ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Hoezeer ook de vijand op Nieuwjaarsdag zich bezig hield met aan de

oost- en westzijde van de Kruispoort zwaarder schansen op te werpen

en grooter schanskorven aan te brengen, met het schijnbaar doel om

de stad te bestormen, was die storm echter niet gevolgd. Om den

Spanjaard nochtans schrik aan te jagen, was hopman Pellikaen den

volgenden nacht de Zijlpoort uitgetrokken en had zijne manschappen

witte hemden over hunne wapenrusting laten aandoen, om hen daardoor

te kunnen onderscheiden. De vijand werd op de vlucht gedreven,

doch daar Rodrigo de Sapata, op dit gerucht, de bespringers met eene

tiendubbele macht tegemoet ging, had men het raadzaam geacht, terug

te trekken, terwijl de eenige buit in twee Heemskerksche boeren en

een jongen bestond. Grooter blijdschap was er dus binnen de stad,

toen des morgens twaalf zware met koren bevrachte sleden en eene nog

zwaardere met brood ingevoerd werd; want hoewel de behoefte niet zoo

groot was, schreef de voorzichtigheid toch voor, van iedere gelegenheid

tot vermeerdering van voorraad gebruik te maken, wijl het zich niet

liet aanzien, dat de vijand het beleg vooreerst zou opbreken.

Tot nog toe hadden de soldeniers, bij de burgers gehuisvest, zich

rustig en onberispelijk gedragen; doch op den dag der heilige Genoveva

liep op eens het gerucht, dat zekere vermaarde vrouw, Maria Harings,

door een der soldaten van Steenbach wreedaardig om het leven gebracht

was, wijl zij aan diens overmatige eischen tot keuriger voedsel geen

gehoor had willen geven. Dit gerucht bleek spoedig waarheid te zijn:

ieder werd op lijfstraf geboden, den moordenaar geene huisvesting te

verleenen; ook had men dezen spoedig in handen, waarna hij, op bevel

van Steenbach, tot waarschuwend voorbeeld, zijne misdaad met de koord

boette, eene straf, welke op de anderen een diepen indruk maakte en

door geene gelijke gewelddadigheid achtervolgd werd.

Nadat op den vijfden Januari benevens een nieuwen voorraad van zeven

en twintig sleden met koren, een vendel soldaten, aangevoerd door

kapitein Mandares, binnen de stad was gekomen, kwam er twee dagen

later de tijding, dat driehonderd zware ijzeren kogels met zes en

dertig tonnen buskruit uit Utrecht naar don Frederik waren gezonden,

doch dat het aan de Woerdenaars gelukt was, het eene zoowel als het

andere te bemachtigen. Deze tijding gaf aan de belegerden geene geringe

vreugde, evenals alles, wat den vijand afbreuk deed. Doch de vreugd

klom nog hooger, toen Matthijszen hem op dien zelfden dag, bij een

uitval buiten de Schalkwijkerpoort, een gevoelig nadeel toebracht,

ja, hem zóó op de vlucht joeg, dat verscheidene hunner in het Spaarne

verdronken, zonder dat de uitvallers een enkel man verloren. Dan,

hetzij de Spanjaard zich over dit verlies wilde wreken, hetzij hem

nieuwe voorraad van buskruit was toegezonden geworden--in den vroegen

morgen van den eerstvolgenden dag liet het geschut, dat sinds bijna

drie weken gezwegen had, zich weder hooren. Niemand echter begreep

waarom dat geschut, na slechts vier en twintig losbarstingen, weder

plotseling het vuur staakte en de vijand achter zijne verschansingen

terugweek,--terwijl den volgenden dag hetzelfde plaats greep,

nadat men met honderd drie en dertig schoten op de muren gebeukt

had. Dat hierdoor bij de belegerden dus weinig onrust ontstond,

bleek uit het binnenkomen van zeven met buskruit en koren bevrachte

sleden, alsmede aan eenige verordeningen van het stadsbestuur. Er

werd bij trommelslag kenbaar gemaakt, dat de levensmiddelen tegen

een bepaalden prijs moesten verkocht worden, zooals bij voorbeeld:

een zesponds roggebrood tegen den prijs van drie stuivers, doch met

uitdrukkelijk bevel, en op lijfstraf, dat geen inkoop hoegenaamd

de behoefte van eenig huisgezin mocht teboven gaan, een maatregel,

die den magistraat eere aandeed, wijl het nut daarvan weldra bleek.

