HOOFDSTUK XVI.

De voorspelling van Dr. Arnolds was uitgekomen. Zijn zoon en Viehof

werden vrijgesproken. Beiden waren in vrijheid gesteld, en men had hun

de effecten moeten teruggeven, die destijds in beslag genomen waren.

Die waren nu op de gewone wijze in Engeland verkocht, waartoe Boom

daarheen was gegaan. Zijzelf hadden dat niet aangedurfd, maar op Boom,

die van onbesproken reputatie was, kon geen verdenking vallen. En hij

had dit te eer gedaan, daar dit de eenige manier was om aan het hem

rechtmatig toekomend deel van den buit te komen. Heel eerlijk zond men

ook Hervau zijn deel, zich herinnerende, dat deze bad verteld nog meer

zaken te hebben, waaraan geld te verdienen was.

Er was een tweede reden, waarom Boom de geschiktste persoon voor dit

karreweitje was geweest. Ieder wist, dat hij naar het buitenland ging

om te trouwen. Dat had men in alle couranten onder de

huwelijksaankondigingen kunnen lezen. Het was niet meer dan natuurlijk,

dat hij een poosje vóór den dag der voltrekking er al heen ging. Zulke

dingen duurden altijd wat, en reeds was men verbaasd geweest over de

snelheid waarmee aan de formaliteiten, die de wetten van beide landen

voorschrijven, was voldaan, dank zij den door Arnolds aanbevolen

advocaat, de eenige die over zijn werk niet tevreden was, daar hij

buiten een klein voorschot, geen honorarium ontvangen had.

Maar in elk geval, de effecten waren verkocht, en Boom was getrouwd

teruggekomen. De dankbaarheid der familie zijner vrouw was ook

meegevallen, zoodat hij thans netjes ingericht woonde. Het eenige wat

tegenviel, was dat hij in alles op de vingers gekeken werd door zijn

vrouw, en ongenadig onder de plak zat.

Geen opstaan tegen den middag, geen vertoef in koffiehuizen des nachts;

slechts bij hoogst enkele gelegenheden mocht hij alleen uit.

Ook in geldzaken hield zij de teugels strak. Niets mocht bij doen

zonder haar geraadpleegd te hebben, en alle accepten of ander papier

nam zij hem af, om het zelf te bewaren, en er hem tegen de vervaldagen

mee uit te sturen. Zijn zakgeld was afgepast.

Enkele dagen na zijn thuiskomst had Boom de anderen op een glas wijn

genoodigd, daar Arnolds had medegedeeld een zaak te weten. En daar

mevrouw Boom van oordeel was geweest, dat men die zaak evengoed, ja

veiliger thuis kon bespreken, dan in Café Central, was men thans

bijeen.

De zaak was een renpaard te koopen, en op de Hollandsche banen te laten

loopen. Het paard was op de rennen nog nagenoeg onbekend, en had

feitelijk pas een paar maal in het buitenland geloopen tot proef.

„Zit Hervau erin?” vroeg Boom, en op toestemmend knikken, ging hij

voort: „Dan is de zaak veilig. Hij kent dat. Maar hoeveel kost die

grap?”

„Voor ons een kleinigheid,” zeide Viehof. „Enkel stallen en oppassen,

gedurende een week of wat. Hervau stuurt het beest over, en wij betalen

hier. Maar hoofdzaak is, dat wij hem moeielijk op onzen naam kunnen

laten loopen. Arnolds of ik tenminste niet. Wil jij dat doen?”

„Neen” zeide Boom. „Voor mij is het ook niets. Maar ik weet een eerzaam

winkelier, die wel eens een beetje gokt, en die het wel voornaam zal

vinden. Ik sta voor hem in.”

„Duur?”

„Neen. We mogen hem er geen te groote zaak van voorspiegelen; anders

wantrouwt hij het. Zoo voor de aardigheid, om ook eens als eigenaar te

figureeren en nog een kleinigheid toe te verdienen, waarvoor hij zoo

goed als niets waagt. Want we moeten hem iets mee laten betalen; anders

is het te mooi.”

