De dag na den laatstafgeslagen storm was een Zondag geweest. Toen
had roomsch en onroomsch in hunne bedehuizen geknield en gedankt,
want roomsch en onroomsch had den vinger Gods gezien in een strijd,
die nog slechts aangevangen was.
Onder delven en graven in den schoot der aarde en onophoudelijk
versterken der wallen, was inmiddels de dag verrezen, waarop de
Engelen in Bethlehem het statige, »vrede op aarde!« zongen; de
heuglijke Kerstdag was daar.
Aandoenlijk, indrukwekkend was het, in eene belegerde vest, op
zulk eene stonde, duizenden in de kerken vereenigd te zien. Hoe
eerbiedwaardig klonk daar van de lippen des vromen priesters het:
»Gloria in excelsis Deo!«--Hoe plechtig sprak er de waardige Sijmons:
»Gezegend zij degene, die daar komt in den naam des Heeren; de Heer
is God, die ons zijn licht doet schijnen.« Ziedaar Ripperda met zijn
broeder Asinga; ziedaar Van Duivenvoorde, Brederode en zoovelen
van de regeering! Eenige dagen tevoren klemden zich hunne handen
om het rapier, bliksemde hun oog den Spanjaard te gemoet; thans
zijn die handen eerbiedig gevouwen, thans is dat oog, waarin vrome
dankbaarheid gloeit, naarboven gericht. Hoor! geen geschutgedonder,
geen wapengeschreeuw; orgelklanken en psalmgezangen; en dan toch weer
dat plechtige: »vrede op aarde!« zoo in tegenstelling met de gevechten,
die nog zoo dikwijls zouden herhaald worden, zonder dat iemand zeggen
kon: »dáár zal het einde van den strijd zijn.«
Na den afloop der godsdienstoefening begaf zich Van Duivenvoorde naar
zijne woning, een deftig antiek gebouw in de Smedestraat. Was het
wonder dat zijn hart klopte, schoon de predikant Sijmons vele woorden
van hoop en vertrouwen had gesproken?--Was het wonder, dat hij zijne
drie kinderen, bij het binnentreden der zaal hem tegensnellende,
met vuriger, maar angstiger liefde aan zijn hart drukte? Immers,
alvorens zijn luitenant Arentz de Jong teruggekeerd was, had een
bode uit Leiden hem de grievendste tijding gebracht. Deze luidde,
dat de voerman, met het rijtuig en de twee bedienden, welke Magdalena
vergezeld hadden, niet in Leiden waren teruggekomen. Op denzelfden dag
was hem dit bericht door zijn luitenant bevestigd geworden. Verplettend
was het Van Duivenvoorde op het hart gevallen, en toch had hij zijne
kalmte bewaard. Oogenblikkelijk echter had hij zelf zich met veel
gevaar naar Leiden begeven. Daar had hij schrik en wanhoop gevonden,
want nog was er niemand teruggekomen, nog verkeerde men daar in
onzekerheid over het lot van Magdalena en van hen, die met haar
waren gegaan. Allen moesten rampzalig om het leven zijn gekomen, of
in handen van den vijand zijn gevallen. Eene tusschengedachte scheen
er niet te bestaan,--en alle nasporingen waren vruchteloos.
Met verscheurde ziel, maar met berusting op het gelaat, was Van
Duivenvoorde in Haarlem teruggekomen. Andermaal had hij toen zijn
luitenant afgezonden, en burgemeester Van Vliet met Ripperda en anderen
hadden hunne deelnemende navorschingen met de zijne vereenigd. Het
was bijna niet twijfelachtig, of Magdalena was in de macht van den
Spanjaard gevallen. En toch, welk eene martelende onzekerheid nog,
bijna zonder een straal van hoop.
