TWAALFDE HOOFDSTUK.

Niet zoodra waren door de verdedigers de Spanjaarden afgeslagen, of al

de trompetters bliezen den triomfmarsch; sommige hoplieden schaarden

zich rondom Ripperda, aan wiens zijde zich weder jonker Marnix van

Aldegonde bevond, niet minder dan de hoplieden zelve verbaasd, dat

er slechts zeven dooden gevallen en niet meer dan vijftien buiten

gevecht waren gesteld.

Een treffend tooneel, die gezamenlijke mannen gade te slaan, op het

oogenblik na eene roemrijke zege; mannen, iedere minuut gereed, om aan

het vaderland dat leven weder te geven, 't welk het hun geschonken had.

En zij stonden daar eene wijl, sprekende over den doorgestanen storm

en elkaar gelukwenschende, dat het ijzer hen niet getroffen had,

daar Steenbach de eenig gewonde hopman was. Maar men sprak niet lang,

want Ripperda had reeds, toen de vijand op de brug de wijk nam, zijn

gevoelen geuit, dat de storm hervat zou worden, en met Brederode en

Van Duivenvoorde gaf hij voor ieder punt en elke batterij de noodige

bevelen. Niemand rustte op den reeds behaalden lauwer. Hier het musket

ladende, ginds steenen en brandstoffen aanvoerende, of de slangstukjes

richtende, wachtte ieder met nieuwe onverschrokkenheid den vijand af,

als had die vijand gezegd: »ik wijk om mij te versterken en keer met

dubbele felheid terug.«

Een kwartier uurs was dan ook ternauwernood verloopen, toen de

trompetters den stormmarsch lieten hooren, en de tonbrug andermaal met

gewapenden werd bemand. Dan, evenals bij den voorgaanden storm, waren

zij nog niet op het midden der brug, of zij werden met musketvuur en

uit de serpentijnbuks van Lenard Joosten zoo juist begroet, dat er

verscheidene vielen en de brug een krakend geluid gaf, als wierd ze

hier en daar uit haar verband gerukt.

Nauwelijks is de kruitdamp opgetrokken, of onder de schutters, die

zich met Hasselaar bij Michiel bevinden, klinkt op eens de schelle

uitroep: »Bij Ripperda! 't is hij.«

--»Wie is hij?« vroeg Hasselaar.

--»Romero, Romero!« antwoordde Michiel, »ha, daar is hij, de moorder

van mijne zuster; mijn wensch is vervuld, en als 't geluk wil, zal

ik er goed gebruik van maken.«

--»Wilt gij dat ik op hem mik, hopman?« vroeg Hasselaar, aan de

lont rakende, »dan stuur ik hem eene erwt te gemoet, die hij zwaar

verduwen zal.«

--»Ik weet, dat gij er knap genoeg toe zijt, kompaan!« was het

antwoord, »maar wilt ge mij eene dienst doen, laat het dan aan mij

over, hem in slaap te sussen. Gij weet, dat ik met dien Spanjaard

eene rekening heb te sluiten en ik wil den kwijtbrief onderschrijven

met eigen hand.«

Luider bliezen inmiddels de trompetters den stormmarsch, en de

tonen waren doller, evenals deze tweede storm insgelijks doller zijn

zou.--Aanstonds gaven de trommelslagers en pijpers van den wal door

hunne doffe klanken te kennen, dat naarmate de aanval heftiger mocht

wezen, ook de weerstand feller zou zijn; en al hadden de Spanjaarden

deze aankondiging snorkerij willen heeten, dan zou een blik op hunne

gesneuvelden dit luide weersproken hebben.

Vergeefs hadden Brederode en Van Duivenvoorde Steenbach aangezocht, om

wegens de wonde, die zijne hand pijnlijk had doen zwellen, aan dezen

storm geen deel te nemen. Maar wrevelig had hij verklaard, zich niet

aan het gevecht te zullen onttrekken, zoolang het hem nog vergund was,

overend te staan. Toen hij nu echter ten tweeden male gereed stond,

om den vijand af te wachten, viel het oog van eenen ouden Duitschen

knevelbaard op de gezwollene hand, en deze, hoezeer voor geene wonde

vervaard, kon niet nalaten uit te roepen:

--»Bij mijne ziel, hopman! gij hebt het vuur in de hand: zoo gij u

geene hulp laat schaffen, zijt gij haar kwijt.« En nu zagen eenige

andere soldaten insgelijks naar Steenbach, als wilden zij zeggen:

»waarachtig, het is zoo.«

--»Het oog op den vijand,« sprak nu deze, »mannen, krijgsbroeders! daar

is geene zwarigheid of gevaar, al ben ik door de hand geschoten;

zoolang het niet door het hart is, zal ik u niet verlaten.« Nu zwaaide

hij moedig het staal boven zijn hoofd, als bewijs, dat het hem nog

geenszins aan kracht en strijdlust ontbrak. »Zoo schiet ook de leeuw,

als ligt hij overmand, nog vuurstralen, die anderen terughouden,

hem te naderen. Jammer voorwaar, dat een zoo dapper gemoed, als dat

van Steenbach, vereenigd was met schraapzieke eigenbaat en huichelarij.

