In weerwil van het Kerstfeest ging men van weerszijden op den duur
voort met het graven van mijnen, en reeds waren er verscheidene
luistergalerijen, die op geheime plaatsen in de kapitale gracht
hare ingangen hadden. Intusschen begaf zich, daags na de droevige
gebeurtenis in de woning van Van Duivenvoorde en van Schagen, hopman
Vader met eenige paarden buiten de Zijlpoort, om de vijandelijke
schildwachten te lichten; doch daar het weer helder en de vijand
gevlucht was, keerde hij gedeeltelijk onverrichter zake maar toch
met den buit van eenige vuurwapenen terug.
Was men op den avond van den storm zoo gelukkig geweest, een soldaat
in handen te krijgen, die de verschillende legerplaatsen der Spaansche
officieren opnoemde, zooals wij die vroeger nederschreven, zoo viel
het, acht dagen later, aan Gerrit van der Laan te beurt, buiten de
Schalkwijkerpoort een Waal gevangen te nemen, dien men oogenblikkelijk
voor den spion herkende, welken Matthijszen en Pellikaen zoozeer wegens
zijne vlugheid hadden bewonderd. Hetzij echter wegens spijtgevoel,
zoo kort zijn roem te hebben gehandhaafd, hetzij hij in elk geval
zijn dood tegemoet zag, hij wilde niets verklappen of verraden. Met
eene soort van helsche vreugde deelde hij nochtans op de gedane vragen
mede, dat vrouwe Van Duivenvoorde zich in de gevangenis op het Huis Ter
Kleef bevond, terwijl hij er grimlachend bijvoegde, dat de Haarlemmers
haar weldra aan de galg zouden zien spartelen. Hardnekkig weigerde
hij verder een enkel woord te spreken, en toen hij, zoowel als de
andere gevangene, reeds den strop om den hals voelde, riep hij nog
met een schimpenden lach op de lippen: »Ellendige geuzen! toch zijt
gij al lang aan den satan verkocht.«
Verscheidene Haarlemmers hadden zich inmiddels met levensgevaar buiten
de stad begeven, hetzij om brieven aan den prins te bezorgen, hetzij
om levensmiddelen en buskruit binnen te brengen. Deze boden waagden
inderdaad meer, dan zich oppervlakkig laat aanzien, meer zelfs dan
de soldaat op de wallen; want zoo zij den vijand in handen vielen,
was er geene genade voor hen te wachten. Men kan zich dus de onrust
en den angst voorstellen van vrouwen en kinderen gedurende den korten
of langen tijd, dat hunne mannen afwezig waren, terwijl de later aan
hen toegekende belooningen, zooals uit de stadsrekeningen blijkt, het
bewijs waren, dat men hunne zendingen gedurende het beleg op hoogen
prijs stelde. Zoo had zich daags voor Kerstdag Wijnant Michiels met
zekeren Alewijn de Jager, een bediende van Lancelot van Brederode,
en even koen en vermetel als deze, met een brief naar den prins
begeven. Drie dagen later keerden zij terug met het bericht, dat de
prins eenige haakschutters tot ontzet zou afzenden, zooals dan ook
twee dagen daarna de vermaarde Jeronimo Tseraats, als commissaris,
met drie Waalsche vendels in Haarlem kwam en met derzelver hoplieden
Vimi en Couzin hartelijk welkom werd geheeten.
Daarentegen had men den dood te betreuren van den moedigen Pieter
Janszen Raad, fabrijk van de stadswerken. Een gedenksteen tegen een
pilaar in de St.-Bavo'skerk toont nog heden de wijze van zijn dood door
een kogel, alsmede het afsterven zijner vrouw, Ermgaarde, aan. Meer
bepaald weten wij, dat die kogel hem in het hoofd trof, terwijl hij in
den vroegen morgen van 28 December bevelen gaf tot het herstellen eener
bres in het blokhuis, en dat zijn dood een diepen indruk teweegbracht,
daar hij veel had gedaan tot versterking der zwakke stad.
Hoezeer een donkere nacht den vijand had begunstigd in het graven
naar het blokhuis, werd er door de onzen al datgene tegen aangewend,
wat de krijgskunde aan de hand gaf, terwijl de laatste dag van het
jaar ten einde liep met een uitval buiten de Schalkwijkerpoort,
waarin het Pellikaen gelukte, drie Spanjaarden te doen sneuvelen en
met een buit van twee en twintig musketten terug te keeren.
