouw.
De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten
duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard,
dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die
er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen,
om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden
liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden
en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand,
die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik
wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst,
maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar
van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en
stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.
Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten
zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn
schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in
minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij
den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin
in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid
terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.
Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp
Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen
Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste
afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie
mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede
ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met
oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug
onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt
uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er
het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel
in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden
maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal
voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati's, een soort
van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg
om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.
Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende
blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene,
zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om
eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid,
die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en
zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van
den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk
is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende
kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden
baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt
hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht,
onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam
niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar
Diogenes gedoopt.
Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide
oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht
toe. Dat is het oogenblik voor de handji's om hun schutspatroon aan te
roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een
gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend,
de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het
kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze,
nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.
Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het
schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten
voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld
die van een heer, verklarend de boot te verlaten, "omdat hij niet
langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman
altijd paardewerk moet verrichten". Wij voegden onze onderteekeningen
bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden,
het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen
in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden
trouwen dienst.