De voorspelling van Dr. Arnolds was uitgekomen. Zijn zoon en Viehof
werden vrijgesproken. Beiden waren in vrijheid gesteld, en men had hun
de effecten moeten teruggeven, die destijds in beslag genomen waren.
Die waren nu op de gewone wijze in Engeland verkocht, waartoe Boom
daarheen was gegaan. Zijzelf hadden dat niet aangedurfd, maar op Boom,
die van onbesproken reputatie was, kon geen verdenking vallen. En hij
had dit te eer gedaan, daar dit de eenige manier was om aan het hem
rechtmatig toekomend deel van den buit te komen. Heel eerlijk zond men
ook Hervau zijn deel, zich herinnerende, dat deze bad verteld nog meer
zaken te hebben, waaraan geld te verdienen was.
Er was een tweede reden, waarom Boom de geschiktste persoon voor dit
karreweitje was geweest. Ieder wist, dat hij naar het buitenland ging
om te trouwen. Dat had men in alle couranten onder de
huwelijksaankondigingen kunnen lezen. Het was niet meer dan natuurlijk,
dat hij een poosje vóór den dag der voltrekking er al heen ging. Zulke
dingen duurden altijd wat, en reeds was men verbaasd geweest over de
snelheid waarmee aan de formaliteiten, die de wetten van beide landen
voorschrijven, was voldaan, dank zij den door Arnolds aanbevolen
advocaat, de eenige die over zijn werk niet tevreden was, daar hij
buiten een klein voorschot, geen honorarium ontvangen had.
Maar in elk geval, de effecten waren verkocht, en Boom was getrouwd
teruggekomen. De dankbaarheid der familie zijner vrouw was ook
meegevallen, zoodat hij thans netjes ingericht woonde. Het eenige wat
tegenviel, was dat hij in alles op de vingers gekeken werd door zijn
vrouw, en ongenadig onder de plak zat.
Geen opstaan tegen den middag, geen vertoef in koffiehuizen des nachts;
slechts bij hoogst enkele gelegenheden mocht hij alleen uit.
Ook in geldzaken hield zij de teugels strak. Niets mocht bij doen
zonder haar geraadpleegd te hebben, en alle accepten of ander papier
nam zij hem af, om het zelf te bewaren, en er hem tegen de vervaldagen
mee uit te sturen. Zijn zakgeld was afgepast.
Enkele dagen na zijn thuiskomst had Boom de anderen op een glas wijn
genoodigd, daar Arnolds had medegedeeld een zaak te weten. En daar
mevrouw Boom van oordeel was geweest, dat men die zaak evengoed, ja
veiliger thuis kon bespreken, dan in Café Central, was men thans
bijeen.
De zaak was een renpaard te koopen, en op de Hollandsche banen te laten
loopen. Het paard was op de rennen nog nagenoeg onbekend, en had
feitelijk pas een paar maal in het buitenland geloopen tot proef.
„Zit Hervau erin?” vroeg Boom, en op toestemmend knikken, ging hij
voort: „Dan is de zaak veilig. Hij kent dat. Maar hoeveel kost die
grap?”
„Voor ons een kleinigheid,” zeide Viehof. „Enkel stallen en oppassen,
gedurende een week of wat. Hervau stuurt het beest over, en wij betalen
hier. Maar hoofdzaak is, dat wij hem moeielijk op onzen naam kunnen
laten loopen. Arnolds of ik tenminste niet. Wil jij dat doen?”
„Neen” zeide Boom. „Voor mij is het ook niets. Maar ik weet een eerzaam
winkelier, die wel eens een beetje gokt, en die het wel voornaam zal
vinden. Ik sta voor hem in.”
„Duur?”
„Neen. We mogen hem er geen te groote zaak van voorspiegelen; anders
wantrouwt hij het. Zoo voor de aardigheid, om ook eens als eigenaar te
figureeren en nog een kleinigheid toe te verdienen, waarvoor hij zoo
goed als niets waagt. Want we moeten hem iets mee laten betalen; anders
is het te mooi.”
