Van Parijs naar Srinagar.--Van Bombay naar Lahore.--Eerste
toebereidselen.--Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.--De
bewoners van Kaschmir en hun heerschers.--Terugkeer tot het
nomadenleven.
Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze
aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er
geen spijt van hebben. De "season" is er alleraardigst. Men vindt er
van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen
en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland,
bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in
de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te
komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw
eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend
of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige
afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen
en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het
leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig
veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar
dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.
Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze
aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die
eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig
hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven,
zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.
Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd
en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u
voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries
Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay
brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat
er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig
minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den
tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo
vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar
wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier
rijtuig 130.
Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest,
zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart
te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend
vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een
bezoek te brengen aan Ahmedabad en zijn moskeeën; aan den berg Aboe en
zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad
Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude
verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal,
zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is
opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden,
omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier
de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de
omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt,
denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van
Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden
koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk
hij te Lahore aankomt.
En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de
schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar,
de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met
prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd
der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen
van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige,
na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van
Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen
doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.
Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam
beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd,
toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een
enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in
de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch
was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal
Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij
wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij
gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in
den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift:
"Marie Allard, zes maanden."
Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis
als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te
schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat "Zwitsersch huisje"
heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen,
waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels,
die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei,
liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in
elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen
en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk
onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en
ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een
deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.
Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die
onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst
verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden
van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene
zal dienst moeten doen als _khitmatgar_ of kamerdienaar, de ander
zal _khansama_ of kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van
twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men
hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten
zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare
personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de
bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters
wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte
zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg
best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.
In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele
uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten
ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook
inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren
waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen,
dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een
half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen
vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar
het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.
Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken
morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan
de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den
dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als
hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende
bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner
waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt
voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af,
dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij
gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het
ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd,
half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden;
hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de
tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich
als een karavaanbestuurder, en de goede Kaschmireezen, die door mijn
bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger
hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan,
dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem
gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!
Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar
ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan;
ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de
khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich
amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw
en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle
veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij
slechts eenmaal een halven dag verlof gevraagd, en dat was te Lahore,
om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood,
protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen,
om mij mijn ontbijt voor te zetten.
Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen,
dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en
altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed
bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur,
dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin
de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen,
bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu
van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den
eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje
kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters
paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk
gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had
voor fijne onderscheidingen.
Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit,
want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich
ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog
in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het
souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit
uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar
geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van
het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er
zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om
zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken
zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.
Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van
"french dastoer" zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de
eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel
van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze
kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het
eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich
op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van
een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel
nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien
roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager
behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher
van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben
bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun
dienst gebonden. Verder zal er nog een "huisknecht" moeten wezen, een
man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen
en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen,
dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan,
vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok
van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het
hout, dat de "huisknecht" hem heeft aangebracht, om u een kopje thee
te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten
brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput,
deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.
Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil
overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls
door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven
en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit,
dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de
metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende
is en dat hij u de rest schenkt.
Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij
zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in
den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die
exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal
Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed,
vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy,
transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in
het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein
rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met
een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats
aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers
en kisten komen gewoonlijk in ekka's achteraan, dat zijn vernuftig
ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal
Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met
den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men
laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.
Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder
het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door
de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te
overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De
eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al
spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten
achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche
lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt,
al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich
sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken
de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en
bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste
halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede
staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom
gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan
te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren
en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.
Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden
hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels,
villa's in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters
en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde
vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde
toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voelt
zijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya
komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog
meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka's.
Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege
de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar
we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den
weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer
verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na
voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We
hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in
den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede
pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch,
met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder
dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder
tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de
koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken;
plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen
aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd,
zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en
bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er
van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die
haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij
hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou
niets liever, en terwijl men een van zijn collega's bracht, die minder
slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was
afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in
den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.
Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der
Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede,
witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een
woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de
rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir
zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden
op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De
ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen,
vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde
van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en
Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der
rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren
en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den
maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren
te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven
van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.
De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde
dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt
onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het
geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in
het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of
nalla's waren te passeeren. Gewoonlijk waren het liefelijke dalen,
waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die
alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug,
die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt
en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs
wordt hersteld.
Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den
aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt
juist zoo'n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men
werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei
hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van
den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga
er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen
kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt:
"Khabardar! Pas op!" en klaar is Kees.
Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat
Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de
gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen
te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt
op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder
leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch
zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich
te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg,
om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou
storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden
rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter
kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij
uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr,
geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de
doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor,
en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door,
die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.
Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil
houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige
van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende
voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen
van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij
uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en
zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den
liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc,
te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk,
maar spaarzaam gemeubeld.
Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich
weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga
bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het
Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af
te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de
touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter
breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door
een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen
oever worden die stellages verbonden door twee touwen van lederen
riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan
de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie
touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm
van een V, geplaatst op drie meters van elkander.
Op zoo'n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen
gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij,
die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen
en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen
gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee
anna's de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en
diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder
dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules,
een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst
op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst
samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist
zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden
het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een
decoratie in het landschap schijnen neergezet.
Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op
hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men
maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook
van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te
vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka's, met ossenkarren of
lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken
alsof ze paternosters prevelden.
Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda's op de
platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met
grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige
vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de
drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder
een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de
tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op
den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch
kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.
Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt
alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen
en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds
te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van
Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat
midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat
die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen,
die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig
geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij
nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het "gelukkige dal"
en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg
voor het water van het dal.
Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus
loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal
pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot
den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar
werd eerst in 1897 opgeleverd.
In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent
en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde
in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude
hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad
geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de
ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als
steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door
Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij
ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen
naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van
Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door,
maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier
gaat en blaas een weinig uit.
Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de
eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst
geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de
openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen
in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben
overschreden. Wij zullen er even rondzien.
Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen
en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een
wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te
zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier
van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station
van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder
dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.
De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen
wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet
als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek
met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig
zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf
waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers
waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid
niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.
Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen
toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden
dan zichzelven.
Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid,
beweren dat hun lang kleed, 't welk hun nationaal costuum is, hun
door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te
verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij,
die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri
is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en
gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een
beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw
altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittend door, houdt
de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige
brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak
aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan
het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt,
en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude
kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir,
waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat
ze broeken droegen.
Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en
kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit
Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren
de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch
tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes
of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst;
van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer
dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de
verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt,
dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de
veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en
niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en
de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den
nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen
hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen
nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.
De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven
wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze
alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam,
en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den
naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid
zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al
verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde,
dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun
muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze
op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband,
en aan de sjerp om hun schouders.
Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal
het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst
eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die
opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals
men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den
rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de
elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke
vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de
kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een
honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij
had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van
Randjit-Singh, de Radjpoeti's van Goelab-Singh ... en de Engelschen
van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er
ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.
Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het
onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar
niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden
gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had
onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit
den stam der Dogra's, die door de gunst van Randjit-Singh het tot
radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette
de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh
leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt,
den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij
er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen,
Kitsjwar, Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim
zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk
staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den
maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele
bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de
Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh
roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen
in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste
nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure
bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een
meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst
van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.
Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke
voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had
doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan
onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet
daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh
af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen
die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab
definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een
bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een,
dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.
Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in
het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding
van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in
een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets
van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet
vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië,
zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische
voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de
eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid
van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij,
waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch
tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat
sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven,
koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de
voldoening, uiting te kunnen geven aan dat instinct van vagabondage,
dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het
teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden
der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem
van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik
bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.
Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de
winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi's,
alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar
beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der
vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van
de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch
voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die
zich schadeloos stellen door massa's corned beef te verorberen. Het
verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende
Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood
werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf
van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het
land zou worden gezet.
Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig
is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor
u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal
uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch,
sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den
bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de
markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier
van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er
nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.
Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen
stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij
gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond
boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch
ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen
en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap
kon krijgen.
Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet
vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het
best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren
de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat
veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt
geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der
residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor
Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard
aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de
Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van
het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het
koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te
krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga's worden genoemd;
die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste
uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is,
kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de
interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft
gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken,
verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil
niet kwaad van een tonga tegen een doenga.