--»Soldaten van 't groene vendel!« klinkt nu de holle stem van

Romero, »ik heb het u gezegd en herhaal het: wie terugwijkt, verliest

voor eeuwig zijne eer, en wie aarzelt, heeft voor het laatst bij

't Siliciaansche vendel gediend; maar ook dit zweer ik de rang van

anspessado, voor wien het eerst de wallen beklimt en den vijand het

eerst doet wijken.«

--»Leve Romero!« roepen nu de soldaten, voor wier er voorzeker geene

grootere aanprikkeling tot onversaagdheid bestond, dan de hoop op

rangverhooging, waaraan hun gansche leven gewijd is, omdat zij wakend

en droomend er aan denken, »leve Romero!« herhaalden zij, »leve de

koning! overwinning of dood!«

--»Loop storm, soldaten!« riep Romero, terwijl een kogel, door Michiel

afgeschoten, met zooveel kracht zijn helm trof, dat de plotselinge

drukking den aanvoerder een oogenblik suizelen deed. Een Spaansche

vloek was het eenige, dat Michiel voor zijn wel aangebracht schot

inoogstte; want bijna ter zelfder tijd herhaalt Romero krachtiger

zijn bevel, en eenige soldaten, door een anspessado voorgegaan,

beklimmen eene stormladder, terwijl anderen een paar schreden van

daar met andere ladders aanijlen.

--»Overwinning of dood!« roept Lama, zoo onrechtvaardig door don

Frederik beschuldigd, omdat spijt en verbittering over de nederlaag

dezen hadden aangegrepen, en omdat er een voorwerp zijn moest,

waaraan hij zijne teleurstelling en gramschap kon koelen. »De vlek

moet uitgewischt worden; ik zal den Maestro del Campo toonen, dat

hij een zoon van Spanje in zijne eer verguisd heeft. Mij den storm,

senor Romero, en bij de heilige maagd! gij zult mij weldra bij de

muiters op den muur zien.«

--»Voorwaarts dan!« zeide Romero, »toon, wie gij zijt; gij zult mij

niet ontgaan.«

IJlings kiest Lama een tiental soldaten, aan wie hij beveelt, hem te

volgen, en de krijgslieden, schoon niet ongewoon aan aangezichten,

waarop al de woede en grimmigheid van den oorlog uitgedrukt staan,

zien Lama nochtans met verbazing aan; want op zijn gelaat vertoont

zich nu alles, wat den eenen vijand tegenover den anderen zoo

verschrikkelijk maakt. De donkere nevel, dien miskenning, verguizing

en verontwaardiging er op brachten, heeft een vuurkleurigen tint

aangenomen, en de dapperheid waardoor hij zich vroeger kenmerkte,

is in een getergden, wij zouden schier zeggen, in een helschen moed

overgegaan.

--»Weg, kerel!« roept hij driftig tot een anspessado, die op het

punt is eene ladder te beklimmen, »gij kunt mij volgen, als gij wilt,

maar niemand klimt vóór mij: ik het eerst....«

Met geen ander wapen dan zijn schild, zijn degen en een dolk, bestijgt

hij de ladder, terwijl hij de zijnen gebiedt hem te volgen en een

grimmigen blik naar boven slaat, als tartte hij allen, die hem daar

afwachten. Maar nog heeft Lama de helft van de ladder niet beklommen

of de slag eener stormkolf doet hem wankelen, terwijl het gloeiende

pek, door alle openingen heendringende, hem de huid brandt. Toch houdt

hij stand; zelfs gelukt het hem, een paar sporten hooger te klimmen,

doch zijne hopmanskleeding is hem noodlottig; verscheidene musketten

zijn op hem gericht en terwijl de Spanjaard den dood veracht, treffen

hem twee kogels tegelijk; nog eenige seconden wankelt hij, nog klemmen

zich zijne handen aan de ladder, maar het diep in de zijde gedrongen

lood belet hem verder stand te houden, en een gil tegen de oorzaak van

zijn val uitstootende, tuimelt hij neer. Ongelukkige Spanjaard! schoon

gij nu van don Frederik geen lof oogst, zult gij toch niet andermaal

blozen over eenig grievend verwijt.