„Best,” zeide Arnolds. „Zorg jij dan voor je winkelier en de
inschrijving, en wij doen de rest. Ik zal dadelijk telegrafeeren, dan
kan de knol op de volgende courses te Woestduin meeloopen.”
„Maar tegen een onbekend paard zijn geen pari’s te krijgen,” meende
Boom.
„O, hij moet de eerste keer ook niet winnen. Een keer of drie moet hij
meeloopen. Tweemaal zóó verliezen, dat er een hooge côte te maken is,
en de derde maal in een verkoopsren winnen. Zie je, dat is de manier,
om geld te verdienen, en tegelijk de lastpost van het paard kwijt te
zijn. Wacht, ik zal mijn telegram klaarmaken.”
En hij zette zich tot schrijven.
Ruim drie weken later was het drietal vereenigd te Woestduin. Het was
de groote dag, waarop Miss Kate, hun paard winnen zou. In de volle
zekerheid van hun slagen, hadden Arnolds en Viehof zoowel bij de
bookmakers als aan den totalisator hun geld geplaatst, het over
verschillenden verdeelende, om geen argwaan te wekken. Boom had
gewacht. Het was zijn systeem, om eerst te zien wat vóórging, en zoo
laat mogelijk te zetten, in elk geval niet eer men wist of alle paarden
meeliepen. Eindelijk besloot hij het voorbeeld der anderen te volgen,
en verwijderde zich van hen. Eensklaps werd hij zacht aan zijn mouw
getrokken. Het was een gewezen jockey, die thans het baantje van
adviseur uitoefende, en tips gaf. Boom had hem vroeger eens uit den
nood geholpen, en daar werkelijk soms goeden raad voor ontvangen, de
enkele malen, dat hij naar de courses ging.
„Speelt u Walkyrie” raadde hij.
„Ik was van plan Miss Kate te spelen,” zeide Boom.
„Dat dacht ik wel,” zeide de ander. „Ik heb u zien praten met meneer
Viehof. Die zit in een combinatie.”
„Hoe drommel weet je dat?” riep Boom uit.
„Ik moet wel alles weten, tenminste als er geknoeid wordt. De jockey is
omgekocht, geloof u me gerust. Miss Kate wint ditmaal niet. De volgende
maal.”
Boom begreep, dat daar iets achter moest zitten. Het was een
verkoopsren, en men moest verkoopen, omdat men het financieel niet
langer houden kon. Won dus Miss Kate niet, dan was men paard en
inzetten kwijt.
„Weet je het heelemaal zeker?” vroeg hij.
„Heelemaal zeker,” antwoordde de ander. „Maar ik zou niemand anders dan
u gewaarschuwd hebben. U verklikt me niet?”
„Dankje wel,” zeide Boom. „Kom straks eens bij mij.”
„Neen, meneer, dan zoude men misschien iets merken. Ik kom morgen avond
even bij u thuis.”
Boom volgde den gegeven raad, maar met kloppend hart. Hoewel de
ex-jockey nooit met zekerheid tevoren kon zeggen, welk paard zou
winnen, als elk zijn best deed, kon hij toch daartegenover wel veilig
afraden een paard te spelen, als hij van knoeierij de lucht had. En
daarop was hij uitgeslapen.
Het leek een spannende strijd. Na eerst in een klomp te hebben
geloopen, drongen reeds na de eerste hindernis twee paarden vooruit. En
ofschoon de achterblijvers hoe langer hoe meer distantie kregen, die
twee bleven als aan elkaar hangen.
„Hij houdt Miss Kate in,” zeide Arnolds zacht tegen de anderen. „Dat is
zeer verstandig. Dan kan hij haar krachten voor het laatste vlakke eind
bewaren. Het gaat goed.”
Maar een oogenblik later uitte hij onwillekeurig een kreet.
Bij den sprong over de laatste hindernis was Miss Kate teveel op de
voorhand neergekomen, en had door den schok zijn vaart verloren. Het
scheen zelfs een oogenblik of hij vallen zou, zoo wankelde de rijder.