Intusschen was de nacht van den tienden Januari, wegens den zwaren

mist en de donkerheid, zeer ongunstig voor een leger van twee duizend

Engelschen, Schotten, Walen en Duitschers, tot ontzet van de stad,

door den admiraal Boisot afgezonden. Eenigen geraakten op de hoogte

van het Huis Ter Kleef, anderen weder in den Hout en in de duinen

verdwaald. Sommigen, door eene in den toren brandende fakkel en het

luiden eener klok geholpen, kwamen gelukkig binnen de stad, doch

de meesten trokken weder terug en rekenden zich gelukkig, dat deze

dwaling hun niet noodlottiger was geweest. Zij, welke binnen Haarlem

waren gekomen, brachten er de tijding, dat de vijand een aanzienlijken

voorraad buskruit ontvangen had, en dit verwezenlijkte zich reeds

den volgenden dag, toen de wallen door zeshonderd een en tachtig

schoten geteisterd werden, zonder dat men echter grooter verlies

te betreuren had, dan dat van een burger, aan wien op de markt een

been afgeschoten werd. Het kleppen der alarmklok op dien dag, als een

teeken, dat de Spanjaard voornemens scheen om te stormen, bleek ijdel

te zijn geweest, daar plotselijk de verdere toebereidselen tot den

storm gestaakt werden. Doch ook des anderen daags hernieuwden zij den

aanval met grof geschut, en ofschoon er toen slechts honderd-vijftig

losbrandingen plaats hadden, was de schade aan de wallen, kerken en

woningen, in evenredigheid van daags tevoren, aanmerkelijk grooter,

terwijl nog daarenboven twee aan tafel zittende personen door één

en hetzelfde schot zóó gewond werden, dat het spoedig met hun leven

gedaan was.

Voornamelijk had de vijand het op het blokhuis gemunt, zijnde dit

moordhol--zooals men het noemde--hem sinds lang een doorn in het oog;

doch met denzelfden onbezweken ijver als vroeger, werden gedurende

den nacht de wijde bressen door jong en oud weder gedempt, terwijl

de hoplieden Derdein en Dotin door hunne versterkingstaktiek geene

geringe diensten bewezen. Ook was de moed te levendiger, wijl er in

den laten avond van den vorigen dag weder een vaandel hulpbenden,

onder bevel van kapitein Jasper, binnen de stad was gekomen, benevens

een voorraad van acht en veertig sleden koren en buskruit, en de

toezegging, dat twee dagen later nog eene andere toezending zou

volgen. Deze belofte werd tot aller vreugde vervuld.

Terwijl van den eenen kant 's vijands wrok wies, hoe meer hij

bestookte, en, zonder eene schrede te vorderen, dag aan dag dooden

telde; terwijl van den anderen kant de Haarlemmers onbezweken hunne

eer handhaafden, lag over het lot van Magdalena van Duivenvoorde een

vale sluier, die van dag tot dag donkerder scheen te worden.

Vroeger waren wij op het Huis Ter Kleef in de kamer, waar don Frederik

met zijne officieren krijgsraad hield, en mocht de blik van sommige

lezers misschien reeds toen in het verblijf der beklagenswaardige

vrouw doordringen, thans wenden wij ons er bepaaldelijk heen; want

de gebeurtenis op den avond van den vijftienden Januari schrijft het

ons voor.