--»Groote God! wat zal het haar zijn?« had hij reeds honderd malen
gezegd en gedacht. »Wie zal rampzaliger wezen, zij of ik? Vader in
den Hemel! verlos mij van de twijfelingen der ziel.«
Maar als hij dan, gefolterd en afgestreden, uit zijn afzonderlijk
vertrek weder in de woonzaal verscheen en een blik op zijne kinderen
wierp, dan moest men in dien blik zijne mannelijke gelatenheid
bewonderen en de krachtige inspanning om het lot der moeder voor
hare kinderen verborgen te houden. Uit de kerk gekomen, had hij een
moeilijken strijd. Men zie daar in het ruim vertrek bij het haardvuur
drie kinderen gezeten, in de tegenwoordigheid der huisbestierster
Brechta, op wie thans de taak der moeder rust. De een schijnt een
tienjarig knaapje met gitzwarte lokken en den blos van gezondheid. Met
zijn zevenjarig broertje, een niet minder aanvalligen knaap, bezichtigt
hij eenige gekleurde figuren in een dik boek met schaapslederen omslag,
en tafereelen bevattende van 's Heilands geboorte en leven, geprent
in 1570 bij Guilliam van Parijs. Brechta houdt zich meer bepaald met
een achtjarig meisje bezig, in wier oogen de kinderlijke onschuld
met iets naïefs en openhartige bekoorlijkheid ineensmelt. Ook Brechta
heeft een boek in de hand. Het bevat: »de geestelijke liederen door
dr. Marth. Luther,« welke bij de hervormden van die dagen algemeen
gevonden werden. Juist heeft zij het tweede lied opgezocht op
Christ.-dagen, en nu leest zij met luider stemme:
Een kindelijn, soo lovelijck
Is ons gheboren huijden,
Van eijner jonckvrou suiverlijck,
Tot troost ons arme luijden.
Was ons dat kindelijn niet gheboren
Soo were wij altemael verlooren;
Dat heijl is onser alle,
Eij du, soete Jesu Christ,
Dats du Mensch gheboren bist
Behoet ons voor de helle.
Brechta leest het met een pijnlijk gevoel; want hare gansche ziel
zweeft rond het onbekende lot van hare meesteres, en zij siddert,
dat de jeugdige Emma haar nieuwe vragen zal doen, die zij niet weet te
beantwoorden, daar Van Duivenvoorde haar plechtig heeft doen beloven,
de kinderen met de gebeurtenis onbekend te laten.
--»Dat is toch zoo mooi niet, goede Brechta, als de prenten,« zeide de
kleine Emma; en nu wendde zij het hoofd van het bontgekleurde tafereel
af, dat haar oudste broeder in de hand hield en dat de vlucht naar
Egypte voorstelde. Maar op datzelfde oogenblik sloeg de broeder,
evenals alle kinderen, eenige bladzijden tegelijk om, en nu zag men
het tafereel, waar Maria naar het kind Jezus zocht, zijnde het den
teekenaar bijzonder gelukt, den angst der moeder levendig en treffend
op het gelaat uit te drukken.
--»Die arme, lieve moeder!« zeide Emma, »hoe zij bang en bedroefd
moet geweest zijn. Wat zou onze moeder ook wel bang wezen, als zij
niet wist, waar wij waren. Kwam zij toch maar terug!«
Nog had Emma dit laatste woord niet ten volle uitgesproken, toen Van
Duivenvoorde de zaal binnentrad. IJlings verlaten allen het vuur en
snellen den vader te gemoet, Emma met opene armen, de beide knapen
met het prentenboek in de hand.
--»Vader! komt gij nu weer alleen?« roept Arthur, de jongste.
--»Waar is nu moeder?« voegt de oudste er gelijktijdig bij en ziet
den vader met een ernstiger en verstandiger blik aan, die te kennen
schijnt te geven, dat hij zich niet met een onbepaald antwoord zal
tevreden houden.
--»En moeder heeft ons ieder eene mooie kerstboom beloofd, als wij
heel zoet waren. Zijn wij dan niet zoet geweest, vaderlief? Laat
Brechta maar spreken.«
Van Duivenvoorde gevoelde, hoe zijne ziel vaneengereten werd; want zij,
naar wie de kinderen zoo reikhalzend verlangden, was misschien voor
altijd van hen afgescheurd. Toch vertoonde zijn gelaat geen zweem
van zijne bittere gemoedssmart, en op alles voorbereid, antwoordde
hij gedwongen opgeruimd:
--»Ja, lieve kinders! moeder kan nog niet komen: maar aan de kerstkoek
heeft zij toch gedacht. Blijft maar hier, en aanstonds zult gij wat
moois zien.«
--»Waar zijn ze, vader! waar zijn ze?« riep Arthur.
