ELFDE HOOFDSTUK.

Achter de verschansingen hadden zich, op don Frederiks bevel, de

voornaamste officieren rondom hem geschaard en zijn dreigende blik

voorspelde hun geene vriendelijke toespraak.

--»Wat zijn wij gevorderd?« zeide hij; »ruim honderd van de kloekste

soldaten gesneuveld en een veel grooter getal gewond. De Vergas! de

dood heeft u voor mijn toorn behoed; want had het lood dier rebellen

u niet getroffen, mijn verwijt zou u harder grieven. En gij, capitan

Lama, leg uw degen af: voor hem, die zijn volk geen stand weet te

doen houden, is het staal van den koning onnut.«

Eene donkere wolk kwam op des Spanjaards gelaat; dat was de plotselijke

opwelling van grievende miskenning, van gekrenkt eergevoel; het

was eene door de dampen der smart ontstane wolk, die wel dreigde

los te barsten, doch, in de opeenpakking belemmerd, zich niet in

regen ontlastte.

--»Ik gehoorzaam, senor,« sprak hij, de Toledosche kling bij het

gevest grijpende en haar uit de ijzeren scheede halende: »ik zwijg

voor mij zelven, maar dat zweer ik, dat don De Vergas gevallen is

zonder blaam....«

--»En ik beveel u te zwijgen, ook van hem;« hernam Frederik, terwijl

zijn gelaat nog dreigender werd en hem nu meer en meer aan Alva deed

gelijk zijn, »ga naar uwe tent, capitan, en verwacht mijne nadere

uitspraak.«

Lama gaf nu zijn degen in handen van Marco, en deze nam hem aan met

een valschaardigen, kwaadaardigen blik op Venavides, met een blik,

waarin duidelijk te lezen stond: »'t grieft mij, dat ik dezen degen,

niet den uwen moet aannemen; maar die dag zal komen, dat zweer ik....«

De van zijn wapen beroofde capitan Lama begaf zich thans naar zijne

tent; een beklagende blik van Venavides en Valdez volgde hem na.