--»Ook gij!« zegt Venavides tot Valdez, »gij hebt wel gezegd, dat

niets dan de dood ons wacht: dat is spotten met het leven van den

krijgsman, en het grieft mij diep, dat 's konings beste soldaten zoo

op de slachtbank worden gebracht.«

--»Ook mij,« sprak Valdez, en hij wilde nog meer zeggen, toen

zich op eens Romero liet hooren, die beiden lieden bij hun naam

noemde. Oogenblikkelijk zien zij op; Romero nadert en roept hun

driftig toe: »Gij ziet den afloop, senores! Zóó gaat het nooit. Ik

zelf zal eene ladder beklimmen; ik rechts, gij links.«

Zonder hun tijd tot antwoord te geven, ijlt hij weder aanstonds

naar het dichtste punt, waar zijne soldaten het blokhuis trachten te

bestormen, en--met forsche stem moedigt hij hen aan.

--»Animo, soldaten, animo! overwinning of dood!« roept hij; doch

een dicht bij hem staande Spanjaard, die reeds een paar malen

door de verdedigers afgeweerd werd, hoezeer hij moedig den storm

had ondernomen, voelt op eens zijn wrevel ontbrand en zegt nu op

spijtigen toon:

--»Wij behoeven niet op den duur aangemoedigd te worden, het ontbreekt

ons aan moed noch aan wil, maar aan macht....«

--»Wat zegt gij daar, hond?« dondert hem Romero toe, daar de soldaat

wellicht wat luider had gesproken, dan hij zelf gemeend had. In de

drift, die bij Romero altijd even ras ontvlamde als het buskruit,

brengt hij den krijgsman met het platte van zijn rapier een slag op

den schouder toe, er de smadelijke uitdrukking bijvoegende: »Wie,

schelm, heeft u onder een eerlijk vendel gebracht?« en tegelijk

zijn slag vernieuwende, ligt de aanvaller, op het hoofd getroffen,

machteloos voor zijne voeten.

--»Al a salto!« gebiedt hij vervolgens, »al a salto! Viva el Reij!«.

IJlings stormen de soldaten met meer drift dan tevoren naar de

ladders. De oogenblikkelijke wrok over de strengheid jegens hunnen

makker wijkt voor het krijgsrumoer en den dood, die boven ieders

hoofd zweeft, en uit aller mond weergalmt slechts de kreet: »Leve de

koning! den rebellen de dood!«

Intusschen heeft er een nog bloediger wederstand plaats dan bij den

eersten storm. Niet zoodra toch had Ripperda een tweeden aanval

vermoed, of ijlings waren, op zijn bevel, Horenmaker, De Jong en

Brazeman stadwaarts gegaan, een ieder vermanende om met allerlei

brandstoffen aan te snellen, ten einde den vijand te meer af te

keeren. Weldra ontbrak het dan ook niet aan verschillende voorwerpen,

welke den bestormers meer afbreuk doen dan ijzer en staal, temeer,

daar deze er diezelfde middelen niet tegenover kunnen stellen. Hier

zag men er, die met gloeiende kolen gevulde potten aanvoerden en wier

aangezichten een donkeren tint aannamen, telkens wanneer de gloed

hen bescheen. Daar droegen anderen zware ketels met kokende olie of

teer aan, terwijl ginds de zoogenaamde morgensterren of poppelcijsen,

een voorraad van pek en brandhoepels of de van buiten met scherpe

spitsen voorziene stormkransen getorst werden. Onverpoosd verving

de eene steenvracht de andere; vrouwen, mannen en knapen sleepten

of droegen onvermoeid de zwaarste vrachten, en zij behoefden noch de

aansporing van Ripperda, noch van Van der Laan of Stuiver: zij waren

toch Haarlemmers, men bedreigde toch hunne veste, vrouwen, kinderen,

haardsteden, altaren, en--die bestormers waren de moorders van Naarden.

--»Bij St.-Hubertus! voor Ripperda!« klonk de stem van Hasselaar,

het geuzenvaandel op het eene punt zwaaiende, terwijl Ruijkhaver,

Schatter en Kouseband de banier weder elders hoog boven hunne hoofden

deden wapperen en, den Spanjaard tergende, den moed hunner makkers

niet weinig verhoogden. Maar hoezeer ook de drie andere vaandrigs niet

schroomden, zich met hunnen standaard op de gevaarlijkste punten te

vertoonen, brachten zij niet, evenals Hasselaar, den vijand ieder

oogenblik afbreuk toe; want diens scherp oog was bestendig op de

aanvoerders of de hoplieden gericht en wanneer zijn musket op dezen of

genen de onbelemmerde richting had, gebeurde het zelden, dat hij geheel

en al zijn doel miste. Onderscheidene malen had hij reeds op Perea en

Valdez aangelegd; doch wanneer hij de lont aan de pan bracht, had òf

het paalwerk òf eene schanskorf, òf een andere hinderpaal zijn doel

verijdeld, en wrevelig had hij dan zijne lading op een anderen vijand

afgeschoten; meest altijd met het gevolg, dat er een gewond werd.

