„Wel, wat drommel, Frans!” riep Wiechen. „Is er dan vandaag geen post?”
„Maar meneer,” zeide Frans, „U heeft er vanochtend zelf een heel pak
uitgehaald!”
„Vanmiddag... vanochtend...”, zeide Wiechen knorrig, struikelende over
zijn woorden. „Hoe komt het, dat er tegenwoordig haast geen brieven
voor mevrouw meer zijn?”
„Ik weet er heusch niets van, meneer,” zeide de bediende stotterend.
„Doe jij boodschappen? Haal je ze soms van de post? Of ergens anders?”
„Ik... ik...” hikte Frans, door die vragen van streek gebracht. „Ik
haal ze er niet uit.”
Wiechen was geslaagd in zijn gewone tactiek, dat voelde hij. Ditmaal
echter heel toevallig, daar hij meer enkele knorrige uitroepen, dan
vragen bedoeld had.
„Vooruit, zeg op,” ging hij nu voort. „Je weet ervan. Gauw, of ik stuur
je met een briefje naar je moeder. Ik laat haar gijzelen, als jij niet
direct zegt wat het is.”
Frans wist maar al te goed, wat die bedreiging beteekende. Zijn moeder
had schuld bij Wiechen, en daarvoor werkte hij. Een deel van wat hij
verdiende mocht hij zelf behouden; de rest was afbetaling van de schuld
zijner moeder. Of eigenlijk niet eens afbetaling, maar de rente. En
Wiechen had een vonnis, waarmee hij zijn moeder kon laten oppakken, als
hij wilde.
De arme jongen had geen keus. Al was die mevrouw nog zoo goed en
vriendelijk... Ja, en juffrouw Ella, die hem laatst aan het oor
getrokken had, en gezegd, dat hij voor mevrouw alles doen moest...
„Moeder!” riep hij half kermend.
„Geen moeder; zeggen wat je weet, of anders...”
Wiechen greep naar de telefoon.
„Mevrouw maakt de bus aan den achterkant open,” liet Frans los.
„Hoe? Wijs het me!”
En gedwee ging de jongen naar de voordeur, en trok met zijn vingers de
goed geoliede pennetjes uit de scharnieren.
„Hoe lang weet je dat?”
„Ik zag het mevrouw gistermiddag doen,” loog Frans. „Ik wist heusch
niet, dat het zoo erg was.”
„Donder nu maar op,” zeide Wiechen. „Ik zal eens zien wat ik met je
doe.”
Wiechen liep een tijdlang heen en weer. Het was hem al eenigen tijd
opgevallen, dat Marie geen brieven meer ontving, terwijl er vroeger,
hoewel niet druk, toch altijd voor haar kwamen. En juist nu moest zij
een remise ontvangen, die hij best had kunnen gebruiken. Als ze die nu
ook maar nog niet had!
Er was iets gaande in huis. Het kon zijn, dat Frans het gister voor het
eerst gezien had, maar het stond vast, dat Marie reeds eenigen tijd die
manoeuvre gedaan had. Er moest nu nog maar bijkomen, dat ze ook zijn
brieven... neen, dat kon niet, maar toch de briefkaarten had gelezen.
Verduiveld tuig, die Indische vrouwen! Want weinig dacht hij, dat zijn
eigen bediende op het denkbeeld gekomen was.
In de eerste plaats moest hij nu zekerheid hebben, omtrent Marie. Zij
maakte te veel een schakel uit in den keten zijner plannen, dan dat hij
daarover in twijfel kon blijven. Ging zij niet mee naar Parijs, dan
moest hij zien iemand anders te krijgen, want met zijn fransch zou het
daar niet lukken. Kon hij den tijd maar een jaar of wat vooruit zetten,
dat Ella klaar was met haar studiën!
Er werd gebeld.
„Een besteller, die u persoonlijk spreken moet,” meldde Frans.
De man kwam binnen en overhandigde Wiechen een briefje van Marie,
houdende verzoek om al het hare te willen medegeven. De meid kon het
goed wel in de koffers pakken, en overigens, daar de man een handwagen
bij zich had, kon hij zelf beoordeelen hoe hij een en ander zou
vervoeren.