„Best,” zeide Arnolds. „Zorg jij dan voor je winkelier en de

inschrijving, en wij doen de rest. Ik zal dadelijk telegrafeeren, dan

kan de knol op de volgende courses te Woestduin meeloopen.”

„Maar tegen een onbekend paard zijn geen pari’s te krijgen,” meende

Boom.

„O, hij moet de eerste keer ook niet winnen. Een keer of drie moet hij

meeloopen. Tweemaal zóó verliezen, dat er een hooge côte te maken is,

en de derde maal in een verkoopsren winnen. Zie je, dat is de manier,

om geld te verdienen, en tegelijk de lastpost van het paard kwijt te

zijn. Wacht, ik zal mijn telegram klaarmaken.”

En hij zette zich tot schrijven.

Ruim drie weken later was het drietal vereenigd te Woestduin. Het was

de groote dag, waarop Miss Kate, hun paard winnen zou. In de volle

zekerheid van hun slagen, hadden Arnolds en Viehof zoowel bij de

bookmakers als aan den totalisator hun geld geplaatst, het over

verschillenden verdeelende, om geen argwaan te wekken. Boom had

gewacht. Het was zijn systeem, om eerst te zien wat vóórging, en zoo

laat mogelijk te zetten, in elk geval niet eer men wist of alle paarden

meeliepen. Eindelijk besloot hij het voorbeeld der anderen te volgen,

en verwijderde zich van hen. Eensklaps werd hij zacht aan zijn mouw

getrokken. Het was een gewezen jockey, die thans het baantje van

adviseur uitoefende, en tips gaf. Boom had hem vroeger eens uit den

nood geholpen, en daar werkelijk soms goeden raad voor ontvangen, de

enkele malen, dat hij naar de courses ging.

„Speelt u Walkyrie” raadde hij.

„Ik was van plan Miss Kate te spelen,” zeide Boom.

„Dat dacht ik wel,” zeide de ander. „Ik heb u zien praten met meneer

Viehof. Die zit in een combinatie.”

„Hoe drommel weet je dat?” riep Boom uit.

„Ik moet wel alles weten, tenminste als er geknoeid wordt. De jockey is

omgekocht, geloof u me gerust. Miss Kate wint ditmaal niet. De volgende

maal.”

Boom begreep, dat daar iets achter moest zitten. Het was een

verkoopsren, en men moest verkoopen, omdat men het financieel niet

langer houden kon. Won dus Miss Kate niet, dan was men paard en

inzetten kwijt.

„Weet je het heelemaal zeker?” vroeg hij.

„Heelemaal zeker,” antwoordde de ander. „Maar ik zou niemand anders dan

u gewaarschuwd hebben. U verklikt me niet?”

„Dankje wel,” zeide Boom. „Kom straks eens bij mij.”

„Neen, meneer, dan zoude men misschien iets merken. Ik kom morgen avond

even bij u thuis.”

Boom volgde den gegeven raad, maar met kloppend hart. Hoewel de

ex-jockey nooit met zekerheid tevoren kon zeggen, welk paard zou

winnen, als elk zijn best deed, kon hij toch daartegenover wel veilig

afraden een paard te spelen, als hij van knoeierij de lucht had. En

daarop was hij uitgeslapen.

Het leek een spannende strijd. Na eerst in een klomp te hebben

geloopen, drongen reeds na de eerste hindernis twee paarden vooruit. En

ofschoon de achterblijvers hoe langer hoe meer distantie kregen, die

twee bleven als aan elkaar hangen.

„Hij houdt Miss Kate in,” zeide Arnolds zacht tegen de anderen. „Dat is

zeer verstandig. Dan kan hij haar krachten voor het laatste vlakke eind

bewaren. Het gaat goed.”

Maar een oogenblik later uitte hij onwillekeurig een kreet.

Bij den sprong over de laatste hindernis was Miss Kate teveel op de

voorhand neergekomen, en had door den schok zijn vaart verloren. Het

scheen zelfs een oogenblik of hij vallen zou, zoo wankelde de rijder.

