Achter de verschansingen hadden zich, op don Frederiks bevel, de
voornaamste officieren rondom hem geschaard en zijn dreigende blik
voorspelde hun geene vriendelijke toespraak.
--»Wat zijn wij gevorderd?« zeide hij; »ruim honderd van de kloekste
soldaten gesneuveld en een veel grooter getal gewond. De Vergas! de
dood heeft u voor mijn toorn behoed; want had het lood dier rebellen
u niet getroffen, mijn verwijt zou u harder grieven. En gij, capitan
Lama, leg uw degen af: voor hem, die zijn volk geen stand weet te
doen houden, is het staal van den koning onnut.«
Eene donkere wolk kwam op des Spanjaards gelaat; dat was de plotselijke
opwelling van grievende miskenning, van gekrenkt eergevoel; het
was eene door de dampen der smart ontstane wolk, die wel dreigde
los te barsten, doch, in de opeenpakking belemmerd, zich niet in
regen ontlastte.
--»Ik gehoorzaam, senor,« sprak hij, de Toledosche kling bij het
gevest grijpende en haar uit de ijzeren scheede halende: »ik zwijg
voor mij zelven, maar dat zweer ik, dat don De Vergas gevallen is
zonder blaam....«
--»En ik beveel u te zwijgen, ook van hem;« hernam Frederik, terwijl
zijn gelaat nog dreigender werd en hem nu meer en meer aan Alva deed
gelijk zijn, »ga naar uwe tent, capitan, en verwacht mijne nadere
uitspraak.«
Lama gaf nu zijn degen in handen van Marco, en deze nam hem aan met
een valschaardigen, kwaadaardigen blik op Venavides, met een blik,
waarin duidelijk te lezen stond: »'t grieft mij, dat ik dezen degen,
niet den uwen moet aannemen; maar die dag zal komen, dat zweer ik....«
De van zijn wapen beroofde capitan Lama begaf zich thans naar zijne
tent; een beklagende blik van Venavides en Valdez volgde hem na.
--»En nu, senores! wie zijt gij, die vóór den storm gestemd
hebt?« sprak Frederik, »en wie is er, die het raadzaam acht, dien
te hernieuwen, ofschoon gij allen er den ellendigsten uitslag van
gezien hebt? Spreekt! wie heeft gezegd, dat zoo waar als hij leefde,
de overwinning ons zijn zou? Wie heeft gezworen, dat bij den storm het
geuzenbloed de wallen zou kleuren? Wie wijst mij nu de overwinning? Wie
toont mij dat bloed?«
--»Hier ben ik, senor!« sprak Juliaan de Romero, terwijl er woeste
geestdrift en spijt in zijne oogen vlamden, »ik heb gezegd, dat de
overwinning ons zijn zou, en schoon ik niet beweer, dat De Vergas zijn
plicht niet gedaan heeft, zoo herhaal ik nog eens: storm, senor! en
zoo waar als ik Romero ben, de overwinning is ons!«
--»En ik,« zeide de Portugees Lorenzo Perea, op wiens dapper gelaat
die tijgeraard zichtbaar was, welke ons dat dier, schoon geketend in
de kooi, slechts met huivering doet naderen, »ik heb gezegd, dat het
bloed van de rebellen de wallen zou kleuren, en het is mijne schuld
niet, dat ze rood zijn van het bloed van den Spanjaard.«
--»Noch de mijne,« sprak Francisco de Valdez, »want ik zeide, dat
slechts de dood en de terugtocht ons deel zijn zou en dit herhaal ik
luide, wie er ook de aanvoerder van moge zijn.«
--»Dat is veel gezegd, senor!« zeide Perea, driftig opstuivende,
»en hij, die den storm aanvoert, zou u later daarvan rekenschap
kunnen vragen.«
--»Dat zeg ook ik,« sprak Romero, »dat is eene beleediging van
Spaansche dapperheid en Spaanschen wil: en bij de heilige maagd! ik,
Romero, schrijf deze woorden op mijn zwaard.«
--»Beleediging is het niet, senor!« antwoordde Valdez, »dit betuig
ik u op mijn eer. Ook mij zelven begrijp ik in deze woorden, want
ook ik verwacht slechts den dood.«
--»Dat werd niet op de krijgsschool te Burgos geleerd,« zeide Rodrigo
de Sapata, zijn half afgeschoten arm krachtig opheffende, als om
Frederik te doen zien, dat hij die zware wonde niet achtte en zeer
goed in staat wezen zou om aanvoerder van den storm te zijn, daar was
het een grondregel: »verwacht den dood, maar tel de levenden alleen.«
--»Maar te Burgos was het ook een der voornaamste grondregels: pleeg
vóór den storm met de voorzichtigheid raad,« zeide Venavides, »en elk,
die gezond verstand heeft, beseft dat deze grondregel waarachtig en
goed is.«
--»De mijne, senores,« sprak Frederik, »is, den tijd niet te
verkwisten; maar vooral is het mijn grondregel, pal te staan; dien
aan te kleven, eisch ik van u allen, want ik wil een nieuwen storm,
heden nog, op staanden voet. Aan u, senor Romero, zij het bevel
opgedragen, en gij zult Romero niet wezen, wanneer ons de overwinning
niet zijn zal. Ook gij, senor Valdez, zult bij dezen tweeden storm
zijn; gij waant dat slechts de terugtocht u wacht en de dood; welnu,
te grooter eer dan, zoo gij roem en leven terugbrengt; ik ken uw
moed, ik weet, dat gij den dood veracht en de eer bemint. Ook u,
senor Venavides, bied ik de kans der overwinning aan. Geen verwijl,
dappere senores! gij hebt mij gehoord: maakt u tot den aanval gereed.«
--»Heb dank, senor, voor de eer,« sprak Romero, »want dat zweer ik
bij de wondermacht der madonna, zoo de dood of eene zware wonde mij
niet buiten gevecht stelt, zal de overwinning ons zijn.«
--»Dat is verandering van batterij,« mompelde Marco in zichzelven,
»hij gevoelt dat hij te wijd heeft gegaapt.«
--»Zou mij eene vraag vergund zijn, senor?« vroeg Venavides met
eene buiging.