„Dat is kort en bondig,” zeide Wiechen, toen hij het briefje gelezen
had. „Bah, ze bedenkt zich nog wel, als ze ziet, dat ik niet het minste
bezwaar maak.”
En onmiddellijk orders gevende, hielp hijzelf zooveel mogelijk, om
alles in te pakken.
„Waar moet je het heen brengen?” vroeg Wiechen, toen alles opgeladen
was.
„Noordeinde 68,” zeide de besteller, die zijn les had opgekregen, maar
moeite had om ernstig te blijven bij de gedachte, dat die heer straks
of morgen al zoekende naar het nummer, met zijn neus voor het
Koninklijk Paleis zou komen te staan.
Inderdaad liep Wiechen erin, in zoover, dat hij het straatnummer van
het meest bekende huis in den Haag niet kende; iets, wat hem haast tot
fatsoenlijk Hagenaar stempelde.
Ziezoo, nu wist hij waaraan zich te houden. Hij zou een briefje
schrijven aan Marie, dat ze nu beslissen moest. Zij kon mee, of niet
mee. Wachten was onzin.
Er was een Zwitsersch bonnetje, in dienst bij iemand van het Hof, die
bereid zou zijn haar plaats in te nemen. Zij was een tijd geleden bij
hem geweest, en vond dat eeuwige zeulen met kinderen vervelend. En die
werden bovendien groot, zoodat ze reeds een wenk gekregen had om naar
iets anders uit te zien. Een heel fatsoenlijke wenk, want die bestond
in een spaarbankboekje; maar het was toch een wenk.
Men kon het nu beschouwen zooals men wilde. Marie was.... ja, ze had
iets meer gedistingueerds over zich.
Hij trommelde met de vingers zenuwachtig op tafel.
Marthe, de andere, was minder gedistingueerd, maar sprak beter fransch.
Hier kwam een plotselinge uitdrukking van niet begrijpen op zijn
gelaat. In zijn ongeschoold brein rees eensklaps een vraag op.
Distinctie deed heel wat, ook in zijn zaken; imponeerde. Fransch
spreken gold in den Haag voor een bewijs van distinctie. Maar eigenlijk
kon niemand het goed, behalve zoo’n bonne, en die was niet
gedistingueerd.
Wat een warboel! Misschien was dat in Frankrijk of elders niet zoo, en
stelde men het goed spreken van eigen taal hooger, dan het radbraken
van een vreemde, zoodat men daarin geen bewijs van distinctie zocht.
Hij zou dit graag eens onderzoeken, maar het beroerde was, dat hij nu
dadelijk moest kiezen. Want in den Haag begon het te dreigen, en de
groote bedragen waren over de grenzen.
Nu Marie van die kuren begon te krijgen, was het misschien beter haar
ineens te laten schieten, en de andere te nemen. Die kon natuurlijk
niet zoo op stel en sprong uit haar positie, en hoe eer hij haar dus
kon waarschuwen, hoe beter. Geen oogenblik twijfelde hij of ze het doen
zou. Als hij wenkte, gehoorzaamde men. Er waren maar weinigen, die met
hem in aanraking geweest waren, die hij niet bevelen kon.
Neen, één ding was zeker, als hij uit den Haag ging, zou de heele stad
opademen! Gedurende de vele jaren, dat hij er was geweest, had hij de
menschen, en hadden de menschen hem leeren kennen.
„Dag Pa!”
„O, ben jij daar.... Wat ik zeggen wil, mevrouw is weg.”
„Weg?” vroeg Ella, bleek wordend. „Waarom heeft u dat gedaan? Ze was
zoo goed.”
„Malle meid! Ik heb haar niet weggestuurd. Ze is uit haarzelf
weggegaan.”
„Dat kan niet Pa, ze hield.... ze was....”
Ella begon te beven.
„Ga maar naar boven,” zeide hij, „en kijk. Ze heeft haar heele
rommeltje al weg laten halen.—Sta er niet zoo bij, of je geen tien kunt
tellen, en tranen wil ik niet zien, hoor je!”
„Och pa, laat mij naar mevrouw toe gaan! Ze is zoo lief, en zal wel
terugkomen, als ik het vraag.”