Nu brak de ochtend aan van den eersten Januari, een dag, die aan de
Haarlemmers wel vergunde, de afgelegde baan te overzien, doch ook hen
niet in de toekomst deed lezen, omdat ook voor hen die toekomst het
gesluierd Isis-beeld was, waarop geschreven staat: »geen sterveling
kan ooit den sluier opheffen, die mij bedekt.«
Het was Nieuwjaar ook voor Haarlem. Toch late men de gedachten niet
spelen op een zoodanigen dag van de negentiende eeuw. Men denke
zich een Nieuwjaarsdag van 1573 en wel zulk een in het Haarlem,
bestookt door den Spanjaard. Men verbeelde zich wel eene talrijke
schaar van wevers, brouwers, moutmakers, scheepstimmerlieden en
anderen; men denke zelfs een aantal hunner in de herbergen rondom
de St.-Bavo'skerk, herbergen zoovele, dat zij ons den waan ontnemen,
alsof de deugden onzer voorouders zonder vlek of rimpel waren. Men zie
hen daar bijeen om over godsdienstige of staatkundige onderwerpen de
tong bot te vieren, om over den dood van Van Assendelft--dien men nu
nog van vroegere kwade handelingen beschuldigde,--over Van Schagen,
over de verraders Van Groeneven en Van der Mathe oordeel te vellen;
om het lot van vrouwe Van Duivenvoorde en de geheele toekomst van
Haarlem te voorspellen; om op hunne feiten op de wallen te snoeven,
en onder al die gesprekken, de kroezen en glazen niet ongeledigd te
laten. Maar over het algemeen verbeelde men zich een dag, waarover het
mistige weder en vooral de toestand der burgers een somberen sluier
gespreid had,--aangezichten, die wel gloeiden van moed en volharding,
van vaderlandsliefde en dankbaarheid over reeds behaalden triomf,
maar toch aangezichten, waarop het ernstige en hachelijke van hun lot
was gestempeld, toch eene kleeding van alle pronk en tooi ontdaan,
omdat men goud en zilver wellicht spoedig aan den algemeenen smeltkroes
zou offeren. Zag men op Kerstdag, in weerwil van het beleg, toch den
optocht van het Kerstgilde, om volgens oud gebruik, dertien armen aan
den maaltijd van dat gilde, ter eere van den Heiland, kosteloos deel te
zien nemen,--ook thans zag men een ander oud gebruik vereeren. Weer zag
men Haarlems jeugd, als vroeger, met beeldjes, met stokjes en kleine
vaartuigen met zaagvormige voorstevens, in openlijken omgang door de
stad kruisen, als eene onuitwischbare herdenking aan het kloek bedrijf
der Haarlemmers bij Damiate. Maar het algemeen rumoer van voorheen,
de geestdriftvolle vroolijkheid der jeugd scheen aan dien omgang thans
te ontbreken: iedere wijk, iedere woning droeg den stempel, dat zij
door Spanjaards belegerd en bedreigd werd; ernst straalde uit den
fieren blik des mans; ernst lag op het gelaat van vrouwen en maagden;
ernst stond ook te lezen op het aangezicht der jeugd.
Maar wij willen op dien dag eene woning binnentreden. Eene talrijke
menigte is teruggekeerd uit de St-Bavo'skerk, waar de predikant Sijmons
dien morgen tot bijbeltekst heeft genomen den negen en dertigsten
psalm, en wel de woorden: »Zie, Gij hebt mijne dagen een handbreed
gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U.« Wij willen den indruk
daarvan gadeslaan.