--»Heeft moeder ze gezonden uit Leiden van onze moei?« vroeg Emma,
»Nu, Brechta, zijn wij ook niet zoet geweest?«
--»Zeker wel,« was het eenigszins pijnlijk antwoord; »gij zijt geen
van allen op straat geweest. Zij hebben wel eene mooie kerstkoek
verdiend, mijnheer!«
Op dat oogenblik werd er geluid aan den deurklopper gehoord. Van
Duivenvoorde zelf snelde de zaal uit, iets, dat hij sedert verscheidene
dagen gewoon was te doen, als, voortdurend tusschen groote vrees en
kleine hoop geslingerd, iets verlangende te vernemen, waarvoor hij
toch sidderde.
--»Blijft!« riep hij Emma en hare broeders toe, toen deze insgelijks
uit het vertrek wilden; en een bediende, die de deur zou openen,
voorbijsnellende, zag hij op eens zijn luitenant voor zich staan.
--»Wat brengt gij, leven of dood?« vroeg hij schielijk, zonder de
zielsontroering te verraden, die hem plotseling aangreep.
--»Ik heb tijding, mijnheere!« antwoordde De Jong, op dien toon,
die noch vrees noch hoop inboezemt. Maar terwijl hij in het
naastbijgelegen vertrek ging, traden reeds Ripperda, de predikant
Sijmons en de burgemeester Van Vliet het huis binnen. Op een teeken
van Van Duivenvoorde begaven zich allen in hetzelfde vertrek; en
zoo kalm en bedaard was Van Duivenvoorde, dat hij nog vooraf een
bediende gelastte, het beloofde kerstgeschenk voor de kinderen in de
woonzaal te brengen, ten einde de opgeruimde stemming, waarin deze
thans verkeerden, niet te benevelen.
--»Eerst nu terug en wat tijding brengt gij?« vroeg Van Duivenvoorde,
en met zijn neef Van Vliet hing hij als aan de lippen van den
luitenant.
--»Het lot der vrouwe is thans bekend,« antwoordde deze. »Eer zij
gelegenheid had om op Schalkwijk de meer over te steken, is zij op de
hoogte van Bennebroek met den voerman en de twee dienaren in handen
van den Spanjaard gevallen....«
--»Zij leeft dus!....« viel Van Duivenvoorde den bode met hevige
gemoedsvervoering in de rede, »vanwaar is dat bekend? hoe weet
men?....«
--»Hoor mij aan, mijnheere! Nog niets bekend zijnde, bleef ik in
Leiden toeven, toen zich een persoon bij uwe zuster aanmeldde. Het
was de voerman, die eenige dagen in gevangenis op het huis Berkenrode
heeft doorgebracht. Zijne paarden en zijn wagen heeft men hem ontnomen,
maar hem heeft men vrijgelaten, mogelijk opdat hij de brenger zou zijn
van deze tijding.--Dit is alles, wat hij heeft kunnen mededeelen. Van
het lot uwer vrouw weet hij niets.«
--»Ik heb het vermoed,« riep Van Duivenvoorde op dien langzamen
toon, welke bitteren weedom, maar ook christelijke onderwerping
uitdrukt. »Zoo ben ik verlost uit de twijfelingen der ziel, en hoe
groot mijne ramp moge wezen, ik zal haar weten te trotseeren als man.«
--»Mijn oom! die slag is zwaar, maar ook ik heb hem vermoed,« sprak
burgemeester Van Vliet, »dat zal de trotschheid verhoogen van den
Spanjaard en zijn waan, dat Haarlem te eerder zal vallen. Maar zoo
ik u ken, dan zal die waan ijdel wezen.«
--»Dat zal hij,« sprak Ripperda, terwijl hij met Friesche rondheid
Van Duivenvoorde warm de hand drukte, en er geestdrift in zijn oog
blonk. »De lage Spanjaard!--Zich meester te maken van eene zwakke
vrouw van aanzien en rang, omdat hij zich niet kloek genoeg voelt
tegen eene wakker verdedigde vest. Maar bij den prins, mijnen heer! de
jakhals bedriegt zich in zijn hol, zoo hij meent, dat dit hem tot
profijt zijn zal. Geen middel zal gespaard worden om haar te rukken
