HOOFDSTUK XIV.

Dr. Arnolds zat in zijn studeerkamer, toen Boom werd aangediend.

„Wat mankeert eraan?” vroeg hij eenigszins verbaasd, den op het oog

volmaakt gezonden jongen man aanziend.

„Ik wou gaan trouwen,” zeide Boom.

„O, en u wenscht een geneeskundig onderzoek? Ja, dat doet men

tegenwoordig veel, en ik kan het niet kwaad vinden.”

„Pardon, dokter. Maar trouwen kost geld.”

„Dat zult u toch niet bij mij zoeken?” vroeg de oude man treurig.

„Toch wel.” verklaarde Boom. „U is, naar mij destijds uw zoon vertelde,

penningmeester van een dames-vereeniging, die gelden voorschiet, als

men... nu, ’n zoogenaamde fout repareeren wil. Is dat zoo?”

„Ja zeker!” riep dr. Arnolds uit. „En u verkeert in dat geval? Hé, daar

wist niets van.”

„Mijn meisje komt zelden hier, en dan nog maar voor korten tijd. Zij

woont in Berlijn. Uw zoon kent haar heel goed.”

„Zoo! Nu, ik denk niet dat er moeielijkheid zal zijn. De vereeniging

heeft in langen tijd niets te doen gehad. U begrijpt... men meldt zich

niet gaarne aan.”

„Neen, dat begrijp ik niet,” zeide Boom. „Ik zou eer denken, dat als

men het maar meer algemeen wist, de aanvragen niet zouden ontbreken.”

„Integendeel. Het kost soms vrij wat moeite de mannen te bewegen, om de

meisjes te trouwen, die zij ongelukkig gemaakt hebben.”

„Er zullen toch verscheidenen zijn, die zouden willen trouwen, als ze

geld hadden om hun eerste inrichting te bekostigen. Zoo in het

algemeen, bedoel ik.”

„O, maar daar bemoeit zich de vereeniging niet mee. Enkel gevallen

meisjes trekt zij zich aan, en tracht degenen die er de oorzaak van

zijn, op deze wijze te bewegen hun plicht te doen.”

„Welnu, dan laat men ’t meisje even vallen, als dat per se een

voorwaarde is,” lachte Boom.

„Foei, meneer Boom! Dat zou een immoraliteit zijn.”

„Wat? Het te doen, of er een premie op stellen?”

„Sst! Laat u toch nooit meer zoo uit, of de dames zouden.... Van u is

het toch heusch waar?”

„En of! Hoeveel krijg ik er voor? Uw zoon sprak toen van duizend

gulden.”

„Ja, dat kan, voor iemand als u. En trouwens, ze zullen blij zijn weer

eens een geval te hebben. Wanneer moet u het geld hebben?”

„Zoo spoedig mogelijk, dokter. Ik wacht erop om aan te teekenen.”

„Het is jammer, dat er juist een paar dames op reis zijn. Want ze

weigeren wel nooit, maar willen er allen in gekend zijn. Een beetje

uitpluizen....”

„Dan zal ik moeten wachten. Dat spijt me. Ik had er alles voor in orde;

tot zelfs de acte van huwelijksche voorwaarden is besteld. Hoe lang zou

het duren, denkt u?”

„Een kleine zes weken. Maar ik weet wat. Als ik u eens een accept van

mij gaf, op twee maanden, en u maakte daar geld op? Binnen dien tijd

heb in het in orde, en los mijn accept in.”

„Een accept van u? Dat zal moeielijk te plaatsen zijn, zoo vlak na dat

geval. Maar om ’t even. Ik wil het wel hebben, en kan ik het niet

kwijt, dan moet ik maar zoolang wachten. Een zegeltje heb ik wel bij

me. Mag ik een pen van u hebben?”

„Het is natuurlijk een zaak van vertrouwen,” zeide de oude dokter, toen

hij teekende. „Trouwt u niet, dan krijg ik het accept of het geld

terug. Overigens heeft u vijf jaar den tijd....

„Ja, dat weet ik,” zeide Boom, het papiertje dichtvouwend. „Dank u. Ik

hoop u spoedig mijn huwelijk te annonceeren.—Hoe staat het met de zaak

van uw zoon?”