Wiechen zweeg even.
„Hm,” deed hij toen. „Hou je hoed maar op. Ik zal je een briefje
meegeven.”
Hij liep naar zijn schrijftafel, en schreef haastig een paar regels op
een kaartje, dat hij daarop in een envelop stak. Een tijdlang bleef hij
toen staan, bewegingen makend, of hij het Ella geven zou of niet,
zoodat zij begon te lachen.
„Lach niet,” riep hij woedend. „Ik denk erover.... Neen, je moest eens
te stom zijn om je boodschap goed te doen.”
En hij likte de enveloppe dicht, en schreef er het adres op.
„Hier,” zeide hij toen. „Steek dat in je zak. Als mevrouw met je
meekomt, of belooft terug te komen, is het goed. Anders bezorg je dit
aan het adres, dat er op staat.”
„Goed,” zeide Ella, het briefje aannemend. „En mevrouw, waar is die?”
„Noordeinde 68,” antwoordde hij. „Rep je wat, anders wordt het zoo laat
met eten.”
„Als mevrouw niet thuis is, moet ik dan een boodschap achterlaten?”
vroeg Ella.
„Neen” zeide hij. „Als mevrouw er niet is, of niet komen wil, bezorg je
het briefje. Geen gedonderjaag.”
„Goed Pa,” zeide Ella.
Dat wist Ella. Als Wiechen zulke strenge orders gaf, en zoo kort sprak,
moest er gehoorzaamd worden. Blindelings!
Ella reed dus heen; maar toen zij vóór het Paleis stond, aarzelde zij
toch. In het nummer kon ze zich niet vergissen, en ze had het tot
overmaat van voorzichtigheid nog met potlood op haar manchet
geschreven. Als het dan moest, dan moest het! En dapper plaatste zij
haar fiets tegen die trap en liep naar binnen.
„Is mevrouw van Groningen hier?” vroeg zij den dikken portier.
„Onbekend, freule. Bij wie zou die dame kunnen zijn?”
„Bij wie....,” herhaalde Ella. „Dat weet ik niet. Maar er moet een
vergissing zijn.... Men heeft mij een nummer opgegeven....”
„Een nummer?” vroeg de man, groote oogen opzettend. „Hier is het Paleis
en geen nummer.”
Ella schoot in den lach. Haar verlegenheid was verdwenen.
„Het nummer ben jij,” zeide zij. „Dag!”
Vlug liep zij de treden weer op, en stapte op haar fiets.
Ella begreep intusschen, dat mevrouw geen bezoeken of boodschappen
wenschte. Het verkeerde adres was natuurlijk met opzet gegeven. Er
bleef haar niets te doen over, dan nu het briefje te posten, en dan
naar huis teruggaan. En zoo deed zij.
Opeens hoorde zij haar naam noemen, en schoot haar een fiets op zijde.
Het was Carel Becker, die haar had ingehaald.
„Goed nieuws,” juichte hij. „Ik ben door het examen, en een van de
eerste nummers, zoodat ik zeker geplaatst word.”
„Heerlijk voor je,” zeide Ella. „Wel gefeliciteerd, hoor!”
„Heb je tijd, om mee te gaan?” vroeg hij.
„Geen minuut te verliezen,” verklaarde zij. „Morgenmiddag?”
„Als het niet anders kan, moet het wel. Maar je begrijpt, dat ik zoo
spoedig mogelijk overal naar mijn familie moet. En bij de plannen vóór
mijn vertrek, is er één, waarover ik met jou moet raadplegen.”
Ella was langzamer gaan rijden, toen zij bemerkte, gevaarlijk dicht bij
huis te komen. Nu sprong zij van haar fiets, terwijl haar oogen zich
met tranen vulden.
„Ga je nu weg?” klaagde zij.
„Ja, maar ik wou niet alleen gaan,” antwoordde hij, snel sprekend, „ik
wou je meenemen.”
„Ach!” riep Ella uit, glimlachende en blozend tegelijk.