uit zijn geweld.«
--»En het is niet bekend, waar zij zich bevindt?« hernam Van
Duivenvoorde, zich tot zijn luitenant wendende, »of men haar bewaakt
op het Huis Ter Kleef of in Amsterdam. Onvergeeflijke dwaze daad, zich
den weg te willen banen naar eene stad, door een leger van vijanden
omringd. Arme Magdalena! deze roekeloosheid zult gij beschreien met
menigen traan.«
--»Het is de wil van God, die u bestemd heeft tot deze beproeving,«
zeide de predikant Sijmons op zijn gewonen eerbiedigen en
rechtgeloovigen toon, die hem aller achting en liefde had doen winnen,
»maar de Heer zal u en haar ook kracht geven naar kruis; dat willen
wij bidden zoowel tot uw heil als tot dat van gansch Haarlem.«
--»Voorzeker! het is Gods wil,« zeide Van Duivenvoorde, »dat zij,
die mij het liefst is, aldus afgescheurd is van mijn hart. Daarom
zal ik den weedom gelaten dragen; en zij, Magdalena, is vol moed
en geloof. Maar mijne kinderen!.... zal ik hun de droefmaar doen
hooren? Sinds vele dagen hunkeren zij iederen ochtend naar hare
terugkomst; maar iedere avond doet hen teleurgesteld en droevig ter
ruste gaan; in zoete droomen snelt de lieve moeder hen in de armen,
maar als zij haar willen omvatten, dan vlucht zij als een spook van
hen weg. Van nu af zal het mij nog droeviger wezen, op hunne vragen
te antwoorden; want mijn hart zegt het mij--ik zal Magdalena niet
wederzien.«
--»Gij zult haar wederzien,« zeide Ripperda op den vasten toon eens
krachtigen mans, wien niets onmogelijk toeschijnt. »Het beeld van de
moeder zal allengs flauw worden voor den geest uwer kinderen; dat
zal dus uwe bitterste grieve niet blijven. Als zij haar terugzien,
zullen zij haar herkennen en weer liefhebben, en terugkeeren zal zij,
of is Wigbolt Ripperda uw vriend niet?«
Onder deze woorden bracht de kloeke Fries zijne rechterhand aan het
gevest van zijne kling, en deze beweging, hoe onmerkbaar schier,
ontsnapte niet aan Van Duivenvoorde. Deze had er de taal van Ripperda
nog te duidelijker door verstaan, en zijn antwoord was een warme
handdruk.
--»Niets anders dus bekend van haar?« vroeg hij andermaal aan zijn
luitenant. »En zij heeft geen losprijs geboden, toen de vijand haar
overviel?«
--»Dat is niet bekend, heer!« was het antwoord, »maar de Spanjaard
is gewoon een losprijs af te wijzen, als hij zijne hebzucht kan
bevredigen door geweld.«
--»Het is zoo; maar don Frederik weet toch voorzeker, dat zij eene
vrouw uit Haarlem, dat zij Magdalena van Duivenvoorde is?«
--»Dat moet ik u nog zeggen, heer! dat men den voerman gedwongen
heeft, haren naam te noemen, met de bedreiging van de palei, zoo
hij weigerde. Hij heeft het zelfs moeten bezweren met een eed bij al
de heiligen.«
--»Hoe de Spanjaard speelt met eenen eed!....,« zeide Van Vliet
met een bitteren grimlach op de lippen, »alsof er geen glippers en
verraders in zijn leger waren, van wie hij zonder eed weten kon,
dat zij vrouwe Van Duivenvoorde was.«
Een oogenblik zat men zwijgend, als gaf men zich aan den loop der
gedachten over, die verschillend door ieders ziel kruisten. Zij,
die daar Van Duivenvoorde zoo deelnemend omringden, wisten dat hij de
man niet was, wien men door troostredenen moed moest inboezemen. Zij
kenden hem als een man van krachtigen geest en bewonderden de kalmte
op zijn gelaat, omdat zij overtuigd waren, dat zijn gevoelig hart
moest verscheurd zijn.