Wij treden dan een huis binnen in de Kleine Houtstraat, nabij de
Turfsteeg. Verscheidene woningen ter linker en ter rechter zijde
vertoonen nog het dak van riet; maar het huis, dat wij bedoelen,
is niet alleen breed, hoog en sierlijk trapsgewijze spichtig
uitloopende,--het is ook met hard dak of pannen voorzien. De deur
met haren fraaien klopper, de met ronde en vierkante glasschijven
voorziene vensterramen zijn met frisch zeegroen beschilderd en
flikkeren u levendig tegemoet, terwijl deur en vensters door het
ingelegde werk van een golvend hout de krullende baren nabootsen. Niet
zoodra zijn wij door het voorhuis, over een sierlijken marmervloer,
een ruim vertrek binnengetreden, of ons oog schemert op de met fijne
kalk bedekte en met krijt bestrekene wanden; want die witheid is aan
ivoor, aan versch gevallen sneeuw gelijk. Kostbare schilderijen van
Haarlems beroemden Mostaard en Heemskerk versieren die wanden, en alles
draagt er den onmiskenbaren stempel van milde gegoedheid, van keurige
netheid zonder hoofschen zwier, van Hollandschen eenvoud gepaard met
onvervalschten smaak. De eikenhouten meubels evenaren in glans het
citroenhout; het glaswerk en het Delfsche aardewerk schittert als
kristal; het koperwerk blinkt als verguldsel, en al het omringende is
karakteristiek met den eigenaar. Zoo ziet men ter linkerzijde van het
vertrek eene bruin gewrevene armkast, waarop zich een leeuw vertoont,
de kop met eene gouden kroon van zeven takken versierd, de linkerklauw
de zeven vereenigde pijlen en de rechter het slagzwaard omklemmende:
dat is het beeld van macht, door eendracht geboren. Ter rechterzijde
van den leeuw ontwaart men het luchtig gekleede beeld eener vrouw;
haar hoofd is met wijngaardranken omkranst, hare linkerhand schijnt
eene speer te drillen, waarop een met laurieren omvlochten hoed hangt,
een gesloten brief vertoont zich in de rechter: dat is het beeld van
de vrijheid. Ter linkerzijde van den leeuw ziet men een oorlogshelm;
eikenbladeren omkransen zijn helm, de met ontblooten dolk gewapende
rechterhand rust op eene marmeren zuil, waaraan een verguld schild
hangt, terwijl de linker eene spies draagt en de arm met een schild
is gewapend: dit is het beeld van het vaderland--van den helm, die
er bloed en leven voor veil heeft.
Die eendracht, die vrijheid, dat vaderland zag men daar niet tot
sieraad, gelijk zooveel voorwerpen onzer hedendaagsche salons;
zij waren geen schitterend uithangbord, dat zoo vaak bedriegt. Het
gevoel voor vrijheid woonde in de ziel des eigenaars: hij gloeide van
vaderlandsliefde en van de bewustheid, dat eendracht muren van metaal
smeedt; want de bewoner van het huis was burgemeester Nicolaas van
der Laan.
Wij zien hem daar in den kring van zijn gezin, na den terugkeer
van het raadhuis, waar al zijne ambtgenooten hem met den eersten
dag van het jaar hunne groete hebben gebracht. Voor zooveel wij
uit geslachtregisters konden opmaken, is burgemeester Van der Laan
driemaal gehuwd geweest. Zijne eerste huisvrouw, Anna Boelens,
was gestorven. Deze had hem den zoon Gerrit van der Laan nagelaten,
dien wij op Spaarndam leerden kennen;--voorts eene dochter Alida,
die een paar jaren tevoren met Maarten Ruikhaver in den echt
was getreden; en Maria, de beminde van den vaandrig Ruikhaver,
tijdens het beleg. De huisvrouw, thans aan zijne zijde gezeten, is
Agatha van Schoten, de dochter van Jacob, een man van aanzienlijk
geslacht. Een enkele oogopslag op de achttienjarige Anna is genoeg,
om haar te kennen als eene telg van dezen tweeden echt. Slechts zij
en hare twee en twintigjarige halfzuster maken thans met de ouders
den huiselijken kring uit, en men zoude haar niet als kinderen van
één vader aangemerkt hebben. Maria was een brunette, wier zachtbruine
huidtint met het rijkste karmozijn was overtogen, terwijl hare lippen
de kleur eener kers hadden. Anna was, evenals hare moeder, bleek,
doch had dezelfde fijne gelaatstrekken, die thans nog wel slechts
eene uitdrukking hadden, maar bevalliger zouden worden, wanneer hare
lentejeugd eenigen meerderen wasdom bekomen had. Anna was geheel
het afdruksel harer moeder; dat zelfde levendige oog, die zelfde
adelaarsneus en die zelfde teedere gestalte, welke echter geen zweem
van zwakheid verried. Maria zag er nochtans bekoorlijker uit; zij was
het evenbeeld van de schoone bloemen, onder welke zij op de hofstede
haars vaders haar halve leven had doorgebracht. De open lucht dáár had
sterkte gegeven aan haar gelaat, en heur donkerbruin haar schitterde in
den letterlijken zin des woords; want hierin waren beiden van Agatha
van Schoten onderscheiden, dat eenige gekronkelde lokjes van heur
haar over hare slapen zwierden en aan de linkerzijde met eene gouden
speld pronkten, terwijl het haar der moeder door een streng in acht
genomen vlechtsel, of liever door een band op het achterhoofd losjes
was saamgevoegd en geen sieraad had, dan de groote gouden knoppen,
die een paar vingerbreedten van dat vlechtsel in de ooren hingen.