„We moeten er nu mee voor den dag komen,” ging hij voort. „En ik heb
gedacht, dat het beste zou zijn, als ik zelf maar belet bij je vader
vroeg. Zie eens, mijn ouders zijn menschen, die zich moeielijk
verplaatsen, en.... ik ben bang, dat er bezwaren zullen komen. We
moeten ze voor een fait accompli zetten. Als ik de toestemming van je
vader heb, kondig ik ons bezoek aan, en eer er wat aan te doen is, zijn
we op onze eerste engagements-visite.”
„Hoe grappig klinkt dat,” zeide Ella. „Je begint zoo’n gevoel te
krijgen een groot mensch te zijn.”
„Ja,” gaf hij toe, „ik kreeg het ook, toen ik den uitslag van het
examen kende. Je weet: nu gaat het zelfstandig leven beginnen.—Zeg,
liefste, op welke uren is je vader gewoonlijk thuis?”
„Tegenwoordig meestal vast den geheelen avond. Hij werkt veel op het
kantoor, den laatsten tijd.”
„Dan zal ik hem van tevoren even opbellen, en doe het vanavond al.”
„O, hoe vreeselijk; ik loop weg!”
Hij lachte hartelijk, en nam afscheid, blij dat dit onderhoud zoo
gemakkelijk was gegaan. Want hij had er tegenop gezien, om redenen, die
hij Ella echter niet verteld had.
De tegenstand, dien hij tegenover haar slechts verondersteld had, was
in werkelijkheid reeds een feit. Hij had een poos geleden zijn ouders
met zijn wenschen in kennis gesteld, wat tengevolge had, dat men aan
het informeeren was gegaan. Gevraagde en ongevraagde inlichtingen waren
verkregen, en vooral de laatste waren, zooals altijd wanneer het een
voorgenomen huwelijk geldt, meer dan bar. Maar toch, ontdaan van
hetgeen er kennelijk bij gefantaseerd was, bleef er nog genoeg over, om
de relatie ongewenscht te maken. Met uitzondering van een laf praatje,
gedebiteerd door een ongehuwde nicht, die niemand het levenslot gunde,
dat haar neus was voorbijgegaan, waren de berichten over Ella
onverdeeld gunstig.
Hierop had Carel dan ook dadelijk gewezen, en aangevoerd, dat hij niet
met de familie trouwde, en buitendien naar Indië ging, zoodat hij met
Ella gelukkig kon wezen, zonder last van haar familie, terwijl zijn
ouders hier geen omgang behoefden te maken met die menschen.
Hij had het eindelijk zoover weten te brengen, dat zijn ouders hun
verzet opgaven, op voorwaarde echter, dat zij niets dan het strict
noodige zouden behoeven te doen, en in geen geval iemand van dien kant,
Ella uitgezonderd, in hun huis zouden behoeven te ontvangen. En Carel
mocht geen cent van Wiechens geld aannemen. Dat geld, door woeker of
misdrijf verkregen, kon toch nooit geld zijn waar zegen op rustte.
Carel had alles beloofd en toegegeven. Als hij Ella maar had, was hij
tevreden; meer begeerde hij niet.
Wiechen was verrast.
Aan deze mogelijkheid had hij nu het allerminst gedacht! Dat een
meisje, dat men laat studeeren, het in haar hoofd krijgt, om vlak vóór
het eindexamen van het Gymnasium, zich te willen engageeren, vond hij
iets onbehoorlijks. Dat beetje, dat volgens hem voor een getrouwde
vrouw noodig is, had men goedkooper kunnen leeren. Nu was het
weggegooid geld, en daar hield hij niet van.
Hij wilde niets beslissen, zoo dadelijk, en begon, om tijd te winnen,
den jongen man de vragen te stellen, die hij meende dat bij een
gelegenheid als deze gebruikelijk waren, te weten naar Carels toekomst
en de financieele positie zijner ouders.
En Carel, die van beide niets dan goeds kon zeggen, vond dit een
gunstig teeken, en antwoordde zoolang hij wat te zeggen had, terwijl
Wiechen luisterde en nu en dan korte vragen deed. De macht der gewoonte
toonde zich ook hier weer. Het was langzamerhand of het een te sluiten
geldleening betrof. Werktuigelijk begon Wiechen de gegevens, die hem
Carel gaf, met potlood op een voor hem liggend stuk papier op te
teekenen.