„O, best! Hij wordt vrijgesproken. Waarschijnlijk zal de instructie

reeds de volgende week zijn beëindigd, en er is veel hoop, dat hij dan

al losgelaten wordt.”

„Dat is een goed bericht,” vond Boom. „Dus komen de jongelui nu

eerstdaags vrij?”

„De jongelui? Neen, Viehof natuurlijk niet.”

„U zegt....? Hoe zit dat dan in elkaar? Medunkt, ze hebben het allebei

gedaan, of....”

„Neen, dat is het niet. Viehof heeft nog wat tegoed van vroeger. Hij is

een tijd geleden ook vervolgd, en toen hebben ze hem moeten

vrijspreken. Zooiets van een valsche handteekening. Daarom moet hij nu

nog wat brommen.”

„Houd me ten goede, dokter,” zeide Boom; „maar het heeft er wel wat van

of u bezig is me voor den gek te houden. Vrijgesproken en nu daarom

moeten brommen? Verstond ik u soms verkeerd?”

„Volstrekt niet. Dat is nieuwe stijl hier in den Haag. Zoo’n beetje op

z’n Engelsch, of althans wat ze daarvan hier ons wijs maken. Enkel de

vermaningen, die ze ginds geven, ontbreken hier nog, maar dat komt wel.

Ongeveer zóó: „Beklaagde, je bent vrijgesproken van hetgeen je werd te

laste gelegd. Het is te hopen, dat de langdurige preventieve hechtenis

je tot waarschuwing moge strekken om het niet weer te doen.”

„Kom, dokter,” vermaande Boom, „U is bitter gestemd, omdat het uw zoon

geldt....”

„Bitter? Och neen, meneer Boom. Ik maak een diagnose.”

„Nu, enfin,” zeide Boom. „Het raakt mij ook eigenlijk niet. Het is

alleen maar, dat ik de uitspraken van een rechterlijk college anders

gemotiveerd acht, als u het wil doen voorkomen. Zou u werkelijk denken,

dat die heeren nog tijd hadden om kleine persoonlijkheidjes in hun

ernstig werk te laten wegen?”

„Meneer Boom, ik zwijg. Maar, als het uitkomt, zooals ik heb gezegd,

geeft u me dan gelijk?”

„Ja, dan zou men niet meer weten wat te denken. Het staat vast, dat de

een niets meer of minder heeft gedaan, dan de ander. Maar kan het ook

daarin zitten, dat Viehof minder heeft willen zeggen? Ik bedoel zóó.

Als de een royaal alle vragen beantwoordt, die men hem doet, en de

ander vertikt het om geluid te geven....”

„Ik weet niet precies hoe het in de wet staat. Maar de redenen waarom

men iemand preventief kan zetten of houden, zijn er in omschreven, en

komen neer op vrees, dat de man het nog eens zal doen, of op den loop

gaan. Nu wil ik u wel op een briefje geven, dat, wie loskomt, er

onmiddellijk vandoor gaat. Voor mijn zoon sta ik in, al zou ik hem

moeten dwingen. En anders was hij hier gebleven, ja, zou ik hem

gedwongen hebben te blijven, om niet den schijn van schuldig-zijn op

zich te laden. Maar met deze ervaring, raad ik iedereen in Holland aan:

Ga heen, als ge denkt, dat ge in eenige strafzaak betrokken kunt

worden, en wacht af, wat ze er maken.”

„Ik wil mijn oordeel opschorten,” zeide Boom. „In elk geval ben ik het

met u eens, dat iemand die plan heeft te vluchten, niet wacht tot men

hem preventief in hechtenis komt nemen. Dus, als hij hier kalm rond

blijft wandelen, moet men een sterke verbeeldingskracht hebben, om voor

ontvluchting te gaan vreezen. Maar ik wist niet, dat men enkel om zulke

redenen iemand mocht vasthouden. Ik dacht, dat het voor een gemakkelijk

onderzoek was. Je hebt ze altijd bij de hand.”