Uit Frederiks kamer voerde ter linkerzijde van de deur eene twintig

voet lange galerij naar een vertrek, hetwelk men zeide, dat door een

engen gang tusschen den muur en door eene verborgene deur in den wand

met de reeds beschrevene kamer gemeenschap had, doch welk geheim aan

Frederik niet bekend was. Dat vertrek doorgegaan zijnde, kwam men

in eene andere galerij, bijna even lang doch sierlijker. Ook hier

geleidden eenige deuren met fraai beeldwerk naar andere vertrekken,

en de laatste deur ter rechter voerde naar een klein portaal,

zijnde de eigenlijke toegang tot eene kamer, door een dikken muur

van de aangrenzende vertrekken afgescheiden. Dit was een verblijf van

ongeveer zestien voet in het vierkant en had weleer tot bidcel gediend,

ofschoon ieder spoor daarvan verdwenen was, hebbende men ten tijde

dat de hervorming hier doorbrak en de eigenaar er zich bijvoegde,

de muurnissen, waarin vroeger beelden van Heiligen stonden, laten

dichtmetselen en overpleisteren, opdat zelfs het geringste bewijs

niet zou overblijven, dat hier de Godheid door de zijdelingsche hulp

van beelden gediend was geworden. Toch ontbrak het niet aan blijken,

hoe het Huis Ter Kleef bewoners gehad had, die hoogen prijs stelden op

de gewijde gebeurtenissen. Dat zag men aan de met Vlaamsche tapijten

bedekte wanden, waarop niet, evenals in andere zalen, de familiewapens

prijkten. Hier aanschouwde men het tafereel van Lazarus, daar de

dooping van den Moorschen kamerling, ginds eene kopie van Martin

de Vos, voorstellende de hooge waarde der offerande van de weduwe;

doch als een meesterstuk van weefkunst in de prachtigste kleuren,

werd het oog onwederstaanbaar geboeid door een tafereel, dat de

gansche ruimte van den linkerwand besloeg. Daar zag men, hoe de

vrienden van Jezus, na het lichaam van het kruis te hebben genomen,

hunnen Heer de laatste plichten bewezen. Hoe schoon was die Maria,

de Maria gefolterd door weedom, de Maria, ontgloeid van eerbied,

en knielend voor het overschot van haren Goddelijken Zoon. Maar de

smart prangt haar te fel; zij kan zich niet opgeheven houden, en

Johannes, die lieveling, ondersteunt haar. En dan die zilverlokkige

grijsaards, het lichaam van hunnen Heiland opbeurende, terwijl de

vrouwen den welriekenden balsem plengen. Hier dat graf, dat somber

doch plechtstatig graf van den mensch geworden Christus,--daar dat

Calvarië, waar zooveel zielsangst geleden, waar zoo menige heete

traan geschreid werd, en daarginds dat Jeruzalem, die heilige stad,

de stad van het luidruchtig: Hosannah, en het: kruist hem, kruist hem!

Maar zoo kostbaar als dit behangsel was, zoo armzalig kon

de meubeleering genoemd worden. Wel was de vloer met fraaie,

veelkleurige steenen ingelegd; doch geen verwarmend tapijt bedekte

hem. Een ledikant met gestreept omkleedsel stond aan de rechterzijde,

en daar vlak tegenover eene kleine ronde tafel van eikenhout, benevens

twee kolossale stoelen met hooge lederen ruggen en lage zittingen,

die eenmaal met blauw en rood laken waren overtrokken geweest, doch

waarvan men schier geene sporen meer zag. Eene vurenhouten kast met een

bont laken stond aan de tegenoverzijde van den ingang en voltooide het

huisraad van een vertrek, dat overigens met een getralied in den muur

uitgehouwen vensterraampje voorzien was, zoo hoog van den grond af,

dat men, om er door te zien, de tafel ter hulp had moeten nemen.

Dit vertrek nu was de gevangenis der vrouw van Van

Duivenvoorde. Verscheidene jaren jonger dan hij, kon zij evenmin

bevallig genoemd worden. Hare gestalte was boven de gewone

vrouwelijke lengte, haar tint bleek, zonder eene schoonheidslijn;