--»Voor Ripperda!« had hij aangeheven, toen hij andermaal op Valdez

mikkende, dezen zoo trof dat hij, zijne soldaten tegen het blokhuis

aanvoerende, een oogenblik suizelde; en Hasselaar herhaalde het,

toen hij zag, dat de latere belegeraar van Leiden eenige seconden

daarna waggelde en viel, en er onder de Spanjaarden en Sicilianen

eenige verwarring ontstond.

--»Geloof me vrij hopman, ik heb hem uit 't zaal gelicht;« zeide

Hasselaar tot Michiel, die met eenige schutters onophoudelijk op de

bestormers vuurde en gramstorig het musket had nedergeworpen, omdat

hij nog altijd tevergeefs Romero had zoeken te treffen. »Maar kent gij

dien anderen Spanjool met die pluimen op den schutkeuvel? Mij dunkt,

hij heeft beter trekken, dan die rauwe Romero, op wien gij vergeefs

uw lood en kruit hebt gespild.«

--»Ik ken den schelm niet,« antwoordde Michiel. »Maar wat zie ik

daar? Geef acht, Hasselaar! ze krijgen het daar te bang: vuur!« Aller

oogen zijn nu op eens naar den kant gericht, waarheen Michiel wijst,

en tegelijk knalt het uit al de musketten van achter de aardzakken,

die eene soort van schietgaten vormen en tevens hun hoofd dekken:

eenige bestormers zijn op het punt, den muur te beklimmen: aan een

hopman, Lukas Soynag geheeten, is dit reeds gelukt, en nu klinkt het

luide: »Weg met de Spanjolen! Vivent les Gueux!«

--»Wakker aan, mannen!« roept Pellikaen, »weert het gespuis van den

wal;«--en onverwijld snellen eenigen met gloeiende kolen en olie aan

en werpen het op de hoofden der Spanjaarden, die insgelijks op het

punt zijn, den muur te beklimmen.

Onafgebroken zijn thans de kreten van woede en smart, en wij zouden

eene mengeling van vloeken en Godslasteringen neerschrijven, wanneer

wij ze den lezer wilden mededeelen. Maar men verbeelde zich tallooze

langwerpige vuurklompen, hier rood als bloed, daar sulferblauw, een

zwavellucht verspreidende en groote en kleine rookwolken vormende,

die met tallooze kronkelingen opstijgen; daar een vuurbol, die van den

eenen helm op den anderen stort en myriaden vonken voortbrengt; ginds

een stroom van olie, welke zich door alle gapingen en openingen den

weg baant, de aangezichten verschroeit of verbrandt en--de bestormers

half-verstikt doet neertuimelen.

Intusschen houdt Soynag stand. Wel was hij door een schampschot

getroffen; maar dit had hem niet weerhouden, om met kracht en vlugheid

het punt der eer te bereiken. Met eigen hand heeft hij twee der

Duitschers doen vallen en nu strijdt hij met Vlasman alleen, die op

dit punt post heeft gevat.