Zich onmiddellijk weer herstellende schoot het paard echter weer

vooruit, zichbaar den voorsprong inhalende, dien Walkyrie door dat

korte oponthoud gekregen had. Maar telaat. Met een neuslengte was Miss

Kate geslagen!

„Weg centers!” riep Boom, onverschilligheid voorwendende.

Hij had mooi in de angst gezeten. Toen hij het geval bij de laatste

hindernis zag, begreep hij dat dit een gewilde misstap was, doch later

twijfelde hij weer. En minder goed gezicht op de paarden hebbende, daar

de tribune eenigzins schuin tegenover den winpaal stond, dacht hij een

oogenblik dat Miss Kate tòch weer voor was gekomen. Doch neen, en

weldra weerklonk het geroep: allright! waarmee de overwinning van

Walkyrie een feit werd.

Arnolds en Viehof stonden met bleeke gezichten te kijken.

„Ik moet eerst wat drinken,” zeide de laatste, waarmee de ander

instemde.

„En ik moet wat versche lucht blijven inademen,” zeide Boom. „Is me dat

een toestand! Ik kom straks ook aan het buffet.”

Zoodra zij daarin verdwenen waren, ging hij zijn winst realiseeren.

Eerst bij de bookmakers, waar het van uit het buffet meer in het

gezicht kon loopen, en toen bij den totalisator. Daarna vervoegde hij

zich bij de anderen.

„Geen prettig bericht voor Hervau,” begon Boom.

„Voor ons is het erger,” antwoordde Arnolds. „Hoeveel heb jij gezet?”

„Duizend pop.”

„’t Is jammer. Ik wou dat die vervloekte knol de beenen gebroken had.

De jockey heeft z’n best gedaan. Het scheelde nog maar een haartje.”

„Gévédé!” liet Viehof los.

„Kom, er is niets aan te doen,” meende Boom. „Laat ons opwandelen, en

aan het hôtel nog iets pakken. Die champagne begint me tegen te staan.”

En zij zetten zich in beweging, langzaam opwandelend naar de door Boom

voorgestelde plaats, om van daaruit de komst van den trein af te

wachten.

Thuisgekomen dacht Boom zijn vrouw te verheugen met al het geld, dat

hij gewonnen had. Doch dat was een misrekening. Wel nam zij het hem af,

maar diende hem een ongezouten standje toe. Ten eerste omdat hij de

duizend gulden, waarmee hij gespeeld bad, niet had afgedragen, en

voorgewend, dat hij die de vorige week niet had kunnen innen. En

voorts, omdat hij die gewaagd had, en zeker kwijt zou geweest zijn, als

niet toevallig die jockey hem had ingelicht. Enfin, het was gebeurd, en

nu gelukkig afgeloopen; maar hij moest het niet weer wagen. Neen, nooit

meer. Want ze hadden genoeg, om met voorzichtig uitzetten van te leven,

en gingen gaandeweg zelfs vooruit. Er was dus geen enkele reden om van

die gewaagde dingen te doen.

„Het was niet gewaagd,” wierp hij tegen. „Geknoei kan niemand

verhelpen.”

„Spelen is altijd gewaagd,” besliste zij. „En ik wil het niet meer

hebben, hoor je!”

Maar later bleek zij toch niet zoo kwaad, daar zij Boom honderd gulden

meegaf, om Arnolds en Viehof, als die thans zonder geld zaten, elk wat

te geven. En hij mocht dien avond alleen naar Central, om het hun te

brengen. Want sedert zij getrouwd was, kon ze moeielijk meer daarheen

gaan, met de kans de maîtresses der anderen te ontmoeten.

Zoo slenterde Boom na den eten naar het bewuste Café, hoewel hij

nauwelijks verwachtte de anderen daar te vinden. Zeer verwonderd was

hij dus hen te zien niet alleen, maar blijkbaar hadden zij met Fifi en

Leda goed gedineerd, en waren in vroolijke stemming.