--»En nu, senores! wie zijt gij, die vóór den storm gestemd

hebt?« sprak Frederik, »en wie is er, die het raadzaam acht, dien

te hernieuwen, ofschoon gij allen er den ellendigsten uitslag van

gezien hebt? Spreekt! wie heeft gezegd, dat zoo waar als hij leefde,

de overwinning ons zijn zou? Wie heeft gezworen, dat bij den storm het

geuzenbloed de wallen zou kleuren? Wie wijst mij nu de overwinning? Wie

toont mij dat bloed?«

--»Hier ben ik, senor!« sprak Juliaan de Romero, terwijl er woeste

geestdrift en spijt in zijne oogen vlamden, »ik heb gezegd, dat de

overwinning ons zijn zou, en schoon ik niet beweer, dat De Vergas zijn

plicht niet gedaan heeft, zoo herhaal ik nog eens: storm, senor! en

zoo waar als ik Romero ben, de overwinning is ons!«

--»En ik,« zeide de Portugees Lorenzo Perea, op wiens dapper gelaat

die tijgeraard zichtbaar was, welke ons dat dier, schoon geketend in

de kooi, slechts met huivering doet naderen, »ik heb gezegd, dat het

bloed van de rebellen de wallen zou kleuren, en het is mijne schuld

niet, dat ze rood zijn van het bloed van den Spanjaard.«

--»Noch de mijne,« sprak Francisco de Valdez, »want ik zeide, dat

slechts de dood en de terugtocht ons deel zijn zou en dit herhaal ik

luide, wie er ook de aanvoerder van moge zijn.«

--»Dat is veel gezegd, senor!« zeide Perea, driftig opstuivende,

»en hij, die den storm aanvoert, zou u later daarvan rekenschap

kunnen vragen.«

--»Dat zeg ook ik,« sprak Romero, »dat is eene beleediging van

Spaansche dapperheid en Spaanschen wil: en bij de heilige maagd! ik,

Romero, schrijf deze woorden op mijn zwaard.«

--»Beleediging is het niet, senor!« antwoordde Valdez, »dit betuig

ik u op mijn eer. Ook mij zelven begrijp ik in deze woorden, want

ook ik verwacht slechts den dood.«

--»Dat werd niet op de krijgsschool te Burgos geleerd,« zeide Rodrigo

de Sapata, zijn half afgeschoten arm krachtig opheffende, als om

Frederik te doen zien, dat hij die zware wonde niet achtte en zeer

goed in staat wezen zou om aanvoerder van den storm te zijn, daar was

het een grondregel: »verwacht den dood, maar tel de levenden alleen.«

--»Maar te Burgos was het ook een der voornaamste grondregels: pleeg

vóór den storm met de voorzichtigheid raad,« zeide Venavides, »en elk,

die gezond verstand heeft, beseft dat deze grondregel waarachtig en

goed is.«

--»De mijne, senores,« sprak Frederik, »is, den tijd niet te

verkwisten; maar vooral is het mijn grondregel, pal te staan; dien

aan te kleven, eisch ik van u allen, want ik wil een nieuwen storm,

heden nog, op staanden voet. Aan u, senor Romero, zij het bevel

opgedragen, en gij zult Romero niet wezen, wanneer ons de overwinning

niet zijn zal. Ook gij, senor Valdez, zult bij dezen tweeden storm

zijn; gij waant dat slechts de terugtocht u wacht en de dood; welnu,

te grooter eer dan, zoo gij roem en leven terugbrengt; ik ken uw

moed, ik weet, dat gij den dood veracht en de eer bemint. Ook u,

senor Venavides, bied ik de kans der overwinning aan. Geen verwijl,

dappere senores! gij hebt mij gehoord: maakt u tot den aanval gereed.«

--»Heb dank, senor, voor de eer,« sprak Romero, »want dat zweer ik

bij de wondermacht der madonna, zoo de dood of eene zware wonde mij

niet buiten gevecht stelt, zal de overwinning ons zijn.«

--»Dat is verandering van batterij,« mompelde Marco in zichzelven,

»hij gevoelt dat hij te wijd heeft gegaapt.«

--»Zou mij eene vraag vergund zijn, senor?« vroeg Venavides met

eene buiging.

--»Vraag, senor, doch bedenk, dat de tijd tot spoed dringt.«

--»Sta den capitan Lama toe, senor, dat hij aan dezen storm weder

deel neme.«--

--»Hoe, senor! gij verstout u dit te vragen voor iemand, wien ik den

degen ontnam?«

--»Don Venavides schijnt dus van begrip te zijn, dat aan capitan

Lama die degen ten onrechte ontnomen is,« zeide Marco, terwijl hij

een kwaadaardigen blik op den edelman en een veelbeteekenenden op

Frederik sloeg.

--»Ik sprak niet tot u, senor,« zeide Venavides op fieren toon,

»de krijgsraad zal beslissen, in hoever gij uitspraak moogt doen.«

--»Dien nieuwen hoon, senor--in uwe tegenwoordigheid duldt gij dien?«

zeide Marco; en zich vervolgens tot Venavides wendende, beet hij

dezen met gehuichelde fierheid toe: »Na den storm, senor, denk er aan!«

Eene lichte aanraking van het degengevest was het antwoord, en

Venavides zich weder ijlings tot Frederik keerende, sprak nu op

edelen toon:

--»Ik vertrouw, senor, dat gij aan mijne vraag de bedoeling

niet zult toekennen, welke senor Marco er zoo gaarne aan zou

willen geven. Ik zou mij niet durven vermeten, thans over capitan

Lama's gedrag vonnis te vellen, wijl voorzichtigheid zoo vaak op de

grensscheiding van lafhartigheid schijnt te staan, en dapperheid maar

ééne schrede noodig heeft, om roekeloosheid te worden. Ik mag thans

zijne handelwijze slechts uit uw oogpunt beschouwen: doch ook dan

meen ik hem genoegzaam te kennen, dat hij bij een tweeden storm de

soldaten beter stand zal doen houden. Ja, ik ken hem, en gevoel dat

zijn toestand verschrikkelijk is. Ik smeek u dus dringend; senor,

dat gij aan de bede van een uwer capitanos gehoor geeft.«

--»Wie waarborgt mij,« zeide Frederik, van het onrechtvaardige

zijner handeling zelf niet onbewust gebleven en niet ongeneigd ze te

vergoeden, wanneer zulks zonder krenking van aanzien en karakter kon

plaats hebben, »dat hem op een oogenblik, dat alles beslissen moet,

niet andermaal het gezag faalt, om zijn volk stand te doen houden? Had

hij het dappere voorbeeld van Alfonzo de Galeasso nagestreefd, dan

had ik den terugtocht niet behoeven te laten blazen. Bij Spanje's

patroon! Alfonzo was de eenige, die zich roem verwierf, en het

smart mij diep, dat het staal der muiters mij van zulk een krijgsman

beroofd heeft.«

--»Zoo mijn persoon u genoeg is, senor, dan geeft Pedro de Venavides

u den waarborg, dat capitan Lama streven zal naar de eer, die zich

Galeasso verwierf. Ik geef u den waarborg, dat hij de vlek zal

uitwisschen, die hij, in uwe oogen op zich geladen heeft,--dat hij

vechten zal tot de overwinning of den dood.«

--»Met dien waarborg ben ik tevreden,« hernam Frederik op trotschen,

vasten toon, »en weet, senor Venavides, dat het van dezen storm zal

afhangen, of capitan Lama den degen behoude, dien gij, senor Marco,

hem thans teruggeven zult.«

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich eenige schreden, terwijl

in die verwijdering opgesloten lag, dat men met den tweeden storm

onverwijld had aan te vangen.

De andere bevelhebbers hielden zich daarmede dan ook reeds onledig. In

een oogenblik waren de kloekste Spaansche en Waalsche soldaten opnieuw

uitgekozen, of liever de meesten boden er zich vrijwillig toe aan,

in weerwil van de bloedige door hunne makkers geledene nederlaag; en

hij, die de algemeene geestdrift toen gezien had, zou het don Frederik

wellicht niet geheel ten kwade hebben geduid, dat deze trotsch en

met zelfbehagen uitriep: »om den troon van mijn koning staan helden,

door Alva en Frederik gekweekt!«

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3) · 第 16 / 23 题