„Nu begin ik te gelooven, dat u me een beetje voor den gek houdt,

meneer Boom,” zeide Dr. Arnolds. „Want, wat u daar zegt, zou erger

wezen, dan wat ik als motief aannam. Nietwaar, er straalt nog eenige

gemoedelijkheid in door, in dat preventief zetten van iemand, van wien

men overtuigd is, dat hij wat heeft verdiend. Iets wat aan een

vaderlijke tuchtiging doet denken....”

„Genoeg, dokter,” zeide Boom, opstaande. „Ik dank u voor de voorloopige

hulp, en wensch u het beste voor uw zoon.”

Inderdaad was Boom wat onrustig geworden. De gebeurlijkheden bij zoo’n

geval—of men ze nu vaderlijke tuchtiging noemde, of wat anders—waren

toch in elk geval onplezierig. Hij had werkelijk een goede ingeving

gehad, dien avond in Central, om niets in zijn bezit te willen hebben,

al was het dan ook zonder voordacht geweest. Anders was hij er nu ook

bij, en al kwam het uit, wat de dokter gezegd had, dat de lui werden

vrijgesproken, ze hadden een tijd achter den rug van onzekerheid, en,

wat Boom het ergste vond, van gebrek aan alle comfort. Hij keek eens

naar zijn keurig passend en goed geborsteld pak, en rilde bij het

denkbeeld dat voor gevangeniskleeding verruild te zien. Ja, dat zou

erger dan erg geweest zijn!

Inmiddels was zijn gang vandaag vruchtbaar geweest. Duizend gulden! Het

was toch waar, wat men wel eens zeide, dat op den weg tot rijkdom, de

eerste duizend gulden het moeielijkst te halen waren. Dan ging het

vanzelf. Zoo ook nu weer. Met het geld van dien waterchinees was het

begonnen. De zaak was nu te zorgen, dat het hem niet kon worden

afgenomen, en daartoe moest hij nu met trouwen voortmaken. Dan was

alles van zijn vrouw, die, dankbaar als ze zijn moest dat hij haar

getrouwd had, hem een Paradijs op aarde zou bereiden, en voor hem een

levende spaarpot zijn, waar niemand aan kon komen. En dan aan zijn

machine werken.

Boom lachte ineens hardop. Die was goed! Nu had hij al zóóveel lui met

die wondermachine beetgenomen, dat hij er zelf aan begon te

gelooven....

„Meneer Boom!”

Hij was op het Plein gekomen, en week juist uit voor een tram, waarbij

hij zonder haar op te merken, Marie van Groningen rakelings passeerde.

„Mevrouw,” zeide hij, den hoed lichtend. „Kan ik u ergens mee van

dienst zijn?”

„Ja meneer, u is een kennis van mijn.... van Wiechen, en....”

„U schijnt een beetje geagiteerd, mevrouw,” zeide Boom. „Zou het niet

beter zijn, dat we ergens even gingen zitten, zoodat u kalm kunt

uitspreken?”

„Ja, dat wilde ik u juist vragen. Maar waar? Ik weet maar één

gelegenheid. Dan moet u met mij rijsttafelen. Houdt u daarvan?”

„Rijst met jus?” vroeg Boom. „Ik heb het nog nooit gegeten, zooals

Indische menschen dat doen. Maar tegen gepeperd eten kan ik wel. Waar

is het?”

„Prins Hendrik-plein. Stapt u maar op deze tram,” zeide zij, met haar

parasol voorzichtig wijzende. „Als u mij ziet afstappen, doe het dan

ook, laat de tram doorgaan, en kom dan met me mee.”

Boom volgde de ontvangen instructies.

Zij zaten in een net zaaltje, en Boom bewonderde de keus van zijn

tijdelijke gastvrouw, wat de gelegenheid betrof. Hij was er nog nooit

geweest, en misschien daardoor, maakte het een levendigen indruk op

hem.

Hij wist in het eerst niet te definieeren, wat het eigenlijk was dat

hem dat gevoel van groote veiligheid gaf, indien men hem zou willen

bespieden. Het laatste kon hem al heel weinig schelen, maar uit een

altruistisch oogpunt bekeken, in háár belang, deed het hem weldadig

aan. En eindelijk drong het tot hem door, toen zij een opmerking

maakte.