De predikant Sijmons was de eerste, die deze pauze afbrak, en wel
door woorden, die den kouden langen preektoon niet hadden, maar die
kort en gevoelig tot het hart spraken.
--»Ik ken Magdalena,« zeide hij, »zij is eene Christin vol hoop en
geloof; moedig zal zij haar lot dragen en den Heer bidden, wetende,
dat Hij heil schept uit leed, dat de Heere God is, die ons zijn licht
schijnen doet.«
Weer wilde Ripperda spreken en Van Duivenvoorde de hoop inblazen,
hoe het spoedig zou kunnen gebeuren, dat men door een uitval den een
of anderen vijandelijken aanvoerder in handen kreeg, en deze dan tot
losprijs zou kunnen strekken voor zijne vrouw, toen men duidelijk
het geluid van den klopper vernam. Eenige seconden later meldde
zich een bediende aan met de boodschap, dat luitenant Horenmaker
zijn heer verlangde te spreken. Ripperda verliet de zaal en vernam
van Horenmaker, dat er een bode van den prins aangekomen was en aan
zijne woning wachtte, om den bevelhebber te spreken.
--»Ik moet van hier,« zeide hij, driftig in de zaal teruggekeerd,
tot Van Duivenvoorde, »men roept mij naar mijn kwartier; maar spoedig
kom ik terug,«
Onder een warmen handdruk, die meer zeide dan woorden, en na eene
eerbiedige groete aan den predikant, verliet hij de zaal en was spoedig
de straat op. Maar nauwelijks aan het begin van de Smedestraat, nabij
de markt, gekomen, ziet hij opeens eene ongewone beweging onder de
menigte. Van alle kanten ziet hij mannen, vrouwen en kinderen naar
de Koningstraat dringen en hier en daar hoort hij den naam van Van
Schagen en Van Assendelft op luiden toon uitspreken.
--»Ik vermoed, wat het zij,« spreekt hij bij zich zelven. »Gewis,
het vonnis zal volvoerd wezen.«
Tegelijkertijd hoort hij achter zich zijn naam uitspreken, en omziende,
ontwaart hij Matthijszen in blijkbare gemoedsbeweging en verschrikt
over een gerucht, welks omvang hij niet kent.
--»Is hij dood, mijnheere? Van Schagen dood?« vraagt Matthijszen
onstuimig.
--»Nog is mij niets bekend,« antwoordt Ripperda, »maar ik twijfel
bijna niet.«
--»Groote God! zou de prins dat ontzettend vonnis?....«
--»Mogelijk, dat hij die stoute daad niet heeft geschroomd. Zijne
Doorluchtigheid is een wakker man, en wie zijn eed schendt, heeft
zware straffe te vreezen.«
Maar Matthijszen hoorde deze woorden niet meer. Onder den uitroep:
»dan zal er voor de wanhoop geene grens wezen!« stort hij voort,
baant zich een weg door de menigte naar de Koningstraat en hoort hier
en daar onder het volk den verschrikkelijken kreet: »gehangen zijn
de verraders! zoo moet het schelmen vergaan!«
Hoe dichter Matthijszen de woning van Van Schagen naderde, hoe
dichter zich de menigte in den omtrek samendrong. En uit het midden
van dat dichte gedrang hoorde men klanken van wanhoop uit eene
vrouwelijke borst. Met alle inspanning poogde Matthijszen zich een
weg te banen en ten laatste gelukte het hem. Maar hoe ook toegerust
met geestkracht, huiverde hij terug bij het jammertooneel, dat
zich aan hem vertoonde. Men verbeelde zich Hadewij bleeker dan een
lijk, met verwilderde haren, met verscheurde kleederen en verwrongen
gelaatstrekken, gillende, krachtige pogingen te zien aanwenden om zich
los te rukken uit de handen van een drietal bedienden, welke haar in
huis willen brengen, doch bijna genoodzaakt zijn haar derwaarts te
sleuren. Men zie Maria zich voor hare moeder op de knieën werpen en
onder aanroeping van Christus, haar met schreiende oogen smeeken,
zich toch niet aan vertwijfeling ten prooi te geven. Men hoore
Floris, den vijftienjarigen knaap, op wanhopigen toon den naam van
Ripperda--den naam van zijn vader uitroepen; men zie hem beurtelings
krampachtig de handen wringen, of de vuisten dreigend opheffen; en met
dat alles vereenigt zich het angstgeschrei en gegil der dienstboden,
terwijl men nu en dan onder de menigte nog de kreten hoort: »dat is
verradersloon! zij wilden ons aan duc D'Alf verkoopen, maar zij hebben
't geboet met den hals!«
Nauwelijks is Matthijszen doorgedrongen naar dit tooneel, of hij heeft
de bron er van tot op den bodem doorzien. Met zijne gewone kalme en
tevens krachtdadige wijze van handelen grijpt hij Maria om de slanke
middel, draagt haar door de menigte, die daar minder dichtopeen is
gepakt, naar de woning, en roept Floris op bevelend zachten toon toe,
hem te volgen.