--»Hij houdt stand,« zeide Hasselaar tot Michiel, die met de zijnen

onophoudelijk door een levendig musketvuur afbreuk blijft doen,

het mangelt hun niet aan courage. »Vlasman! tegen hem zijt ge

niet opgewassen; zie, hoe handig hij 't rapier voert: houd u kloek

Vlasman! of het wordt nacht voor u.«

--»Die slag kwam aan,« zeide Michiel, »maar hij wordt met renten

betaald.«

--»Help daar, dat was een botte veeg!« roept Hasselaar: »maar afgekeerd

is hij, en nu krijgt de Spanjaard het te kwaad. Goed zoo, Vlasman! hij

heeft het weg op den rechterarm; die zinkt slap naar omlaag. Wakker

aan, trek er profijt van....«

--»De Spanjaard vecht met de linkerhand«, zegt nu Michiel, »hij

is een eerlijk schuldenaar, die met intrest betaald. Ze zijn aan

elkaar gewaagd: dat is op uw hoofd gemunt, Vlasman! help daar! dat

is krachtig gemeend.«

--»Neen, 't is mis;« roept Hasselaar, »de Spanjool houdt geen voet

bij stuk meer; hij steekt op den loop: maar het veld achter zijn rug

is niet breed; waar wil hij heen?«

--»Dat is list; hei daar, Vlasman, houd u terug! Wat zal het nu

wezen? Daar tast hij hem aan!«--En uit zijn en Hasselaars mond ontsnapt

gelijktijdig een gil; want aan den rand zien zij eensklaps een tooneel,

kort van duur maar niettemin ijzingwekkend. Met de snelheid eener

ademhaling heft Soynag zijn wapen op; doch in plaats dat hij het op

zijne tegenpartij laat dalen, werpt hij het van zich en roept op somber

dreigenden toon uit: »rebel! gij zult met mij sterven.«--Niet rasscher

springt eene slang van achter den boomstam op hare prooi aan, dan

Soynag het hoofd en het lichaam naar den grond bukt, Vlasman plotseling

bij de beenen grijpt en hem vallen doet. Even ras haalt hij uit den

gordel zijn dolk om den Haarlemmer het wapen in de borst te stooten,

terwijl hij den kreet hooren laat: »muiter! gij zult met mij sterven.«

--»Maar niet door dien dolk!« roept Vlasman, die, hoe schielijk en

onvoorziens aangevallen, toch eene hand vrij heeft, er het dreigend

wapen mee omklemt en verhindert, dat zijn vijand het hem in de

borst stoot. Nu heeft er eene korte worsteling plaats, waarbij de

krachten gelijk schijnen, maar waarbij de behendigheid en de veel

jongere leeftijd van Soynag verre de overhand hebben, en--het is een

worsteling aan den zoom van een afgrond. Reeds is het den Spanjaard

gelukt, hem nog een voet dichter naar den rand te duwen, en met schrik

zien de bestormers, hoe de voeten van den hopman aan de glooiing een

steunpunt zoeken te vinden, om met meer vastheid zijne tegenpartij

er dichter heen te sleuren.

Met kracht poogt Vlasman het wanhopig doel te weerstreven, doch zoo

vast als een wolf, die een buffel heeft besprongen, zich aan dezen

vasthecht, zoo krachtig houdt Soynag zich aan zijn vijand geklemd, en

reeds te halver lijf over den rand hangende, is het oogenblik daar,

dat beiden zullen neerstorten. Dan, op dit oogenblik is Vader ter

redding van zijn vriend doorgedrongen en heeft hij hem krachtig bij

den bandelier gegrepen.

--»Wilt gij sterven, sterf dan alleen,« roept hij den Spanjaard toe,

en hem een houw met zijn zwaard toebrengende, laat Soynag de handen,

die zijn vijand omklemmen, los. Door Vaders bijstand kan ook Vlasman

nu meer kracht aanwenden, en het linkerbeen van de hem drukkende

last vrij gevoelende, brengt hij Soynag een schop toe, zoodat deze

het evenwicht verliezende, aan den rand ontglipt en zijn dolk in

Vlasmans hand achterlatende, neerstort.

--»Voor Ripperda! weg met de Spanjaards!« klinkt het thans onder

Michiel en Hasselaar en allen, welke dien korten strijd met ontzetting

aanzagen.

--»Zijt gij gewond?« vroeg Vader, toen Vlasman, weder opgestaan zijnde,

hem de hand drukte, ten dank voor de bewezene hulp.

--»'t Was een kloek Spanjool, maar hij heeft mij toch geene kwetsuur

aangebracht,« zeide Vlasman; »heb dank, kompaan! dank.«

--»Dank God!« roept Vader, »en strijd. Weg met den Spanjaard! Haarlem

triomf!«

--»Terug!« klinkt het onder de bestormers, in weerwil dat Romero hun

onverpoosd den storm gebiedt.

--»Terug!« herhalen anderen; en werkelijk deinzen sommigen die

slechts een wissen dood voor oogen zien, achterwaarts. Dat ziet don

Frederik. Hij had den eenen aanvoerder na den anderen zien vallen;

nu ziet hij hoe het aantal soldaten, die in verwarring, terugtrekken,

grooter is dan van hen, die standhouden en hij ziet het met smart,

met verbittering; hij ziet het als de zoon van Alva, dien het wel

de borst niet verscheurt, dat zoovelen zijner dappersten vallen,

maar omdat zij vallen door de hand van rebellen.

--»Vervloekt!« zegt hij tot Marco, terwijl hij driftig op den grond

stampt en tevergeefs zijne woede zoekt te ontveinzen, »zijn dat

de helden van Spanje?--Zijn dat soldaten, om eene ellendige vest

meester te worden? Zij laten zich doodslaan als honden; zij vallen

door die rebellen, alsof ze nooit een vijand hadden aangegrepen. Waar

is nu die capitan Lama, die zijne schuld zou uitwisschen? Waar is nu

Venavides. Waar Soynag, waar Valdez? Zijn allen gevallen? Waar wapperen

de Spaansche vendels? Waar zijt gij nu Romero met uwe overwinning

of dood? Bloed, niets dan bloed zal ik zien, en de muiter zal ons

beschimpen, dat hij dat bloed heeft geplengd. Romero!« riep hij

met verheffing van stem, als kon deze het hooren; »Romero! wee u,

zoo dat bloed niet gewroken wordt. En waar is hij? Zooeven zag ik

nog zijne pluim wapperen, maar thans niet meer: zou ook hij reeds

gevallen zijn?....«

--»Hoor, senor!« zegt Marco. Daar klinkt de krijgsleus: »voor Romero,

valt aan!«--

--»Wat wil dat eeuwig getier en geschreeuw onder het gevecht?«

herneemt Frederik. »Zoo zij er slechts één voet door wonnen; maar

het is altemaal ijdel rumoer en geblaas: niet de donder, maar de

bliksem vernielt. Dat geschreeuw als van de mooren en wilden moet

eens ophouden in het leger, en ik maak er een eind aan?«

--»Romero houdt stand, senor; ik geloof, dat hij zelf het blokhuis

beklimt: de damp van dat schot belet mij te zien; maar daar dragen de

soldaten Venavides weg; ik geloof waarachtig, dat hij niet meer leeft;

