VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De binnengetredene was eene vrouw, over wie de historie een stilzwijgen

bewaart, te onverschoonbaarder, omdat wij van beroemde personen zoo

gaarne willen weten, wat van beruchte zoo vaak tot in de nietigste

détails is geboekt. Die historie zegt, dat zij was de weduwe van

Nanning Borst, de dochter van Simon Hasselaar: dat zij Kenau heette,

van deftige familie, zes en veertig jaren oud en, in het beleg,

aanvoerster was van driehonderd vrouwen; dat zij een broeder had,

Dirk Simons Hasselaar, den vader van onzen vaandrig; dan voegt zij

er nog bij--als bleek dit niet reeds--dat Kenau van dien vendrig de

moei was, wij zouden tante zeggen, en als die historie gezegd heeft,

dat de prins haar beloonde met een ambt, dan zwijgt zij, als uit vrees,

zich te zullen verspreken.

Wij beklagen ons dus de moeite niet, die ons nog dit deed

uitvorschen. In eene thesauriers-rekening van 1596 vinden wij dat:

»aan oude Guurt, Grietje en jonge Guurt, Nannings dochters, gezusters

en kinderen van zaliger Kenau Sijmons dochter« eene som van driehonderd

en tien gulden betaald werd wegens in het beleg door Kenau geleverde

balken en kromhout tot het maken van eene galei. Hierover ontstond

later een proces. Een jaar voor de belegering toch had Kenau van den

kapelaan der kapel aan de Lange-brug eene som van tweehonderd vijftig

gulden opgenomen en daarvoor een schuldbrief geteekend. De regeering

vermeenende, dat het geleverde hout door den lande moest worden

betaald, gaf haar den schuldbrief van den kapelaan in mindering harer

pretensie terug. Later, na de overgave der stad, weigerde men daarin te

berusten; men vervolgde haar, en vandaar dat onaangename pleitgeding

na de wederovergaaf der stad aan Oranje, waaruit echter blijkt,

dat de heldin drie dochters had en in de Spaarnwouderstraat woonde,

waar haar overleden man scheepsmaker was en misschien een zaagmolen

en houtkooperij had, zoodat Kenau na zijn dood, waarschijnlijk in

minder gunstige omstandigheden, den handel in scheepshout voortzette.

Maar slaan wij een blik op haar, zooals zij met hare dochter Guurtje

zich in de woning vertoont van burgemeester Van der Laan. Hare

kleeding staaft zoowel als haar voorkomen haren leeftijd en deftigen

burgerstand. Het is die eenvoudige gladde muts met lange neerhangende

slippen, niet ongelijk aan de maan in haar eerste kwartier; het is

het lange bruin-fluweelen tot boven toe engsluitend kleed zonder

sieraad. Een geborduurde halskraag, met een sierlijk kantje omplooid,

kan de eenige tooi genoemd worden; geen andere belemmert de vrije

beweging, geen kleedingstuk hindert het buigzame van houding of

gestalte. En welk eene gestalte! die van den man, welke fier en

rechtstandig aantreedt tot het pleit van vrijheid en recht.--Zien

wij onjuist, als wij haar rechteroog iets kleiner, hare zwarte

rechterwenkbrauw iets minder vol en gewelfd noemen dan de andere? Maar

in die gitzwarte oogen ligt zooveel uitdrukking, zooveel fierheid,

getemperd door goedheid. De breede, een weinig ingetogen neus is,

zoowel als de mond, min behagelijk; toch heeft die mond twee rijen

parelwitte tanden en er speelt een glimlach rond, die aantrekt, die tot

vertrouwen noopt. Haar gewelfd voorhoofd behoeft dat tweetal plooien

niet om er kracht, oordeel, ondernemenden geest op te lezen, om reeds

bij den eersten aanblik te durven bepalen: »in die ziel woont besef

van eigenwaarde met blanke oprechtheid, stoutheid en onwrikbaarheid

met diep gevoel; die volle rijpe zomerblos van het gelaat belooft

eene rijke vrucht.--Die vrouw heeft den moed van een held!«--

Niet zoodra had Van der Laan voor Kenau en hare oudste dochter eene

buiging gemaakt, en niet zoodra hadden beiden de aanwezige personen

gegroet, of Kenau wendde zich tot den burgemeester:

--»Achtbare heere!« sprak zij met eene vrijmoedige, heldere stem,

»wel nooit was er grooter aanleiding dan in deze dagen om u Gods

meesten zegen toe te bidden. De Heer were dan van uw huis af alle

tegenspoed en kwalijkvaart. Hij omgorde u met kracht en wijsheid om te

torschen uwen zwaren last. Hij doe u zien in de schemering rondom ons,

tot al wat oorbaar is: en mocht die schemering overgaan in donkerder

nacht, dat de Heer u dan geve nog grooter moed en volharding voor

den godsdienst en de vrijheid, opdat het dan licht worde voor ons

allen. Zoo doe de Heer, en dat zal welgedaan zijn!«

--»Heb dank, mejuffer en vriendin!« antwoordde de burgemeester op

denzelfden plechtigen toon. »Voorzeker! zonder die alvermogende

macht zou het hooge laatdunkendheid wezen, het gebeukte schip naar

veiligheids reede te willen brengen. Ik weet het, uw mond is vreemd van

te vleien, en daarom verheugt het mij bovenmate, dat gij spreekt van

't geen mij vervult. Vrijheid, vaderland en godsdienst--die willen

wij voorstaan en schragen. Hoor ook mijne bede voor uw heil en voor

allen, die u lief zijn; en dat bidde ik u bovenal op dezen dag van

het jaar toe, nu ons zwarte wolken boven 't hoofd hangen. Toegenegene

vriendin! dat bidde ik u krachtiger toe en vuriger dan ooit.«

Nu richtte Kenau ook het woord tot Agatha en hare dochters; en

geestdrift en warm gevoel blonken in haar oog en zij sprak met zooveel

hartelijkheid en in al hare woorden lag zooveel kracht en overtuiging,

dat Brederode, die haar nog nooit had hooren spreken, ieder woord

van hare lippen opving en zachtkens tot Van Duivenvoorde zeide:

--»Waarachtig! die vrouw heeft meer moed in 't hart dan menig man.«

--»Dat zou blijken als de gelegenheid zich opdeed,« antwoordde Van

Duivenvoorde. »Zij is eene vrouw van hooge tegenwoordigheid van geest,

en niet schuw om de hand uit te steken, als het nuttig en noodig is.«

Intusschen hadden Kenau en hare dochter Guurtje, na ook tot

de gezamenlijke personen het woord te hebben gericht, plaats

genomen. Maria schonk uit de sierlijke citroenkleurige kan, in vorm

niet ongelijk aan de Jacoba-kannetjes, een glas kruiderwijn en uit eene

andere kan een kleinen kroes mee, dien zij ook Kenau aanbood, terwijl

het gesprek, door hare komst afgebroken, spoedig weder algemeen werd.

Juist was men bezig met het bezichtigen der twee zilveren penningen

van zestien en twee en dertig stuivers, die onlangs geslagen en

met Haarlems wapen voorzien waren; juist sprak Matthijszen over

de tot versterking toegezondene Waalsche hoplieden Couzin en Vimi,

toen kapitein Gerrit van der Laan het vertrek binnentrad, en na het

gezelschap beleefdelijk gegroet te hebben, zeide:

--»De vijand brouwt weer iets; ten minste ik heb zoo flus eenige hunner

hoplieden van heel dicht naar de Kruispoort zien gluren, mogelijk wel

om nog sterker schansen op te werpen en daarna den storm te hervatten.«

--»Stormen?....« zeide Lancelot, »mij dunkt, zij zullen dit nog wel

eene wijl verschuiven; zij moeten aan geen storm kunnen denken zonder

bibberig te wezen, als iemand wien eene koorts op het lijf valt. Zou

dan de derde Zaterdag van December al zoo ras uit hun geheugen

wezen? Maar 't is mogelijk; er zijn kerels onder, die durven, al

gaapten er vuurspoken links en rechts. Intusschen, hopman, hebt gij

er bericht van gebracht aan heer Ripperda?«

--»Op den voet, overste!« antwoordde Van der Laan, »en kapitein Vimi

heeft zoolang mijne plaats ingenomen; want ik hunkerde, om ook eens

vluchtig herwaarts te komen, wel wetende, hoe een ieder tijdingziek

is naar hetgeen de wallen belangt. Onder hen, die naar de Kruispoort

loerden, meent hopman Steenbach, dat hij ook Romero gezien heeft met

een witten doek om het hoofd.«

--»Die Romero moet een kerel wezen van ijzer en staal,« zeide

Lancelot. »Stellig is hem een oog uitgeschoten,--en nu al weer op den

loer! Die beul van Naarden. De hoogste eer voor wie hem de hersenpan

breekt!«

--»Maar hooger eer voor wien het zou gelukken, vrouwe Van Duivenvoorde

te bevrijden,« zeide Kenau, een doordringend en toch meewarig oog op

den kolonel slaande. »Gij verheelt het, mijnheer, door een kalm gelaat

te vertoonen: maar uw hart is vol kommer en bekneld. Voorwaar! als

bijzondere ramp kon ook geen zwaarder u treffen. Dat bidde ik, dat

de Heer haar voor u redde.«

--»Uit het oog van Van Duivenvoorde's nicht--de vrouw van burgemeester

Van Vliet--sprong bij deze woorden een traan, en die traan was de

eerste niet; want zij dacht weder levendiger aan het bange lot harer

moei; zij was weder levendiger bij de drie kinderen, wellicht voor

altijd van hunne moeder beroofd, zonder dat ze bewustheid hadden

van de ontzettende toekomst, welke aan die moeder boven het hoofd

hing. En onder al die aanwezigen heerschte eenige oogenblikken een

somber zwijgen; want allen gevoelden, weer inniger Van Duivenvoorde's

pijnlijk lot.

--»'t Is waar,« zeide deze, »mijne trekken verraden niet, mejuffer,

hetgeen waarvan uw mond spreekt; en dat zullen zij nimmer; want daartoe

doe ik mijne ziel geweld aan, en dat moet, dat wil ik. Geen soldenier

moet op mijn aangezicht gissen, waar mijne ziel vol van is, vol,

nacht en dag, onder slapen en waken, op de wallen en in mijn huis;

en rusteloos peins ik op middelen, om haar te bevrijden. Dat middel

vind ik nochtans niet.«

--»List zou hier vermogender kunnen zijn dan geweld,« sprak

Kenau, welke de teedere snaar niet aangeroerd had, om ze weder

oogenblikkelijk in rust te laten--die niet had willen wonden, zonder

misschien ook een middel tot heeling aan te bieden, »List is soms

de strik, die den tijger in zijne sprongen verwart: maar zoo list

mislukte--zou mijn heere Ripperda dan niet tot een forschen uitval

kunnen besluiten? Wellicht ware dan de kans groot om van den vijand in

handen te krijgen, wat bij hem in waarde zou opwegen tegen haar. Dat

kon dan eene uitwisseling geven, waardoor de grieve van uw gemoed

zou geheeld worden.«

--»Daaraan dacht ook ik reeds,« zeide Van Duivenvoorde, »maar ik heb

die gedachten van mij gejaagd; want om mijn eigen gemoed te heelen,

vermag ik anderen niet bloot te stellen aan 's vijands overmacht. Weet

uw brein echter eene list uit te denken, waardoor ik niemand waag

dan mij zelven, voorzeker, dan zou ik dat ijlings aangrijpen, en mijn

dank jegens u zou zonder peil wezen.«

--»Meer dan eens heb ik daarop reeds gepeinsd, heer!« antwoordde Kenau,

»maar schoon men aan de vrouw daarin den roem geeft, heb ik evenwel

niets kunnen uitdenken; want groote hinderpalen gaan er mede aan de

hand. Maar wat ik niet bepeins met schroom of angst, is daarin gelegen:

zoo het aantal mannen ontbreekt, om met verwachting op goed gevolg,

een uitval te wagen, dan verpand ik mijn leven, dat in Haarlem nog

moedige vrouwen zijn, om hen te schragen, en hetzij de nood prangt,

hetzij één dam te meer den stroom zou kunnen tegenhouden, dan wil

Kenau Hasselaar, deze dam zijn--iederen dag, ieder uur.«

En terwijl die vrouw deze woorden sprak, scheen de heilige, op haar

gelaat zoo zichtbare geestdrift nog voedsel te krijgen, evenals de

geurige vlam op het altaar, wanneer de koorknaap nieuwen wierook in

de schaal werpt. Allen, die rondom haar zaten of stonden, hielden

vast en onbeweeglijk de oogen op haar gericht; doch nauwelijks had

zij gezwegen, of Matthijszen, het woord opnemende, zeide:

--»Schoon men in gansch Haarlem vrouw noch maagd vond, geneigd om dat

zelfde spoor op te streven, mejuffer, dan gewis zou uw woord alleen

daartoe krachtig genoeg wezen. Voorwaar, kolonel!« vervolgde hij,

zich tot Van Duivenvoorde wendende, »een wel aangelegde uitval kon

met goed gevolg worden bekroond, zonder dat wij daartoe eene moedige

vrouwenschaar behoefden, op welke wij nu reeds kunnen bouwen, als de

nood het eenmaal eischt. En zoo het wagen van dergelijken uitval haar

kon bevrijden, die u zoo nauw aan 't gemoed ligt, dan is mijn zwakke

arm van stonde aan tot uwen dienst.«--

--»En de mijne, dat zweer ik,« zeide Lancelot van Brederode; »zoeken

wij Spaansch gespuis in handen te krijgen, dat wij van de galg willen

sparen, om het tot losprijs te doen strekken van een overwaardig

kleinood.«

--»Ook ik ben de man, op wien gij in deze zaak rekenen kunt,«

zeide Vader, terwijl hij Van Duivenvoorde met Duitsche rondheid en

hartelijkheid de hand bood.

--»Ook ik,« liet hopman Van der Laan hooren, »en zoo God het dan

wil, streven wij een tweevoudig doel tegemoet, de afbreuk van onze

vijanden en het herwinnen van zoo waard een pand: maar niets zonder

onzen heere Ripperda; niets zonder wijs beraad; dit staat vooraan.«

--»Gewis,« hernam Matthijszen, »niets zonder Ripperda; want wie eer en

roem wint, doch plicht slippen laat, dien is niets ten deele gevallen,

waar hij op roemen mag.«

--»En wat mij belangt,« zeide burgemeester Kies, »ik ben een man,

aan wien het vreemd is, wapenen te voeren; maar het faalt mij noch

aan moed daartoe, noch aan den wil om u dienstig te wezen. Reken dus

ook op mij.«

Nu wilde ook burgemeester Van der Laan spreken, hetzij in den geest

der overigen, hetzij door eenig ander voorstel: doch Van Duivenvoorde

zijn doel radende, voorkwam hem en zeide:

--»Hebt grooten dank, mijne heeren, allen, voor uw dienstaanbod;