--»Ripperda is de moorder van mijn vader!« roept de jongeling,
en als vastgeworteld blijft hij op zijne plaats staan, terwijl hij
een wanhopigen blik werpt. »Mijn vader, mijn vader! men heeft hem
onschuldig gemoord.«
--»Hij was een verrader!« klinkt het opnieuw, »mijnheer Ripperda
heeft recht aan hem gedaan.«
--»Keer in huis, Floris!« roept hem Matthijszen smeekend en op een
toon van gezag tevens toe, »wat baat het, dat gij hier uwe bittere
smart lucht?«
Vervolgens wendt hij zich tot Hadewij, die zich uit de handen harer
bedienden poogt los te wringen.
--»Laat mij!« gilt zij, »naar Ripperda, wraak, wraak! hij is de schuld
van zijn dood; Ripperda heeft hem vermoord!«
--»Om Christus wil, keer terug!« roept Matthijszen, »ik smeek het u:
stort u niet in deerlijker leed; keer terug.«
--»Neen, neen! niet in mijn huis, daar is de dood!« gilt zij en slaat
woest met de armen om zich heen. »Dood ook mij; er is voor mij geen
leven meer.«
Daar stort zich op eens eene vrouwelijke bediende voor Hadewij neder en
roept op waanzinnigen toon: »Jonkvrouw Maria sterft! kom haar te hulp.«
--»Terug naar haar!« beveelt Matthijszen; en daar Hadewij in weerwil
van het gevaar, waarin Maria verkeert, nog blijft voortworstelen,
grijpt Matthijszen ook haar om de middel. Krachtig weerstreeft zij;
toch moet zij zwichten voor de meerdere sterkte van den forschen
jonkman, en het gelukt dezen, haar door de menigte binnen hare
woning terug te brengen. Ook Floris volgt haar, hetzij uit eigene
beweging, hetzij door de toespraak van Matthijszen, en het tooneel
van vertwijfeling en wanhoop vernieuwt zich nu daar.