Behalve haar zag men in het ruim vertrek nog verscheidene andere
personen, hetzij uit familiebetrekking, hetzij uit plichtgevoel
bijeen. Zoo zag men er den Duitschen hopman Christoffel Vader, het
jaar tevoren gehuwd met Magdalena van Schoten, eene dochter van Jakobs
broeder, zoodat de band van neef den Duitscher aan den burgemeester
verbond. Men zag er Van Duivenvoorde en diens nicht Maria, vroeger
kloosterjuffer te Rhijnsburg, doch thans met burgemeester Van Vliet
gehuwd, alsmede haar dochter Henrica, die voor de schoonste jonkvrouw
van Haarlem werd gehouden. Men zag er Matthijszen, Van Brederode
met zijne vrouw Adriana van Treslong, en een paar minuten tevoren
hadden burgemeester Kies en zijne vrouw het gezelschap met hunne
tegenwoordigheid vermeerderd, alsook Maria van Schoten, die eene
zuster was van Magdalena van Schoten. De vaandrig Hasselaar was een
oogenblik geleden vertrokken om weder naar de wallen terug te keeren;
want zoo noode verliet hij die, dat hem gewoonlijk dáár door zijne
moeder het middagmaal gebracht werd, en hij niet zelden de hand in
den schotel doopte ten aanzien van den Spanjaard, door wien hij dan
luide vervloekt werd.
Hooge ernst lag op het gelaat van allen, die daar aanwezig waren;
want het was nu geen Nieuwjaarsdag, op welken de jeugd de vroolijke
beelden van het vervlogene jaar door gesprekken terugriep. Geene der
jonkvrouwen herinnerden zich thans den tweeden bruiloftsdag van een of
ander gelukkig paar, dien dag, waarop de bruid met hare speelgenooten
in fraai beschilderde wagens gezeten, op den zoogenaamden Weligen
Berg het afscheid bracht aan al de genietingen der jonkvrouwelijke
vreugd. Men repte van geene vermaken, van geene feesten; men sprak
slechts over Haarlem en alles wat er mee in verband stond; want de
gansche ziel was vervuld met de gloeiende bede voor het heil van stad
en land.
--»Gewis,« zeide Van der Laan, toen na een bijzonderen wensch van
ieder, het gesprek algemeener en toch bepaalder in verband met de
gebeurtenissen was geworden, »het is een Nieuwjaar van schemering
voor bijkans heel het land, maar bovenal voor onze stad. Op ieders
aangezicht ligt een donkere tint en over gansch Haarlem een nevelig
kleed: en toch hebben wij groote aanleiding tot dankbaarheid; want
Christus onze Heer gaf reeds zoo menig blijk van zorg en macht,
dat het ons met moed en vertrouwen omgordt.«
--»Eilaas!« sprak de vrouw van burgemeester Kies, »wat er bittere
droefheid is in de woning van den fabrijk. De kinderen missen een
vader, die al hun levenssteun en zoet was.«
--»'t Is te beklagen,« liet Agatha, de vrouw des huizes er op
volgen. »Meester Janz Raad was een bekwaam fabrijk, en hij heeft zijn
leven gelaten in 't versterken der stad.«
Dit zeggende, viel haar oog op Van Duivenvoorde, die eenige woorden
met burgemeester Kies sprak. »Mejuffer!« zeide zij nu tot de vrouw
van Van Vliet, »gij zult óók wel rustiger wezen, als uw man terug is
van Zaandam: het bevreemdt juffrouw Cann en ook mij, dat de bosdrager
Michiels zijne reis nog niet afgelegd heeft.«
--»'t Is waar, en het uitgaan is gepaard met groot gevaar,« was
het antwoord: »maar ik ben toch vol hoop, dat hij in den middag wel
tijding zal brengen.«
Dit zou echter het geval niet wezen; want de bosdrager of bode Wijnant
Michiels was daags tevoren met eene beslotene missive van den prins,
gericht aan Van Vliet en Reinier Cant, naar Zaandam vertrokken, wijl
die beide heeren zich daar bevonden; te Zaandam echter vernam hij,
dat zij naar Enkhuizen waren gereisd, om met Nicolaas Ruikhaver over
de zaak te raadplegen, iets waardoor zijne terugkomst, zoowel als de
hunne niet weinig zou vertraagd worden.
--»En hoe is zij nu onder haar lot?« vroeg burgemeester Van der Laan
aan Matthijszen, op den toon van iemand, welke die zelfde vraag ook
nog kortgeleden gedaan heeft, en waarover reeds gisteren en eergisteren
gesproken werd.