„Goed bericht!” riep hem Arnolds toe, zoodra hij hem bespeurde. „Een

telegram van Hervau. Hij seint het paard nog aan te houden, en een

volgenden keer te laten loopen. Hij zal stalgeld vergoeden en dubbel

onze inzetten, die er vandaag bij ingeschoten zijn.”

„Begrijp je dat?” voegde Viehof erbij.

„Nogal eenvoudig,” zeide Boom. „Hij heeft tegen zijn eigen paard

gespeeld, en zelf gezet op Walkyrie.”

„Bliksems! Wat heeft hij daaraan?”

„Om tweemaal te winnen. Door onze hooge inzetten leek het, of Miss Kate

nu liep om te winnen. Dat depreciëerde de côte van Walkyrie, waardoor

hij op dat paard zettende, meer won. Den volgenden keer denkt men, dat

het wéér zoo gaan zal, en slaan we onzen slag met Miss Kate. En dan is

het uit.”

„Waarom liet dan de jockey Miss Kate zoo gevaarlijk ophalen?”

„Om een disqualificatie te ontgaan. Daar zijn ze bier tegenwoordig zoo

bijster vlug mee. We hebben hem dadelijk teruggeseind hoeveel stalgeld

en inzet is. Voor jou ook.”

„Je hebt er toch wat opgelegd?”

„Neen, zeker niet. Onder elkaar eerlijk, hè?”

„Natuurlijk,” zeide Boom, even kleurende. „Ik maakte ook maar gekheid.

Kom, dat is een goed bericht, en ik geef er een dozijntje oesters op,

bij Hoek.”

Dat denkbeeld vond de noodige instemming, en men maakte zich

langzamerhand op, om de uitnoodiging te volgen.

Toen Boom dien avond naar huis ging, aarzelde hij, of hij zijn vrouw

mededeeling zou doen van het extra fortuintje, dat hem te beurt viel.

Zij had gelijk, het was wagen geweest. Maar het zou zonde zijn de

volgende keer, als Miss Kate werkelijk won, niet weer mee te kunnen

doen. Heelemaal niets zeggen, durfde hij ook niet. Hij moest toch

eenigen uitleg geven, waarom hij de honderd gulden niet aan de anderen

had behoeven te geven, maar er van had gesoupeerd met hen. Als het nu

niet zoo laat was geworden, en hij kon ergens het meerdere geld bergen,

was het wat anders. Ook deed zich de moeielijkheid op, zoodra hij de

twee mille van Hervau in zijn zak had, te maken, dat Helene er de lucht

niet van kreeg. Zij ledigde zijn zakken, en borstelde dan zijn goed af.

Inslikken kon hij het toch niet! Ha, hij wist iets! Hij kon haar

wijsmaken, dat Hervau hem duizend gulden restitueerde, in de meening,

dat hij die verspeeld had, en de andere duizend gulden om voor

gezamenlijke rekening den volgenden keer te spelen. Zoo was elk

tevreden, en de volgende maal zou hij de helft afdragen, en de andere

helft quasi aan Hervau moeten zenden. Tegen dien tijd zou hij er wel

een geschikt plekje voor vinden, waar zij niet bij kon.

Het was lastig, zoo’n vrouw, die overal haar neus instak. En toch kon

hij niet buiten haar. Reeds hadden, toen hij pas thuis was, een paar

oude schuldeischers geprobeerd hem aan het kleed te komen, maar ze

moesten onverrichterzake afdeinzen, omdat alles van háár was. Hij had

zich toen gehaast dit zooveel mogelijk bekend te maken, om geen

herhaling te krijgen. En bij slot van rekening zorgde zij toch goed

voor hem, en was het in zijn eigen belang. Alleen, lastig was het.

Reeds den volgenden avond kwam de remise van Hervau. Dat was wat men

noemde coulant! Men deelde, en gaf den winkelier te wiens name het

paard liep, de voorgeschoten stalgelden terug. En deze, die al bang

geworden was, dat men hem erin had laten loopen, en met een deurwaarder

in overleg was getreden het paard in beslag te nemen, verheugde zich in

den goeden afloop.