„Ik zal informatie nemen,” zeide hij opeens. „Wanneer moet het geld er
zijn?”
„Geld, meneer?” riep Carel verbaasd uit. „Daar heb ik in de
allerlaatste plaats aan gedacht, of liever in het geheel niet.”
„O neen,” zeide Wiechen, zich herstellende. „Ik was een oogenblik
absent. Maar nu we er toch over spreken, konden we dat ook behandelen.
U verwacht natuurlijk, dat Ella wat meekrijgt. Misschien moet ik
daarover met uw papa spreken...”
„Neen meneer. Vader is... te oud,” redde zich Carel, die begreep dat nu
het moeielijke punt kwam. „Hij mag nergens in gemengd worden, te wille
van zijn gezondheid. Hij geeft zijn toestemming, ziedaar alles. En het
zou hem en mij aangenaam zijn, als over geld niet werd gesproken. Met
mijn tractement en de toelage, die mijn vader zal geven, is te dien
aanzien gezorgd.”
„Zoo,” deed Wiechen langzaam. „Nu, we zullen zien. Ik had andere
plannen met haar, en wil eerst weten, of het haar ernst is die op te
geven. En dan, moet ik haar moeder erin kennen.”
„Wanneer mag ik dan mijn antwoord verwachten?”
„Morgenavond om dezen tijd. Is dat goed? Iets vroeger kan ook, maar
niet vóór zessen. Als de zaak doorgaat, zullen we toch nog een en ander
te bespreken hebben...”
„Ik zal om half zeven hier zijn,” beloofde Carel, opstaande.
Het was een vervelend geval, vond Wiechen. Hij wilde dat Ella onbezorgd
zou zijn in de toekomst, en dat bood zich nu aan, al was het niet op de
manier, die hij gedacht had. Want dat ooit iemand, laat staan in
Holland, om zijn dochter zou komen, had hij niet verwacht. Maar hij had
een tweede bedoeling. Zoodra zij klaar was, wilde hij haar aan zijn
practijk verbinden, door haar gedekt zijn. En dát ontging hem op deze
wijze.
„Ella!” riep hij, en het antwoord kwam van zóó dicht bij, dat hij
besefte, dat zij zich in de buurt van het kantoor had opgehouden.
„Ga eens zitten,” zeide hij, toen zij binnenkwam, de sporen dragend van
te hebben gehuild. „Je weet wat er geweest is.”
En op haar toestemmend knikje, deelde hij haar mee, niet geheel te
hebben willen weigeren, maar dat zijn inzicht in de zaak was, dat men
het moest laten afhangen van het eindexamen. Dat begon nu over enkele
dagen. Slaagde zij, dan bleek het, dat zij voldoende studeerkracht had,
om ook verder te komen. Men zou zoolang het antwoord kunnen uitstellen.
„Dat is niet noodig, pa,” zeide Ella. „In dat geval kunnen we nu
evengoed beslissen.”
„Ben je zóó zeker, dat je er komt?”
„Neen,” zeide Ella, zacht doch beslist. „Ik zou het diploma graag
hebben, en zal er mijn best voor doen. Maar als ik dan Carel niet
hebben mag... dan laat ik mij expres zakken.”
Vloekend sprong hij op en schudde haar doorelkaar.
Zij bood niet den minsten tegenstand.
„Zoo zal het ook op het examen gaan,” zeide zij apatisch. „Geen
behoorlijk antwoord zal men uit mij krijgen.”
Hij liet haar los. Ja, dat was wel zijn dochter! Zoo was ook hij
geweest, toen hij indertijd zijn militair pensioen wilde halen.
„Gévédé! Trouw dan voor mijn part. Maar doe ook je examen.”
„Dat beloof ik u,” riep Ella uit, hem om den hals vallend. „U meende
het toch ook niet. wel? U wou maar eens zien of het mij ernst was,
nietwaar?”
„Al goed,” bromde hij.
Zij keek op de klok.
„Mag ik het nog even aan moeder gaan zeggen?” vroeg zij. „En als ik
thuis kom, zal ik gauw een briefje aan mevrouw schrijven. De post zal
haar adres toch wel weten.”