--»Vraag, senor, doch bedenk, dat de tijd tot spoed dringt.«
--»Sta den capitan Lama toe, senor, dat hij aan dezen storm weder
deel neme.«--
--»Hoe, senor! gij verstout u dit te vragen voor iemand, wien ik den
degen ontnam?«
--»Don Venavides schijnt dus van begrip te zijn, dat aan capitan
Lama die degen ten onrechte ontnomen is,« zeide Marco, terwijl hij
een kwaadaardigen blik op den edelman en een veelbeteekenenden op
Frederik sloeg.
--»Ik sprak niet tot u, senor,« zeide Venavides op fieren toon,
»de krijgsraad zal beslissen, in hoever gij uitspraak moogt doen.«
--»Dien nieuwen hoon, senor--in uwe tegenwoordigheid duldt gij dien?«
zeide Marco; en zich vervolgens tot Venavides wendende, beet hij
dezen met gehuichelde fierheid toe: »Na den storm, senor, denk er aan!«
Eene lichte aanraking van het degengevest was het antwoord, en
Venavides zich weder ijlings tot Frederik keerende, sprak nu op
edelen toon:
--»Ik vertrouw, senor, dat gij aan mijne vraag de bedoeling
niet zult toekennen, welke senor Marco er zoo gaarne aan zou
willen geven. Ik zou mij niet durven vermeten, thans over capitan
Lama's gedrag vonnis te vellen, wijl voorzichtigheid zoo vaak op de
grensscheiding van lafhartigheid schijnt te staan, en dapperheid maar
ééne schrede noodig heeft, om roekeloosheid te worden. Ik mag thans
zijne handelwijze slechts uit uw oogpunt beschouwen: doch ook dan
meen ik hem genoegzaam te kennen, dat hij bij een tweeden storm de
soldaten beter stand zal doen houden. Ja, ik ken hem, en gevoel dat
zijn toestand verschrikkelijk is. Ik smeek u dus dringend; senor,
dat gij aan de bede van een uwer capitanos gehoor geeft.«
--»Wie waarborgt mij,« zeide Frederik, van het onrechtvaardige
zijner handeling zelf niet onbewust gebleven en niet ongeneigd ze te
vergoeden, wanneer zulks zonder krenking van aanzien en karakter kon
plaats hebben, »dat hem op een oogenblik, dat alles beslissen moet,
niet andermaal het gezag faalt, om zijn volk stand te doen houden? Had
hij het dappere voorbeeld van Alfonzo de Galeasso nagestreefd, dan
had ik den terugtocht niet behoeven te laten blazen. Bij Spanje's
patroon! Alfonzo was de eenige, die zich roem verwierf, en het
smart mij diep, dat het staal der muiters mij van zulk een krijgsman
beroofd heeft.«
--»Zoo mijn persoon u genoeg is, senor, dan geeft Pedro de Venavides
u den waarborg, dat capitan Lama streven zal naar de eer, die zich
Galeasso verwierf. Ik geef u den waarborg, dat hij de vlek zal
uitwisschen, die hij, in uwe oogen op zich geladen heeft,--dat hij
vechten zal tot de overwinning of den dood.«
--»Met dien waarborg ben ik tevreden,« hernam Frederik op trotschen,
vasten toon, »en weet, senor Venavides, dat het van dezen storm zal
afhangen, of capitan Lama den degen behoude, dien gij, senor Marco,
hem thans teruggeven zult.«
Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich eenige schreden, terwijl
in die verwijdering opgesloten lag, dat men met den tweeden storm
onverwijld had aan te vangen.
De andere bevelhebbers hielden zich daarmede dan ook reeds onledig. In
een oogenblik waren de kloekste Spaansche en Waalsche soldaten opnieuw
uitgekozen, of liever de meesten boden er zich vrijwillig toe aan,
in weerwil van de bloedige door hunne makkers geledene nederlaag; en
hij, die de algemeene geestdrift toen gezien had, zou het don Frederik
wellicht niet geheel ten kwade hebben geduid, dat deze trotsch en
met zelfbehagen uitriep: »om den troon van mijn koning staan helden,
door Alva en Frederik gekweekt!«