Zich onmiddellijk weer herstellende schoot het paard echter weer
vooruit, zichbaar den voorsprong inhalende, dien Walkyrie door dat
korte oponthoud gekregen had. Maar telaat. Met een neuslengte was Miss
Kate geslagen!
„Weg centers!” riep Boom, onverschilligheid voorwendende.
Hij had mooi in de angst gezeten. Toen hij het geval bij de laatste
hindernis zag, begreep hij dat dit een gewilde misstap was, doch later
twijfelde hij weer. En minder goed gezicht op de paarden hebbende, daar
de tribune eenigzins schuin tegenover den winpaal stond, dacht hij een
oogenblik dat Miss Kate tòch weer voor was gekomen. Doch neen, en
weldra weerklonk het geroep: allright! waarmee de overwinning van
Walkyrie een feit werd.
Arnolds en Viehof stonden met bleeke gezichten te kijken.
„Ik moet eerst wat drinken,” zeide de laatste, waarmee de ander
instemde.
„En ik moet wat versche lucht blijven inademen,” zeide Boom. „Is me dat
een toestand! Ik kom straks ook aan het buffet.”
Zoodra zij daarin verdwenen waren, ging hij zijn winst realiseeren.
Eerst bij de bookmakers, waar het van uit het buffet meer in het
gezicht kon loopen, en toen bij den totalisator. Daarna vervoegde hij
zich bij de anderen.
„Geen prettig bericht voor Hervau,” begon Boom.
„Voor ons is het erger,” antwoordde Arnolds. „Hoeveel heb jij gezet?”
„Duizend pop.”
„’t Is jammer. Ik wou dat die vervloekte knol de beenen gebroken had.
De jockey heeft z’n best gedaan. Het scheelde nog maar een haartje.”
„Gévédé!” liet Viehof los.
„Kom, er is niets aan te doen,” meende Boom. „Laat ons opwandelen, en
aan het hôtel nog iets pakken. Die champagne begint me tegen te staan.”
En zij zetten zich in beweging, langzaam opwandelend naar de door Boom
voorgestelde plaats, om van daaruit de komst van den trein af te
wachten.
Thuisgekomen dacht Boom zijn vrouw te verheugen met al het geld, dat
hij gewonnen had. Doch dat was een misrekening. Wel nam zij het hem af,
maar diende hem een ongezouten standje toe. Ten eerste omdat hij de
duizend gulden, waarmee hij gespeeld bad, niet had afgedragen, en
voorgewend, dat hij die de vorige week niet had kunnen innen. En
voorts, omdat hij die gewaagd had, en zeker kwijt zou geweest zijn, als
niet toevallig die jockey hem had ingelicht. Enfin, het was gebeurd, en
nu gelukkig afgeloopen; maar hij moest het niet weer wagen. Neen, nooit
meer. Want ze hadden genoeg, om met voorzichtig uitzetten van te leven,
en gingen gaandeweg zelfs vooruit. Er was dus geen enkele reden om van
die gewaagde dingen te doen.
„Het was niet gewaagd,” wierp hij tegen. „Geknoei kan niemand
verhelpen.”
„Spelen is altijd gewaagd,” besliste zij. „En ik wil het niet meer
hebben, hoor je!”
Maar later bleek zij toch niet zoo kwaad, daar zij Boom honderd gulden
meegaf, om Arnolds en Viehof, als die thans zonder geld zaten, elk wat
te geven. En hij mocht dien avond alleen naar Central, om het hun te
brengen. Want sedert zij getrouwd was, kon ze moeielijk meer daarheen
gaan, met de kans de maîtresses der anderen te ontmoeten.
Zoo slenterde Boom na den eten naar het bewuste Café, hoewel hij
nauwelijks verwachtte de anderen daar te vinden. Zeer verwonderd was
hij dus hen te zien niet alleen, maar blijkbaar hadden zij met Fifi en
Leda goed gedineerd, en waren in vroolijke stemming.