Toen Ripperda in zich zelven gezegd had: »ik vermoed, wat het zij,« was
zijn vermoeden waarheid. De bode, door den prins aan hem afgezonden,
bracht onder anderen de tijding, dat daags te voren aan den pensionaris
Van Assendelft, ook wegens vroegere vergrijpen,--gelijk de spraak
ging--het doodvonnis was voltrokken: dat hij in Delft ten aanschouwen
van duizenden was onthalsd geworden en dat zijn hoofd twee uren lang
ten toon had gestaan, als eene ontzettende waarschuwing voor ieder,
om in deze bange dagen terug te beven voor het schenden van den eed van
trouw. Aan Van Schagen ware het zelfde vonnis voltrokken geworden; doch
deze had de folteringen op de pijnbank, die hem bekentenissen moest
afpersen, niet kunnen weerstaan en was in de gevangenis gestorven. De
afgezondene bode was in Delft van de strafuitoefening getuige geweest,
en had bij zijne komst in Haarlem een en ander niet verzwegen. Het
gerucht echter had er in korte oogenblikken reeds eene wijziging aan
gegeven; want het luidde nu, dat Van Schagen en Van Assendelft beiden
aan de galg ter dood waren gebracht. In dien zin had de jonge Floris
het gehoord, toen hij zich naar de woning van Albert van Schagen
begaf. Schrik, siddering, wanhoop, hadden plotseling den jongeling
aangegrepen, en in dien gemoedstoestand was hij naar de Koningstraat
teruggesneld, waar, in de vertwijfeling der droefheid de ontzettende
maar voor Hadewij en Maria ook van zijne lippen klonk. Het tooneel,
hiervan het gevolg, hebben wij gepoogd voor te stellen. In bleeke
wanhoop en daarop volgende razernij was Hadewij uit hare woning
gerend. Onder de woorden wraak, dood, Ripperda, wilde zij naar
Ripperda's woning, hem met de taal van onzinnige verbittering zijne
schuld verwijten, van hem haren echtgenoot terugeischen, hem voor Gods
rechterstoel dagen, om vervolgens misschien uitgeput voor zijne voeten
neder te storten. Reeds was zij buiten haar huis, toen de bedienden,
op het angstgegil van Maria, haar naijlden en in hare woeste vaart
beteugelden. Ook Maria en Floris waren haar nagevolgd; de nieuwsgierige
menigte had zich binnen weinige seconden rondom haar gedrongen, zich
dichter opeengepakt en vervolgens nu en dan de woorden laten hooren:
»hij was een verrader; hij heeft zijn loon weg!«
Ofschoon het nu aan Matthijszen gelukt was, de radelooze Hadewij in
hare woning terug te brengen, bleef het daarbinnen een schouwspel,
waarbij de gebeurtenis van den vijfden van wintermaand als in het
niet zonk. Toen was het een storm geweest, thans was het een orkaan;
toen mocht men het een schok heeten, thans was het eene slooping.
--»Wie in huis wil dringen, keert gij terug,« zeide Matthijszen tot
een paar bedienden, die hij bij de deur had geplaatst. Vervolgens
snelde hij naar Maria, die door zenuwsidderingen aangegrepen, de
bedienden had doen denken, dat zij met den dood worstelde.
--»Maria!« riep hij en kuste hare bleeke wangen, als wilde hij door de
uitdrukking zijner warme liefde den aanval op hare ziel tot bedaren
brengen. »Maria, liefste mijn, zie mij zoo wild niet aan!« sprak hij
smeekend. Maar een nokkend gegil was haar antwoord, bij een akelig
verwringen harer trekken en een koortsachtig beven van al hare leden.
--»IJlings een arts, of het is met haar leven gedaan!« riep Matthijszen
tot eene vrouwelijke dienstbode, die wanhopig de handen samenwrong.
--»Men wil in huis met geweld; men rammeit de deur op!« riep een der
bedienden, welken Matthijszen aldaar post had laten vatten.
--»Het is jonker IJsbrand!« riep de een.
--»Jonker Albert?« liet een ander hooren. En deze uitroepingen gingen
vergezeld met een hevig geklop op de deur, die men van binnen gesloten
had, en door welk rumoer het gegil en de alarmtoonen in ieder gedeelte
van het huis niet weinig vermeerderd werden.
--»Open de deur voor hen!« zeide Matthijszen. »Maar een arts zonder
verwijl! Ik verlaat haar niet.«
--»Mijn vader! mijn vader! onschuldig vermoord!« riep de jonge
Floris en snelde van de zuster naar de moeder, terwijl hij dreigend
de vuisten balde en den naam van Ripperda noemde.
--»Waar is mijne moeder, mijne zuster?« riepen Albert en IJsbrand,
die inmiddels onstuimig en met zielesmart op het gelaat naar binnen
stormden.
--»Terug! van haar terug!« riep Albert, woest op Matthijszen
aandringende; »geene hulp van den man, die zich bij Ripperda
aansluit. Hij is schuldig aan den dood van mijn vader; Ripperda heeft
hem vermoord.« En Matthijszen krachtig aangrijpende, wilde hij hem
losrukken van de sidderende Maria, die hij met beide armen vasthield.