het vervult mij met vreugde en aandoening, omdat het mij blijkt,

hoe vele harten van vriendschap voor mij gloeien. Maar nimmer zal

ik toestemmen--dat is mijn besluit na koel beraad en overleg--dat

Haarlems burgers zich voor mij in den dood wagen. Spaar dus een verzoek

aan mijnen heere Ripperda, waar ik mij met kracht tegen verzetten

zou. Voor mijn bijzonder leed wage niemand zijn leven, zoo nuttig

en noodig voor het algemeene heil. Dat verzoek ik u ernstig, mijne

vrienden, en reikt mij de hand, ten teeken, dat gij alzoo doen zult.«

--»Zoo waarachtig als ik leef, daartoe zal ik de hand niet

uitstrekken,« zeide Brederode; »maar zooveel te krachtiger tegen het

Spaansch gebroed.«

--»Hoe, kolonel! gij slaat die hulpaanbieding van de hand?« vroeg

Matthijszen, »beraad u wel; want gij kondt er te eeniger tijd berouw

van hebben.«

--»Kies het beste,« sprak nu ook burgemeester Kies, »te meer, gij

zoudt niet aarzelen of schromen, insgelijks zoo te doen, wanneer een

uwer vrienden in uw leed was.«

--»Dat kon zijn,« antwoordde Van Duivenvoorde, »maar mijn besluit is

vast, nooit te zullen gedoogen, dat velen den vijand tegemoet gaan,

ter liefde van mij; want dit toch staat bijkans zeker, dat geen der

Spaansche aanvoerders onze buit wezen zal, zonder dat het bloed kost

van een der onzen, en voor dien prijs wenschte ik het dierbaarste

van mijn leven niet terug, neen dit kan, dit mag ik nooit.«

--»Dat doet uw edelmoedig hart eer aan,« zeide burgemeester Van

der Laan, »geen heil of welvaart tot onheil of kwalijkvaart van

den broeder: dat is de leer van den godsdienst, en schoon is het,

als de krijgsman zich dekt met het schild van 't geloof. Zoo gij dus

hooger kondt rijzen in mijn goeden dunk jegens u, dan is dit thans

geschied. Gewis, zoolang het Haarlem niet faalt aan mannen van zoo

kloeken trouwen geest,--zoolang Haarlem zelfs vrouwen heeft,« en

hij sloeg den blik op Kenau, »bereid, den vijand te weerstaan of te

bestoken, dan zal, onder Gods hulp, Haarlems vrijheid worden gewrocht.«

--»Ja,« zeide Kenau, terwijl zij nu van haren stoel opstond en in blik

en houding nog meer fierheid vertoonde, »wat ik sprak, was de taal

van mijn gemoed. Als de nood prangt en overmacht dreigt, de stad te

overweldigen, dan grijpen ook vrouwen het zwaard aan, dan tracht ook

ik het jok af te schudden; en mijne stem zal dan niet ijdel klinken;

dat lees ik reeds nu in anderer oog; ik bedrieg mij niet.«

Nu sloeg zij de fonkelende oogen op de vrouw van burgemeester Kies,

te wel bewust, dat deze het als met electrieke stof bezwangerde

voorwerp was, dat bij de eerste losbarsting vonk en vuur geven zou.

Brecht Engberts Proosten was eene vrouw van veertigjarigen

leeftijd. Zij vereenigde met eene bevalligheid, die bijna schoonheid

had mogen heeten, al het zachte en innemende, dat ons aan het gelaat

eener vrouw zoo zeer boeit. Bij haar boeide deze zachtheid temeer,

omdat men wist, dat ze èn met onbevreesdheid, èn met schranderheid

en vastberadenheid van ziel gepaard ging. Haar echtgenoot, Kies,

was reeds geruimen tijd vóór dat de stad zich aan de zijde van den

prins schaarde, verdacht gehouden, de partij van Oranje te zijn

toegedaan. Ook was hij onder de protestanten, die een gebouw voor

hunnen godsdienst hadden verlangd. De Spaanschgezinden trachtten hem

derhalve in handen te krijgen; doch zijne vrouw wist hem zoo wél te

verbergen, dat alle onderzoek vruchteloos was. Zoo het waar is, dat

Kies zijne woning had op de Oude Gracht bij de Kleine Houtstraat,

dan moet de hoofdschout Foppens ook daar gewoond hebben; zeker

is het, dat deze een zijner geburen was. Bij gelegenheid nu eener

vruchtelooze huiszoeking ontwaarde de schout, dat de vrouw van brouwer

Kies zich zwanger bevond en voerde haar derhalve tegemoet: »uw man

kan niet ver van de hand zijn.« Zonder over deze gegronde aanmerking

te onthutsen, antwoordde zij--en wij verzwijgen het niet; want het

schetst ons in één trek den geest dier dagen--»de weg ligt voorbij

de deur, mijnheer!« Schroomde zij niet, het zich te getroosten, dat

men haar aldus niet ondubbelzinnig voor eene zedelooze vrouw hield,

nog te meer grond van waarschijnlijkheid gaf zij aan dit vermoeden,

toen zij, heimelijk bevallen zijnde, daags daarna voor de deur harer

woning post vatte en schijnbaar de handelingen nabootste dergenen,

die de palen der zedelijkheid hebben overschreden. Maar met het oog

op den Heer, die zoowel de schande als het kruis verdroeg, deinsde

hare groote ziel voor den kwaden schijn niet terug, waar het de

veiligheid van haren echtgenoot gold. Hare schranderheid gelukte;

Kies bleef vrij en het was hem later de grootste wellust, wanneer hij

dit onvergelijkelijk bewijs van liefde en trouw in den kring zijner

vrienden met geestdrift verhalen kon.

Geen wonder, dat zulk eene vrouw ook niet voor andere opofferingen

zou terugbeven; geen wonder, dat Kenau Hasselaar den gloeienden blik

het eerst op haar sloeg; want zij had het antwoord, dat deze geven

zou, verwacht.