doch een overvloed van kastanjebruin haar, en zwarte oogen, waarin

verbeeldingskracht met teederheid lag, vergoedden veel; en wanneer

het waar is, dat een breed, hoog en tevens lijnrecht beloop van het

voorhoofd oordeel, kracht en een ondernemenden geest uitdrukken bij

den man, dan mocht men misschien uit dit voorkomen bij Magdalena wel

een zelfde gevolg afleiden. Eene gouden keten om den hals en hare

deftige kleeding verrieden haren stand, doch leverden een scherp

contrast met het armzalige van hare gevangenis; want wie toch zal

aan het vertrek, waarin zij zich reeds zoo lang bevond, dien naam

niet geven, al wist hij ook niet, dat zij er geen voet buiten mocht

zetten? Het is waar, een misdadiger had zich gelukkig mogen rekenen,

wanneer hij boette op eene wijze, als de onschuldige Magdalena leed,

maar toch, voor eene vrouw van rang en aanzien als zij, was haar lot

zwaar. Hoe talloos veel geriefelijkheden miste zij: geen liefelijke

haardgloed in den winter; slechts nu en dan, wanneer de kou te fel

neep, eene geslotene koperen pan, die gloeiende kooltjes bevatte,

doch ze, door de kleinte der luchtgaten, spoedig deed uitdooven. Dat

prachtig wandtapijt was eene grievende satire op het armzalige van al

het andere: het was blanketsel op verflenste wangen, een purper gewaad

over lompen. En dan haar toestand?.... Des daags het geschutgebulder in

hare nabijheid, met de vrees, dat iedere losbarsting Van Duivenvoorde

of hare kinderen zou treffen, dat het bloed van honderden harer

vrienden binnen Haarlem stroomen kon. Des avonds of des nachts het

geschater der Spaansche officieren in de aangrenzende vertrekken,

alsof elke ruwe, elke uitbundige toon eene bittere beschimping op

haar ware: het kille van den vloer op hare legerstede ontvliedende,

en door dat rumoer dan ook dikwerf daar den slaap niet vindende,

dien zij zoo noodig had. Dat verrijzen van iederen morgen zonder een

koesterenden zonnestraal, en de komst van iederen avond, zonder dat

haar oog de tintelende avondster zag. Dat weinig versterkend voedsel,

nog daarenboven karig toegemeten en haar voorgezet door een trawant

van Marco, met een norschen, bijna dreigenden blik of een valschen,

soms versmadenden lach om de dikke koperkleurige lippen, en nooit

een vriendelijk woord sprekende, als ware de doodstraf gezet op een

enkelen klank van zijn mond. Voorwaar, Magdalena's toestand was hard!

Toch was zij geene zwakke vrouw, die het hoofd buigt, even als eene

lelie, wanneer de storm den tengeren steel knakt. Zij droeg haar

lot als eene Christin, met geloof, met hope, met gelatenheid. Zij

droeg het als iemand, die door geene schrikbeelden kan ontzet worden,

met kracht, met moed, en zij bleef fier het hoofd opheffen, waar het

hoofd van zoo menige andere ware bezweken.

Lang had zij reeds in dien toestand verkeerd, en--de dag van den

vijftienden Januari was even schaduwachtig aangebroken. Ook de middag

kwam en met deze de hatelijke Spanjaard, welke haar het karige, uit

erwten, schapenvleesch en brood bestaande voedsel in den gewonen

grooten tinnen schotel voorzette en vervolgens weer even stom het

vertrek verliet. Magdalena had echter geen honger; want akelige

droombeelden in den vroegen morgen hadden eene drukkende pijn op

haar hoofd teweeggebracht, en hare oogscheelen waren zwaarder dan

lood. Eene geruime poos liet zij het eten onaangeroerd, en reeds zag

zij niets meer van den walm, die er in den aanvang van opsteeg; want

de koude was weder snerpender. Zij dacht slechts aan Van Duivenvoorde,

aan hare kinderen, en zij hoorde nu en dan de slangstukken, welke op

den muur beukten en telkens door zwakkere schoten werden beantwoord.

Ongeveer een uur kon verloopen zijn, toen de hoofdpijn allengs week

en de maag een weinig hare rechten begon te doen gelden. Zij schoof

dan den stoel iets dichter naar de eikenhouten tafel en proefde eenige

beten van de koud gewordene spijs, die haar echter niet smaakte. Weder

laat zij ze verder onaangeraakt. Onwillekeurig houdt zij het oog op de

deur gericht en--bedriegt zij zich niet?--eenige minuten later hoort

zij eene kleine beweging. Onder de reet wordt een strookje perkament

heengeschoten: hierna hoort zij opnieuw eene beweging, als verwijderde

zich de persoon, die haar de strook in handen wilde doen komen, en

vervolgens is het weder stil. IJlings staat Magdalena van haren stoel

op, snelt naar de deur--raapt het perkament op--slaat er gretig den

blik in en--nu leest zij in gebroken, doch met eene duidelijke hand

geschreven Hollandsch, het volgende: »Iemand, bewogen met uw lot,

wil u redden. Hij meent, daartoe een middel te hebben gevonden:

schrik dus niet, wanneer gij iets ongewoons hoort: wellicht waagt

hij dit nog dezen avond, zoo niet, dan toch morgen.«

--»Is dat geen bedrog van een schemerend oog?« sprak Magdalena

in zichzelve, terwijl zij op de strook staarde als iemand, die

twijfelachtig goud toetst. »Is dat geene begoocheling? Maar ik zie

toch onbeneveld; ik lees het; het staat er: »wil u redden, nog dezen

avond wellicht.« Zij las nog een en andermaal en vond altijd die zelfde

woorden, en was zich ten volle bewust, dat zij niet droomde. Nu verborg

zij het perkament tusschen haren boezem, terwijl zij naar de zware deur

zag, of die niet geopend werd, evenals de vinder van een schat de oogen

links en rechts wendt, om te zien of ook iemand die vondst bespeurd

heeft, om ze hem te ontweldigen of met hem te deelen. Toch niet de

minste aannadering, toch niet de geringste beweging, en nu haalde zij

de hoop inboezemende regelen weder te voorschijn en las ze andermaal,

terwijl de hoofdpijn plotselijk van haar week. Het sobere, kille maal

scheen haar op eens het gerecht van een vorstelijken disch toe, en de

tinnen schotel blonk in hare oogen als een zilveren plateel. Het was,

alsof er eensklaps een lichtstraal in hare ziel schoot.

--»Maar,« zeide zij nu bij zich zelve, »dat ik mij niet door zoet

bedrog verwarre: dat ik mij niet diets make, wat misschien ondoenlijk

is. Wie kan mij hier helpen? Is deze zware deur nog door geen

zwaarder slot gesloten, en of al iemand den sleutel bemachtigd had,

dan nog zou ik niet buiten gevaar wezen; want gestadig kruist men

rond, zelfs in den nacht, en zoo een argwanende blik het bespeurde,

eilaas, wat zou het dan zijn?«

Nu las zij opnieuw.

--»Hij meent een middel te hebben gevonden; het faalt hem dus aan

de wisheid,« vervolgde zij, »maar zou het ook mogelijk wezen, dat

een geheime gang in gemeenschap stond met dit vertrek? Het is alzoo

geschapen met het Huis Aalbertsberg, waar enkele zalen door verborgene

deuren te zaam loopen, en er zijn vele ridderlijke huizen, waar men

dit vindt.«

Zij stond van haren stoel op. Haar hart klopte hoorbaar bij deze

mogelijkheid; thans betastte en onderzocht zij ieder gedeelte van het

vertrek met de meeste opmerkzaamheid, ten einde eene ontdekking te

doen tot meer hoop en vertrouwen. Elke hoek van de gewezene bidcel

werd aandachtig beschouwd; geene afscheiding van het behangsel werd

onaangeraakt gelaten; met moeite en inspanning verschoof zij het

ledikant en de kast; te vergeefs! nergens het geringste kenteeken

eener verborgene deur! nergens eenig voedsel voor hare opgevatte hoop.

--»Maar die vloer,« zeide zij, op de fraai gekleurde steenen starende,

waarop hare oogen vroeger reeds zoo dikwijls gerust hadden, zonder

de velerlei gedachten, die haar thans doorkruisten. »Zoo deze....?«

IJlings opstaande, onderzocht zij nu elken steen nauwkeurig, doch geen

geheime knop of springveer deed ze door zachte of harde drukking uit de

voegen losraken; en nadat zij daarmede bijna een uur had doorgebracht,

zette zij zich neder, om aan hare gedachten den vrijen loop te geven.