„Goed bericht!” riep hem Arnolds toe, zoodra hij hem bespeurde. „Een
telegram van Hervau. Hij seint het paard nog aan te houden, en een
volgenden keer te laten loopen. Hij zal stalgeld vergoeden en dubbel
onze inzetten, die er vandaag bij ingeschoten zijn.”
„Begrijp je dat?” voegde Viehof erbij.
„Nogal eenvoudig,” zeide Boom. „Hij heeft tegen zijn eigen paard
gespeeld, en zelf gezet op Walkyrie.”
„Bliksems! Wat heeft hij daaraan?”
„Om tweemaal te winnen. Door onze hooge inzetten leek het, of Miss Kate
nu liep om te winnen. Dat depreciëerde de côte van Walkyrie, waardoor
hij op dat paard zettende, meer won. Den volgenden keer denkt men, dat
het wéér zoo gaan zal, en slaan we onzen slag met Miss Kate. En dan is
het uit.”
„Waarom liet dan de jockey Miss Kate zoo gevaarlijk ophalen?”
„Om een disqualificatie te ontgaan. Daar zijn ze bier tegenwoordig zoo
bijster vlug mee. We hebben hem dadelijk teruggeseind hoeveel stalgeld
en inzet is. Voor jou ook.”
„Je hebt er toch wat opgelegd?”
„Neen, zeker niet. Onder elkaar eerlijk, hè?”
„Natuurlijk,” zeide Boom, even kleurende. „Ik maakte ook maar gekheid.
Kom, dat is een goed bericht, en ik geef er een dozijntje oesters op,
bij Hoek.”
Dat denkbeeld vond de noodige instemming, en men maakte zich
langzamerhand op, om de uitnoodiging te volgen.
Toen Boom dien avond naar huis ging, aarzelde hij, of hij zijn vrouw
mededeeling zou doen van het extra fortuintje, dat hem te beurt viel.
Zij had gelijk, het was wagen geweest. Maar het zou zonde zijn de
volgende keer, als Miss Kate werkelijk won, niet weer mee te kunnen
doen. Heelemaal niets zeggen, durfde hij ook niet. Hij moest toch
eenigen uitleg geven, waarom hij de honderd gulden niet aan de anderen
had behoeven te geven, maar er van had gesoupeerd met hen. Als het nu
niet zoo laat was geworden, en hij kon ergens het meerdere geld bergen,
was het wat anders. Ook deed zich de moeielijkheid op, zoodra hij de
twee mille van Hervau in zijn zak had, te maken, dat Helene er de lucht
niet van kreeg. Zij ledigde zijn zakken, en borstelde dan zijn goed af.
Inslikken kon hij het toch niet! Ha, hij wist iets! Hij kon haar
wijsmaken, dat Hervau hem duizend gulden restitueerde, in de meening,
dat hij die verspeeld had, en de andere duizend gulden om voor
gezamenlijke rekening den volgenden keer te spelen. Zoo was elk
tevreden, en de volgende maal zou hij de helft afdragen, en de andere
helft quasi aan Hervau moeten zenden. Tegen dien tijd zou hij er wel
een geschikt plekje voor vinden, waar zij niet bij kon.
Het was lastig, zoo’n vrouw, die overal haar neus instak. En toch kon
hij niet buiten haar. Reeds hadden, toen hij pas thuis was, een paar
oude schuldeischers geprobeerd hem aan het kleed te komen, maar ze
moesten onverrichterzake afdeinzen, omdat alles van háár was. Hij had
zich toen gehaast dit zooveel mogelijk bekend te maken, om geen
herhaling te krijgen. En bij slot van rekening zorgde zij toch goed
voor hem, en was het in zijn eigen belang. Alleen, lastig was het.
Reeds den volgenden avond kwam de remise van Hervau. Dat was wat men
noemde coulant! Men deelde, en gaf den winkelier te wiens name het
paard liep, de voorgeschoten stalgelden terug. En deze, die al bang
geworden was, dat men hem erin had laten loopen, en met een deurwaarder
in overleg was getreden het paard in beslag te nemen, verheugde zich in
den goeden afloop.