„Ik wist wel, dat ik u kon vertrouwen, meneer Boom,” zeide hij; „maar

het loopt toch in de papieren. Ik heb er zelf vierhonderd gulden op

gezet en verloren. Ik zal de volgende maal mijn inzet moeten

verdubbelen, en dan willen we er het beste van hopen. In elk geval weet

ik, dat ik een renpaard heb gehad.”

„Maak u maar niet ongerust,” zeide Boom. „Het was een toeval, dat het

paard ditmaal heeft verloren. Aanstaanden Zondag zal het wel beter

gaan.”

En deze voorspelling kwam uit.

Mooier dan ditmaal Miss Kate liep, had nooit eenig paard geloopen.

Hands down werd de ren gewonnen, Vroolijker dan de vorige maal gingen

nu ook Arnolds en Viehof naar huis.

„Ik ga er een beetje vandoor,” zeide de eerste. „Ga je mee?”

„Waarheen?”

„Forest, Namur, of zoo. En als we geluk verder.”

„Top,” antwoordde Viehof. „Gauw wat inpakken, en met den avondtrein tot

Brussel?”

„Best!”

„Wat zijn jelui toch dom,” meende Boom. „Nu heb je wat geld, en kunt

met een beetje beleid er van leven, en af en toe nog eens een slagje

slaan. Doe zooals ik, en blijf hier. ’k Weet van tevoren, dat jelui

sans le sou terugkomt.”

„Ik heb toch eens tachtigduizend francs gewonnen,” merkte Arnolds op.

„Ja, en die heb je er in een maand doorgelapt,” zeide Boom. „Op die

manier heb je er niet veel aan.”

„Het komt er niet opaan,” zeide Arnolds. „We hebben dan tenminste

plezier gehad. Wat heb je hier?”

„En,” vond Viehof, „als we terugkomen, en het is op, dan zoeken we maar

wéér wat op.”

„Ik houd me aanbevolen,” verklaarde Boom.

Zij deden zooals afgesproken, en spoedden zich naar hun kamers, om hun

koffertje te pakken, en de meisjes wat geld te geven. Maar deze lieten

zich daarmee niet afschepen, en het gevolg was, dat zij zoolang

aandrongen tot ze mee mochten.

Even voorbij de grens hadden zij hun gewone bezigheid hervat, als ze

reisden, te weten Arnolds en Viehof kaart te spelen, de meisjes te

kijken en te babbelen, toen zich in de deur van den coupe, die ze voor

den rook hadden opengelaten, de figuur van Wiechen vertoonde.

„Zoo, heertjes,” zeide hij, „éérste klasse en de dames mee?”

„Kom bij ons zitten,” noodigde Arnolds. „Waar ga jij heen?”

„Naar Parijs,” zeide Wiechen. „Neen, ik kom niet binnen. Ik heb tweede

klasse, en als een conducteur komt....”

Zij drongen aan, maar hij bleef weigeren, vertellende van een koopje

dat hij eens gehad had door dat te doen. En bovendien was hij niet

alleen. Een dame, die hij wegbracht.

„Blijf je lang?” vroeg Arnolds.

„Ik weet het nog niet. Eens kijken, of ik er iets van mijn gading

vinden kan. Nu, we zien elkaar in de wachtkamer te Brussel wel. Of gaan

jelui niet door?”

„Vannacht blijven we te Brussel. Bonjour!”

„Ik moet toch zien wie hij bij zich heeft,” verklaarde Arnolds, toen

Wiechen verdwenen was. „Neen, één voor één, asjeblieft,” ging hij

voort, ziende dat ook de anderen opstonden.

Hij bleef maar kort weg.

„Gordijntjes dicht,” vertelde hij. „Door de reet zag ik oen knap

snoetje, maar onbekend.”

De overigen schenen het nu niet meer de moeite waard te vinden, en men

ging door met spelen en praten.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 19 / 24 题