--»Bij onze vriendschap, bij de verdrukking van ons vaderland,«

antwoordde Brecht Proosten, »maar bovenal bij het wee, dat Haarlem

bedreigt, doe ik hier de plechtige gelofte, elken dag en uur tot

Haarlems verdediging vaardig te zijn. Al wat eene zwakke vrouw doen

kan, dat zal ik: uwe woorden zullen niet vergeefsch gesproken zijn.«

--»Gewis, gij hebt u niet bedrogen,« sprak de slanke Magdalena van

Schoten, zich tot Kenau wendende, »ook in mij niet. Waar eene vrouw,

door het huwelijk verbonden, het rapier aangrijpt, daar zal ik de

tweede zijn: dat is ook de taal van mijn hart op dezen eersten dag

van het jaar.«

--»En zouden zij dan aarzelen, die nog vrij zijn van het huwelijk?«

liet hare zuster Maria van Schoten hooren. »De woorden van Magdalena

zijn de mijne, en zij zullen het blijven voor altoos.«

--»Ook de mijne!« sprak de schoone Henrica van Vliet, »moge mijne hand

zwak wezen,--zij zal kloek worden tot het aangrijpen van het rapier.«

Ware Gerrit Ruikhaver, de vaandrig, tegenwoordig geweest, zoo zou

Maria van der Laan ongetwijfeld het eerst naar hem den blik hebben

gewend. Thans richtte zij het bruin gelaat tegelijk met Anna naar haren

vader, en ofschoon alleen zij het woord voerde, scheen dezelfde taal

ook van Anna's zachte lippen te vloeien: hare ziel sprak uit den mond

van Maria.

--»Gedoogt gij het, mijn vader!« zeide zij, »dan zullen ook wij onder

het getal wezen, en mogen de zusters dan blijk geven, dat zij niet

onderdoen voor den broeder.«

--»Voedt geen twijfel,« zeide de burgemeester, »dat ik ooit u zou

terughouden. Al ware het tal mijner kinderen nog zoo groot, ik zou

niet toeven, hen eigenhandig 't rapier aan te gespen: geen roemvoller

dood toch dan in het verdedigen van 'tgeen ons het nauwst aan het

hart ligt: dat is godsdienst, vrijheid en vaderland.«

En terwijl die mannen daar stonden, hoorende, wat die vrouwen spraken,

scheen ook hunne geestdrift nog hooger te klimmen; want dat waren

geene woorden geweest, geschreven in het mulle zand en uitwischbaar

voor den eersten voetstap. Zij waren met gevoel, met ernst, met

onbuigzamen wil en tegelijk als in marmer gegrift geworden, om na

weken, na dagen wellicht herhaald te worden: die vrouwen hadden ze

uitgesproken als een eed, en die eed zou niet geschonden worden;

dit waarborgden godsdienst, vrijheid en vaderlandsliefde.

Het was ook daarom, dat niet al de gehuwde vrouwen haar woord

gaven, zich eenmaal onder die schaar te zullen begeven; want op

velen rustten weder andere plichten; plichten, die evenmin verzuimd

mochten worden. Toch verpandden zij haar woord, als eenmaal vrouwen

het staal aangrepen, dat ieder dan zorgen zou, door eene wakkere

plaatsbekleedster die rij te vergrooten; en nadat ook dit besluit de

ongehuichelde lofspraak der mannen had ingeoogst, namen de gesprekken

weder den vorigen loop, over de belangen der stad namelijk, het

verledene en een blik in de toekomst. Men sprak over Talesius en

Van Roosveld, die nog voortdurend in hun huis bewaakt werden; over

den langen, eenoogigen vreemdeling, die sedert verscheidene dagen

verdwenen was, zonder dat iemand, behalve Ripperda, wist, op wat wijze

en om welke redenen. Ook sprak men over de verraders Van Groeneven en

Van der Mathe, de weduwe van den bakker,--die om zijn bedrog, van te

licht brood te hebben gebakken, de schavotstraf ondergaan had,--over

den heere Van St.-Aldegonde, die, na herhaalde brieven van den prins,

dien zelfden morgen uit Haarlem was vertrokken; over den geleerden

Junius en over Koornhert, die niet meer in Haarlem waren, over den

schilder Heemskerk, die de stad was ontweken, en over vele andere

onderwerpen, doch het meest over de zoodanige, die rechtstreeks met

Haarlems tegenwoordige gesteldheid in verband stonden. En zoo er over

veel een donkere sluier lag, toch zag men hier en daar lichtpunten;

en wie zich tegen den middag naar zijne woning of de wallen begaf,

dankte zijn hoogeren moed aan de geestdrift van burgemeester Van der

Laan en de opwekkende taal van Kenau Hasselaar.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 20 / 23 题