Verduiveld ja, dàt was de zaak! Als men iets verbergen wil, moet men

het zoo publiek mogelijk doen. Dan let er niemand op. En volgens dit

principe zat men hier veilig. De tafeltjes binnen stonden ver genoeg

van elkaar, dat men elkanders gesprekken niet beluisteren kon. Maar

voor de ramen waren geen gordijntjes, zoodat ieder naar binnen kon

kijken, en.... het dus niet deed. Als Wiechen zelf op dit oogenblik

langs was gekomen, en hen gezien had, zou hij er niets van hebben

kunnen zeggen. Men zou met een fideele handbeweging hem hebben kunnen

uitnoodigen om mee aan te zitten, zonder een excuus te hoeven maken

over dit samenzijn. Alleen had men dan het gesprek niet kunnen houden,

dat nu gehouden werd.

Het was eigenlijk dezelfde geschiedenis, als met die brievenbus.

Had Wiechen die niet zoo zorgvuldig afgesloten gehouden, en zoo in het

oogloopend getoond, dat hij iets te verbergen had, dan zou zij nimmer

op de gedachte gekomen zijn, dat er voor haar iets belangrijks in zijn

correspondentie kon zijn. Nu, waar zij eenmaal, door de handigheid van

den bediende, toegang had gekregen, tot wat hij voor haar afsloot, ging

het haar in zekeren zin als de vrouw van Blauwbaard in het sprookje, en

dreef haar de nieuwsgierigheid tot ernstig onderzoek. En zoo had zij na

eenigen tijd alles vernomen, wat vroeger voor haar een praatje scheen,

een mythe, maar nu door de platte wijze, waarop men aan Wiechen, tot

zelfs op open briefkaarten durfde schrijven, een afschuwelijke

werkelijkheid was geworden.

Men geneerde zich niet. Naast de eene briefkaart, waarop bedekt

gezinspeeld werd op misdrijven, die Wiechen zou hebben begaan, en die

men dreigde ter kennis van de Justitie te zullen brengen, lag vreedzaam

de andere, waarop hij werd uitgenoodigd ergens te komen, of waarbij men

hem een bezoek annonceerde, teneinde hetzelfde misdrijf te begaan.

„Maar mevrouw,” zeide Boom, „U zinspeelt den geheelen tijd op iets

bijzonders, dat u echter niet noemt. Ik weet wel, waarvan men Wiechen

beschuldigt, waarmee men zegt, dat hij oorspronkelijk zijn geld heeft

verdiend. Maar ik wist niet, dat hij dit vak nu nog beoefende.”

„Het is niet te noemen, meneer Boom,” zeide Marie. „Heeft u Zola

gelezen.... Fécondité? Nu, dan weet u het. Ja, ik zie, dat we dan

hetzelfde bedoelen.”

„Ja,” zeide Boom. „Laat u me even uitblazen....”

„Neemt u een hapje rijst, of een stukje brood.... Niet zóó blazen....

Inhalen! Hf, hf, de lucht tusschen de tanden inzuigen! Gut, u wordt er

rood van! Wie dacht nu ook, dat u al die sambal zoo door uw eten heen

zou werken. Kassian, maar ’t is toch gek!”

Het duurde eenigen tijd, eer Boom bekomen was. Als een visch op het

droge, zat hij te gapen. Zijn mond brandde. Eerst langzamerhand, toen

hij, den gegeven raad volgend, een hap droge rijst gekauwd had, begon

het te minderen, en kon hij weer spreken. Maar hij weigerde halsstarrig

nog iets te nemen van hetgeen hij op zijn bord had, zelfs niet toen

Marie er het een en ander had uit gevischt, en er versche rijst aan had

toegevoegd.

„U bedoelt dien knoeier, die vrouwen afhielp van hun begane fouten?”

zeide hij eindelijk.

Als hij niet zoo’n pijn in den mond gehad had, zou hij het nooit zoo

kortaf hebben durven zeggen, en hij was blij, toen zij knikte, de oogen

afwendend.

Het was eruit. Zonder het nu verder bij den naam te noemen, kon men

erover spreken.

„U voelt, dat ik niet bij hem blijven kan,” begon Marie, na een poos.

„Hij wil nu naar Parijs, en daar dat... dat... voortzetten. Hij meent,

dat daar meer mee te verdienen is, dan met wat hij nu doet.”