„Ik wist wel, dat ik u kon vertrouwen, meneer Boom,” zeide hij; „maar
het loopt toch in de papieren. Ik heb er zelf vierhonderd gulden op
gezet en verloren. Ik zal de volgende maal mijn inzet moeten
verdubbelen, en dan willen we er het beste van hopen. In elk geval weet
ik, dat ik een renpaard heb gehad.”
„Maak u maar niet ongerust,” zeide Boom. „Het was een toeval, dat het
paard ditmaal heeft verloren. Aanstaanden Zondag zal het wel beter
gaan.”
En deze voorspelling kwam uit.
Mooier dan ditmaal Miss Kate liep, had nooit eenig paard geloopen.
Hands down werd de ren gewonnen, Vroolijker dan de vorige maal gingen
nu ook Arnolds en Viehof naar huis.
„Ik ga er een beetje vandoor,” zeide de eerste. „Ga je mee?”
„Waarheen?”
„Forest, Namur, of zoo. En als we geluk verder.”
„Top,” antwoordde Viehof. „Gauw wat inpakken, en met den avondtrein tot
Brussel?”
„Best!”
„Wat zijn jelui toch dom,” meende Boom. „Nu heb je wat geld, en kunt
met een beetje beleid er van leven, en af en toe nog eens een slagje
slaan. Doe zooals ik, en blijf hier. ’k Weet van tevoren, dat jelui
sans le sou terugkomt.”
„Ik heb toch eens tachtigduizend francs gewonnen,” merkte Arnolds op.
„Ja, en die heb je er in een maand doorgelapt,” zeide Boom. „Op die
manier heb je er niet veel aan.”
„Het komt er niet opaan,” zeide Arnolds. „We hebben dan tenminste
plezier gehad. Wat heb je hier?”
„En,” vond Viehof, „als we terugkomen, en het is op, dan zoeken we maar
wéér wat op.”
„Ik houd me aanbevolen,” verklaarde Boom.
Zij deden zooals afgesproken, en spoedden zich naar hun kamers, om hun
koffertje te pakken, en de meisjes wat geld te geven. Maar deze lieten
zich daarmee niet afschepen, en het gevolg was, dat zij zoolang
aandrongen tot ze mee mochten.
Even voorbij de grens hadden zij hun gewone bezigheid hervat, als ze
reisden, te weten Arnolds en Viehof kaart te spelen, de meisjes te
kijken en te babbelen, toen zich in de deur van den coupe, die ze voor
den rook hadden opengelaten, de figuur van Wiechen vertoonde.
„Zoo, heertjes,” zeide hij, „éérste klasse en de dames mee?”
„Kom bij ons zitten,” noodigde Arnolds. „Waar ga jij heen?”
„Naar Parijs,” zeide Wiechen. „Neen, ik kom niet binnen. Ik heb tweede
klasse, en als een conducteur komt....”
Zij drongen aan, maar hij bleef weigeren, vertellende van een koopje
dat hij eens gehad had door dat te doen. En bovendien was hij niet
alleen. Een dame, die hij wegbracht.
„Blijf je lang?” vroeg Arnolds.
„Ik weet het nog niet. Eens kijken, of ik er iets van mijn gading
vinden kan. Nu, we zien elkaar in de wachtkamer te Brussel wel. Of gaan
jelui niet door?”
„Vannacht blijven we te Brussel. Bonjour!”
„Ik moet toch zien wie hij bij zich heeft,” verklaarde Arnolds, toen
Wiechen verdwenen was. „Neen, één voor één, asjeblieft,” ging hij
voort, ziende dat ook de anderen opstonden.
Hij bleef maar kort weg.
„Gordijntjes dicht,” vertelde hij. „Door de reet zag ik oen knap
snoetje, maar onbekend.”
De overigen schenen het nu niet meer de moeite waard te vinden, en men
ging door met spelen en praten.