nu:« voegde hij er mompelend bij, »dan behoeft hij niet te vallen

door mijn staal: want bij Spanje's patroon, hij zou gezien hebben,

dat men don Marco niet ongestraft hoont.«

--»Daar is hij--Romero!« roept op eens don Frederik; »ja, hij is

onverschrokken en stout: hij vreest hel noch dood; en zoo moet het

zijn....« En nu eens van de eene schans naar de andere snellende,

dan eens dezen of genen zijner officieren vluchtig toeroepende of

eenig bevel gevende, volgt hij elke beweging van Romero en verbeidt

met drift en ongeduld den afloop van diens aanval.

--»Senor!« laat zich op eens de stem van Rodrigo de Sapata hooren,

terwijl hij haastig op Frederik toetreedt. »Nog is er kans tot de

overwinning. Laat nog eenige versterking aanrukken; laat mij ze

aanvoeren, ik smeek het u: al mis ik de linkerhand, de rechter heeft

nog dezelfde kracht als voorheen.

--»Neen, er rukt niemand meer aan!« zegt Frederik, wrevelig, »en u

senor, beveel ik buiten gevecht te blijven. Laat mij dit bevel niet

herhalen.--Geef slechts acht op Romero, mocht ook hij vallen, dan

blazen de trompetters den terugtocht. Er is al genoeg bloed gespild.«

Men zag, hoe het De Sapata smartte, aan den strijd geen deel te mogen

nemen. Hij was niet ongelijk aan een moedig paard, dat naar het veld

hunkert, doch de stal niet mogende verlaten, spijtig en ongeduldig

doch tevergeefs den fieren hals rekt. En De Sapata verdient onzen

lof. Geen veertien dagen toch waren nog verloopen, sinds hem aan

de Spaarndamsche schans den arm ontnomen werd, en soms was de pijn

dezer wonde bijna onduldbaar. Dit toonde daags tevoren zijn verbleekt

gelaat; doch nu er gestormd, nu er op leven en dood wordt gestreden,

voelt hij geene pijn, nu is de bleeke tint door een blos vervangen;

de hunkering naar het gevecht vlamt in zijn oog, en in weerwil dat

zijne krijgsbroeders eene deerlijke nederlaag ondergaan, wil ook hij

aansnellen en wellicht den dood vinden. Maar de bevelhebber verbiedt

het, en--deze wil slechts gehoorzaamheid, blinde gehoorzaamheid aan

zijn wil.

--»Voor Romero!« klonk het intusschen onder de Spanjaards, terwijl

Frederik in zijne verbittering tegen het krijgsgeschreeuw uitvoer,

met het voornemen om het af te schaffen. »Espana! Espana! La victorio

ò la muerte!« (Spanje! Spanje! de overwinning of de dood!) liet het

zich hooren; want Romero beklom, als aanvoerder, den muur zelf. Hij

zelf wilde bereiken, wat aan zoovelen mislukte: hij wilde toonen,

dat het gezegde: »Romero vreest hel noch dood!« met allen grond op

hem toegepast werd; hij wilde op den muur zijn en er de zege bevechten.

--»Nu hebt gij beter gelegenheid; trek er nu profijt van,« zeide de

jonge Hasselaar tegen Michiel. »Men wil zeggen, dat die Romero van

de teenen tot aan den hals enkel harnas is; maar mij dunkt, dat zijn

gezicht toch wel blootstaat voor een goed schot.«

--»Of 't opwelling van haat is, of dat ik niet goed omspring met het

musket,« zeide Michiel, »maar dit is gewis, dat ik den moorder niet

treffen kan: en 't zou mij weinig baten, als ik hem vallen zag door

een ander.«

--»Dus moet gij u reppen,« hernam Hasselaar, »want het zou mij eene

grief zijn, als hij op den muur kwam. Bijlo! het moet nacht voor hem

worden, eer hij het zoover brengt.«

--»Snel gezegd, maar traag gedaan,« zeide Michiel; »doch lang mij

uwen hoorn, ik wil ook van dat fijne kruit de proef wel eens hebben.«

Hasselaar gaf hem aanstonds zijn fraaien schildpadhoorn, die aan eene

witte koord om zijn hals hing en met eene fijnere soort van kruit was

gevuld. Snel laadde Michiel het musket, dat hij aan een gesneuvelden

schutter ontnomen had, en den loop tusschen de aardzakken brengende,

legde hij op Romero aan. Juist gaf ook het slangstuk van Willem

Cornelisz vuur en de daardoor te weeg gebrachte damp belette aan

Michiel, de uitwerking van zijn schot te zien. Niet zoodra echter was

de damp opgetrokken of hij zag dat de aanvoerder nog op de ladder

stond en blijkbaar niet gekwetst was, wijl hij zich onverschrokken

verdedigde tegen hen, die hem van den muur trachtten te weren.