--»Nog zonder ophouden in weedom,« antwoordde Matthijszen, op wiens
gelaat meer smart zichtbaar zou geweest zijn, wanneer zijne sterke ziel
geene macht tot zelfoverwinning gehad had. »Daar is geen troosten aan:
wat zachte woorden men ook spreke, of wat men ook bidde, 't is al
tevergeefs, en als de bedroefde vrouw niet aflaat zich zoozeer over
te geven aan wanhoop, dan ducht ik, dat krankte haar zal aantasten,
en dat het weldra met haar zal gedaan zijn.«
--»Voorzeker! 't is ook verscheurend voor haar gemoed,« zeide Van
der Laan, »en ik beklaag haar diep. Maar hoe strengelijk zijne
doorluchtigheid in deze zaak is te werk gegaan, zoo is toch recht
geschied; want wat zou het baten, dat voor de vrijheid bloed en
leven wordt opgezet, zoo men aan den anderen kant straffeloos den
duurgezworen eed krenkt.«
--»En zeide Lancelot van Brederode, »wat nog erger is.... een eed,
die werd verbroken, om te knielen voor een Spanjaard, die geen droppel
eerlijk bloed in 't lijf heeft,--die niet weet dan van rooven en
hangen. Ik zeg het zonder schroom: die straf is nuttig en noodig,
en geene pijn zou te zwaar zijn geweest.«
--»Foei, Brederode!« sprak zijne vrouw, die hem innig liefhad om
zijne deugden, maar ook niet zelden eene uitbarsting zijner ruwheid
moest ondervinden, ofschoon zij reeds sinds jaren getracht had,
zijnen forschen aard door hare vrouwelijke zachtheid te temperen;
»Brederode! een ieder is bewogen over de strenge straf, die de
pensionaris heeft ondergaan, en over de folteringen, waaronder Van
Schagen schijnt bezweken; ook ik bid u, er niet op dien harden toon van
te reppen, maar medelijden te hebben met de zoo diep rampzalige vrouw.«
--»Ben ik dan zonder medelijden voor haar?« hernam Brederode, zijne
stem een halven toon latende dalen, »Hadewij heeft geen deel aan zijne
schuld, dat weet ik evenzeer, maar des te meer hij, en ik herhaal,
dat wie heult met den Spanjaard of er den schijn van heeft, niet te
zwaar kan gestraft worden.«
--»Draagt gij ook kennis,« vroeg hopman Vader aan burgemeester Kies,
terwijl hij Lancelot een teeken gaf, om Matthijszen voor bitterder
grieve te sparen, »of burgemeester De Vries nog in Amsterdam toeft? Men
zegt, dat hij wel mag toezien, om niet in handen te komen van den
prins.«
--»Ik weet er niets van,« was het antwoord.
--»Het gerucht zegt zooveel,« zeide Lancelot, het teeken van Vader
niet achtende, »maar wat mij belangt, ik zeg rond, dat hij zoowel
straf heeft verdiend als de pensionaris en Van Schagen. Hij zal zich
nochtans wel schotvrij houden, en dat zal hem geraden wezen; want de
spraak gaat, dat De Kok van Nerijnen, de zwager van den pensionaris,
in ongenade is gevallen bij den prins, enkel omdat hij pardon voor
hem heeft gevraagd. Heeft men niet gelogen, dan is het ook een dwaas
stuk geweest: hij moet den prins al weinig kennen, met niet te weten
dat deze geen pardon geeft, aan wie zijn eed schendt.«
--»Ik heb vernomen, dat juffrouw De Vries nog op den duur het bed
moet houden,« zeide de vrouw van Brederode, toen zij hoorde, dat er
onder de mannen over den gewezen burgemeester gesproken werd.
--»Ja,« antwoordde Agatha, »sedert den dag dat Van Schagen gevangen
werd, en zij daar uit het huis vloog, gissende, dat haar man
weergekomen was, is zij niet meer gezond geweest: de holle schrik
moet haar zeer aangetast hebben.«
--»Zij heeft felle koortsen,« zeide de vrouw van burgemeester Kies,
»en als die op het heftigst zijn, doet zij niets dan ijlen en met
harde stem roepen, dat haar man haar gebracht heeft in al dat leed,
en dat hij moet terugkomen.«
Hier werd plotselijk het gesprek afgebroken door het opengaan der
deur en het binnentreden van twee personen, op welke aanstonds ieders
oogen gevestigd waren, terwijl burgemeester Van der Laan haastig
van zijn stoel opstond om haar met hartelijkheid en een blijkbaar
gevoel van hooge achting tegemoet te gaan. En daar een hunner eene
der hoofdpersonen van ons verhaal is, vinden wij ons verplicht,
den lezer in een nieuw hoofdstuk met haar bekend te maken.