--»Wie zou mij dan hier kunnen uitredden, zoo God het niet doet?«

sprak zij. »Of 't hem al niet mangelde aan goede gelegenheid, waar

zou hij de mogelijkheid vinden? 't Is toch licht te zien, dat het

niet kan geschieden door dit luchtgat, hoog boven mij; want zijn het

geene zware traliën, die geene hand buigen kan of breken? Wat vlei

ik mij dan? Maar wat wil men met dit geschrift? Het zal toch geen

net wezen om mij te strikken? Ben ik niet reeds genoeg in de macht

van den Spanjaard? Gewis, men wil mij uitredden; maar op wat wijze,

en wie mag het zijn?....«

Zij luisterde, meenende in de nabijheid der deur eenig gerucht te

hooren: zij bedroog zich niet; doch het waren een paar Spanjaards,

die zich onder een luid gesprek naar de aangrenzende zaal begaven;

nauwelijks echter waren zij daar, of hunne stemmen bereikten

Magdalena's oor niet meer, hetgeen haar opnieuw ten bewijs strekte,

dat de muur tusschen haar en het nevenvertrek zeer dik moest zijn;

want wanneer zij van daar eenig geluid vernam, was het steeds een

hevig gerucht, dat zich op verren afstand zou hebben laten hooren.

--»Wie 't zijn mag, die hier belang stelt in mijn lot?« zeide

Magdalena. »Het schrift heeft geen naam, geene letter, die mij op

eenig spoor brengt, en toch geloof ik, dat de woorden niet zijn

van een, die met mijne moedertaal overbekend is. Wat mag het dan

wezen? Zouden het beschimpingen zijn op mijn leed? Wie zou zoo

gruwzaam wezen? En wie zou zich die moeite opladen, zonder er eenig

genot van te trekken? Maar mijn lot is in Gods hand--een Uitredder,

voor wien niets onmogelijk is.«

Magdalena herdacht nu weder levendiger hare kinderen, haar echtgenoot,

Haarlem, want ofschoon zij daaraan honderdmaal, ja onverpoosd gedacht

had, was zij in dit opzicht aan ieder gelijk: de geringste verandering

van ons lot of slechts de flauwste hoop, dat het een keer nemen zal,

doet den geest er altijd te levendiger op spelen. Dat lot is dan niet

ongelijk aan eene caleidoscoop, die schoon dezelfde voorwerpen in

zich bevattende, nieuwe figuren of gezichtspunten aanbiedt, wanneer

men aan de buis draait.

Zij hoorde geen schot meer uit de slangstukken, die trouwens dezen

dag ook slechts een en dertig maal hadden losgebrand. Reeds begon de

schemering te vallen, en de koude, sinds den middag van haar geweken,

begon zich weer te doen gelden, toen zij beweging aan de deur vernam

en haar stilzwijgende cipier het vertrek binnentrad. Zou hij ook

thans niet spreken?

Het kwam Magdalena voor, als zag hij niet zoo barsch, niet zoo dreigend

als anders. De Spanjaard had weder de met gloeiende kooltjes gevulde

pan bij zich, en nadat hij die op de tafel gezet en de tinnen schotel

had opgenomen, waarin nog de grootste helft der spijs was overgebleven,

zeide hij in zeer gebrekkig Hollandsch:

--»Reken op de komst van monsenor, nog dezen dag. Hij wil u spreken.«

--»Ik versta u niet,« zeide Magdalena met eene waardigheid in hare

houding, die zij nog nooit verloochend had, »wat zegt gij?«

De Spanjaard herhaalde zijne woorden, waarop zij eene beweging met de

hand maakte, ten teeken dat zij hem begrepen had en zonder een blijk

te geven dat deze aankondiging haar ontzette, waarna hij zonder verder

een blik op haar te werpen, met den schotel het vertrek verliet.

--»Mij dus weder spreken!« zeide zij in zich zelve. »Zijn doel zal

wel weder zijn, om mij te verschalken door dreigingen of schrik

aan te jagen; of wie weet wat slimmer streken hij bedacht heeft,

die nu schuilen zullen onder zijne woorden. Maar wat hij aanvangt

zal hem luttel baten. Hij kan mij noch door woestheid doen vreezen,

noch door dreigingen. Ik ben moedig in mijn leed, en mijn betrouwen

is op den Hemel.«

Nu verwarmde zij zich bij den gloed van het vuur, welks koesterenden

invloed zij zelden langer dan een paar uren ondervond, en in haren

stoel achterover gezonken en peinzende over alles, verbeidde zij èn

de komst van don Frederik èn den afloop van hetgeen een onbekende

met haar voor had.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 21 / 23 题