--»Mis!« zeide Michiel, op een toon, waarin verbittering en spijt

doorstraalde, alsmede een gevoel van schaamte, dat hij in de kunst

van schieten zoo verre beneden zijn jongeren vriend stond.

--»Probeer het nog eens,« zeide Hasselaar; »en bij

St.-Hubertus! misschien zal 't geluk u dan gunstiger wezen.«

Zonder te antwoorden, greep de hopman zijn musket weder, terwijl ook

Hasselaar inmiddels het zijne laadde. Op dat oogenblik echter liet

zich de kreet hooren: »Leve de koning! den muiters de dood!« en de

aanvoerder was op het punt, het blokhuis te beklimmen. Dan, het was

ook op dat oogenblik, dat van het punt waar zich Michiel bevond, een

schot knalde; het was door hemzelven afgeschoten, doch op het harnas

van den Spanjaard afschampende, had het zijn doel niet getroffen;

vervolgens was die knal door een anderen opgevolgd en tegelijkertijd

daverde het nu: »Leve Ripperda! weg met de Spanjaards!« Die tweede

knal werd door Hasselaar, teweeggebracht, en eer men het flikkeren

van het ontbrande kruit zag, stortte Juliaan de Romero duizelend van

de stormladder neder: letterlijk was hem een oog uitgeschoten--de

aanvoerder van den storm ten halve van zijn gezicht beroofd.

--»De dood aan den Maraan!« klonk het uit den mond van een schutter,

die een anspessado zoo behendig eene brandende pekkrans om den hals

wierp, dat hem deze als een beugel scheen te omsluiten, en hij, in

weerwil zijner wanhopigste inspanning, er zich niet van ontdoen kan,

maar met het brandend voorwerp om den hals neertuimelt en zijn dood

in de gracht vindt.

--»Weg met Romero! de dood aan de bestormers!« klonk het nu,

en tegelijk werden ook de overige aanvallers door vorken, kolven,

vuurroers en brandstoffen met zooveel kracht afgekeerd, dat er weldra

geen vijand meer te bestrijden viel.--

Dat de mislukking van dezen laatsten aanval in de vijandelijke

schansen waargenomen werd, bleek daaruit, dat zich oogenblikkelijk

de aftocht bij trompetgeschal hooren liet, en wel met zooveel drift

als het daartoe gegeven bevel. Groot was de verwarring, waarmede men

thans den terugtocht of liever de vlucht ondernam en verdoovend waren

de kreten, die de Haarlemmers aanhieven:

--»Triomf voor Ripperda! Leve de prins!« klonk het hier.

--»Weg met de moorders van Naarden! Haarlem heeft triomf!« galmde

het daar.

--»Wonden en dood van Haarlems lood!« galmde het weder op een ander

punt, en onder dit rumoer bliezen de trompetters het overwinningslied

van de geuzen, terwijl de trommen door doffe tonen boven die van den

vijand uitklonken. Slechts weinige capitans waren ongekwetst gebleven

en men zag nog slechts enkele officierspluimen op de helmen wapperen;

Juliaan de Romero had als laatst gevallene het getal der gewonden

vermeerderd, en ternauwernood gelukte het aan zijne soldaten, hem

mede te dragen, wijl onder hunnen aftocht een aanhoudend vuur uit de

slangstukjes en de druiventrossen op hen gericht werd.

--»Vuur!« klonk het overal, »toont gastvrijheid, mannen, tot den einde

toe!--die ons bezoeken komt, moet uitgeleide worden gedaan.« En de

Spanjaard had inderdaad niet over tekortkoming aan die zoogenaamde

beleefdheid te klagen. Hier vielen hem vuurpijlen en steenen op den

rug, daar deden de serpentijnbuksen en dubbelhaken, doch vooral de

slangstukjes en druiventrossen eene vernielende uitwerking.

Hoe groot evenwel de nederlaag ook zijn mocht, nog moest ze door een

noodlottig toeval vergroot worden. Het zwaard der Haarlemmers scheen

nog niet krachtig genoeg te hebben gewoed.