--»Mij? heb ik dan schuld aan zijn dood?« sprak Matthijszen. »Het
wee van uwe ziel doet u deze woorden spreken. Sta haar bij, Albert
of het is te laat.«
--»Weg van haar; ik ben haar broeder, en zij is de uwe niet meer,«
riep Albert op den toon van weedom en vertwijfeling tevens. »Laat
haar los, ik wil het.«
--»Niet nu, Albert, dat zweer ik! Zóó verlaat ik haar niet; veeleer
sterf ik aan hare voeten.« En krachtiger en teederder hield hij het
geliefde voorwerp omkneld, terwijl hij Albert smeekend en tegelijk
met fiere vastbeslotenheid aanzag.
Maar onder die worsteling van liefde met wanhoop en verbittering
wordt het tooneel eensklaps ijzingwekkender. Eerder brullend dan een
menschelijk geluid voortbrengende, stort daar Hadewij het vertrek
binnen, evenals eene krankzinnige, wie het gelukt is, hare banden
te verbreken en haar hok te ontvluchten. Woest slaat zij zich met de
eene hand voor het hoofd, terwijl zij met de andere hare verwilderd
hangende haren uitrukt. »Dood!.... Van Schagen vermoord!....« gilt
zij uit. »Dat zal eeuwig branden op Ripperda's ziel! Dood ook mij,
beul? er is voor mij geen leven meer.« Onder een nieuwen krassenden
gil werpt zij zich op den grond. Albert en IJsbrand schieten toe
om den opzettelijken, hevigen val te verhoeden; maar het is te
laat. Onder den uitroep: »Heere Christus, sta bij!« hooren zij een
dof bonzenden val; Hadewij is met het hoofd op den grond gestort;
eene gulp bloed stroomt haar uit den mond en--op den harden vloer
uitgestrekt, schijnt de rampzalige vrouw van alle leven beroofd.
Toch leeft Hadewij. Hare bewustheid van Van Schagens lot zal van
lieverlede terugkeeren, en dan zal het geene radelooze wanhoop
meer zijn, die haar aangrijpt; dan zal het eene stille smart wezen,
die sloopend aan het hart knaagt. Niet nu, maar toch later wellicht
zal zij luisteren naar Matthijszen. Maar nimmer zullen zijne woorden
voor hare snerpende wonde balsem zijn. Want Hadewij zal Ripperda den
moordenaar van haren echtgenoot noemen; Matthijszen zal Ripperda den
man heeten, op wien de taak rustte, Van Schagen in de macht te stellen
van den prins. Hadewij zal hem een onschuldig slachtoffer noemen;
Matthijszen zal hem niet vrij van schuld rekenen, schoon dan ook
zwakheid van karakter, geen rechtstreeks plan tot verraad hem schuldig
had doen zijn. Hadewij zal op den prins den blaam van wreedaard en
despoot werpen; Matthijszen zal de daad van Oranje hoogst gestreng en
vermetel heeten; maar hij zal ook niet aarzelen, hem groot te noemen,
wegens de koenheid en stoutheid, om aldus zijne macht te handhaven
in een tijdsgewricht, dat die macht nog slechts te vergelijken was
met eene broze kiel op eene holle zee. Matthijszen zal dat, want zijn
karakter waarborgt het. Rusteloos en zwaar zal dus zijn strijd wezen;
want hij zal te kampen hebben met een jeugdigen broeder, die op gevaar
zijns levens den vader trachtte te redden; hij zal te kampen hebben
met een broeder, die gezegd had, dat Maria niet langer de zijne zou
zijn; desgelijks zal hij worstelen met de moeder, omdat hij trouw
blijft zweren aan den man, die haren echtgenoot den dood der schande
deed sterven. Maar Maria zelve zal in dien strijd hem tot schild en
borstkuras zijn; want schoon weenende over den verschrikkelijken dood
haars vaders, zal zij Ripperda zijn moordenaar niet noemen. En voor
iederen strijd, hoe zwaar en bang ook, beeft de man van moed niet
terug, vooral dan niet, wanneer hij de liefde tot schutsgodin heeft.