De vluchtende vijand was ongeveer tot twee derde gedeelten van

de brug voortgedrongen, toen zich opeens een verward rumoer liet

hooren. Tegelijkertijd zonden de Haarlemmers hun weder eenige kogels

achterna; doch toen de schoten in de verte wegstierven en de dikke

kruitdamp was opgetrokken, zag men in de gracht een tooneel van

verwarring en schrik. Het houten gevaarte namelijk was in het oog van

sommige Spanjaards niet stevig genoeg samengesteld geworden, en men

wil, dat eenigen reeds bij den eersten storm ook daarvan een kwaden

afloop voorspeld hadden. De onvolmaakte saamvoeging der planken met

het vaatwerk was door eenige schoten uit het slangstuk van Cornelisz

nog meer uit haar verband gerukt; en toen nu de bestormers in allerijl

gingen vluchten en dicht op elkander aandrongen, kon de tonbrug die

plotselinge voortduwing der menigte niet weerstaan. Het eerst had de

verwringing of uiteenrukking op het voorste gedeelte plaats. Schoon

het dus aan de eersten gelukte, den overkant te bereiken, was aan hen

die volgden, de terugtocht afgesneden: het was alsof zich eene lange

ijsschots onder de eersten krakend gebogen had zonder te breken, maar

toen een tweede last zich op haren rug bevond, kraakte en boog die

rug hoorbaarder, knapte vervolgens als glas af en deed de soldaten

in het water tuimelen.

--»Heilige moeder Gods, behoed mij!« klonk het onder hen, wier voeten

op eens den vasten bodem verloren, en die zich vruchteloos vastklemden

aan hunne makkers, wie een gelijk lot troffen.

--»Voorwaarts!« schreeuwden zij, die achteraan waren en zich op eens

weerhouden voelden, evenals een stroom, die in het midden zijner

bedding door eene klip gestuit wordt.

--»Rugwaarts!« roepen zij, die in het water werden gedrongen, terwijl

op dat punt de brug onverpoosd kraakte en insgelijks met uiteenrukking

bedreigd werd.

--»Terug, voor den satan, terug!« riepen de ongelukkigen, die zich

vooraan in het midden of ter zijde bevonden en onmogelijk stand konden

houden, wijl het vuur der Haarlemmers, onophoudelijk op de achtersten

spelende, deze onstuimig naar voren deed dringen. Bange toestand! van

voren en in het midden het kille water der gracht; van achter de

musketten; verderf hier, vernieling daar, ginds een naar gekerm,

wat verder Godslasterlijk gevloek. Nu eens verwarde en ondoelmatige

bevelen, dan weder het geschreeuw der Haarlemmers, die niet ophielden,

de nederlaag hunner bestormers te vergrooten. Hier een Spanjaard,

die zwemmend den overkant tracht te bereiken, door anderen gevolgd

wordt en zijne poging ziet gelukken; daar een makker, die niet zwemmen

kan, of die door zijne zware wapenrusting zinkt, in zijne wanhoop een

anderen makker aangrijpt en hem met zich sleurt.--Plotselijk weder

het kraken en uiteenspringen van een ander gedeelte der tonbrug,

gevolgd door eene gelijke verwarring, een gelijk gevloek en gekerm,

dezelfde pogingen om worstelend het lijf te behouden en dezelfde dood

in de gracht. Kreten voor- en achterwaarts, om hulp; dommelend geraas

van trommels, weergalmende tonen van trompetten, overwinningsklanken

en de losbarsting van slangstukken en vuurroeren, alles in akeligheid

verhoogd door de meer en meer invallende schemering, die in 's vijands

oog een zwarte nacht was.

Aan velen gelukt het nochtans, al zwemmend den overkant te bereiken;

velen ook klemmen zich aan de losgewrongene planken en tonnen, en

wien het gelukt zulk een voorwerp machtig te worden, redt zich uit

de klauw van den dood, wanneer ten minste geen lood of ijzer van de

wallen hem treft. Voor de meesten echter is deze eindramp noodlottig,

want die meesten vinden hun graf in het water, waar de zwaarte hunner

wapenrusting of de bekomene wonden hen doen zinken:--en reeds lang

na het vallen van den avond hoorde men van den wal nog het geplons;

ook hoorde men onverpoosd het gekerm van: »o aarde, aarde, o San Jago,

o San Dominico!«--en men zeide, dat de gekwetsten, die naar Amsterdam

werden gebracht, hetzelfde gekerm lieten hooren,--zoo zwaar lag de

jongst gepleegde moord van Naarden op hun geweten en zooveel berouw

greep hen aan over de daar gepleegde wreedheid, die de Haarlemmers

thans zoo gevoelig hadden gewroken.--

Dit was de heillooze afloop van den herhaalden vijandelijken

storm. De twintigste van wintermaand zou bij don Frederik en de

Haarlemmers niet licht worden uitgewischt. Maar hij zou voorzeker

verschillend herdacht worden; hier met godsdienstig gevoel, daar met

verbittering. Voor Hollander en voor Spanjaard was de vinger Gods

opgeheven geweest; gene zag in dien vinger den Onzichtbare--deze

een krachtig waarschuwingsteeken om den muiter met andere macht te

bestoken. De Hollander boog dankbaar de knieën; de Spanjaard zwoer

vloekend wraak.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 17 / 23 题