„Woekeren,” zeide Boom, die door de rijsttafel smaak scheen te hebben

gekregen de dingen bij hun naam te noemen. „Och, in zoo’n groote stad

valt het allicht minder op. Hij zou het een met het ander kunnen

blijven vereenigen.”

„Ja, maar ik ga niet mee. Verbeeld u, hij wil, dat ik hem met het

fransch zal helpen. Ik zou dan die verschrikkelijke menschen moeten

zien en spreken, die komen om bloedgeld, of dat andere....”

„Kom, mevrouw, u maakt u er een voorstelling van, die met de

werkelijkheid niet overeenstemt. De menschen die geld komen halen, zijn

altijd vol hoop, dat hun moeielijkheid tijdelijk zal zijn. En zoo niet,

dan probeeren ze het maar eens, en zijn betrekkelijk onverschillig. Als

de leening gelukt, zijn ze opgewekt. Ook als ze komen betalen; want

iemand die betalen kan, is zeker vroolijk.”

„Ja, zóó....”

Marie moest lachen. Op die manier voorgesteld, moest het bedrijf van

een woekeraar zoowat het prettigste van de wereld zijn. Geen doffe

blikken, wanhoopsbewegingen, of wat ook eenerzijds,—geen koude

wreedheid in het oog, verschrikkelijke bedreigingen aan den anderen

kant, zooals het stond in romans en gedichten?

„Daar staat zooveel in, dat niet waar is, of dat de een van den ander

overschrijft,” zeide Boom. „Maar dat kan ik u verzekeren; ik ben

dikwijls bij Wiechen op het kantoor geweest, en heb er nooit anders dan

vroolijke gezichten gezien. Op een enkele uitzondering na tenminste.

Kijk eens, als de lui betalen moeten en niet kunnen, dan probeeren ze

uitstel te krijgen; en bij zoo’n gelegenheid trekken ze een somber

gezicht. Wiechen doet het dan ook. Hij heeft dan iets vaderlijk

vermanends over zich, dat hem almachtig dwaas staat. Dat alles duurt

echter zoolang de lui op het kantoor zijn. Komen ze er uit, dan ziet

men een spotlachje of ze steken even de tong uit. En Wiechen zit op

zijn stoel, het met zichzelf oneens; als je binnen komt, vragend of je

over meneer die of die een opinie hebt, en wat het beste zou zijn, hem

vervolgen of uitstel geven.”

„Enfin,” zeide Marie, „dat is ook het ergste niet. Maar dat andere? Hoe

denkt u dáárover, en wat heeft u dáár van gezien?”

„Dáár komt uit den aard der zaak niemand bij,” zeide Boom. „Als men in

de wachtkamer zit te wachten, worden er soms een paar dames

binnengelaten, die wat vreemd doen. Je kunt ze moeielijk vragen, wat ze

hebben, en op het kantoor komen ze niet. Als je ze de deur uit ziet

komen, wippen ze meestal zóó haastig weg, meestal in een rijtuig, dat

je geen tijd hebt ze op te nemen.”

„Toch zien ze er zeker vreeselijk ontdaan uit?”

„Neen, dat heb ik nooit gezien. Soms een verbeten lachen, en anders óók

vroolijk.”

„Ik geloof nu, meneer Boom, dat u er een beetje gekheid mee aan het

maken is.”

„Op mijn woord niet, mevrouw. Maar, hoe komt het eigenlijk, dat u mij

daar naar vraagt? U moet toch zelf, waar u bij hem woont....”

„O neen, ik heb nooit iemand willen zien, die bij hem kwam. En vooral

sinds ik dàt weet!”

„Dat gebeurt anders niet waar u woont.”

„Wat zegt u? Waar dan?”

„Waar zijn eigen vrouw woont.”

„O God! Foei! O!”

Marie had een kleur van verontwaardiging. Dus kwam hij niet alleen bij

die vrouw, met wie hij voorgewend had niet gelukkig te zijn, en in

onmin te leven, maar zelfs oefende hij daar zijn vieze practijken uit!

En waarschijnlijk had die er genoeg van gekregen, en wilde het hem

beletten, en daarom die verhuizing naar Parijs. En nu moest zij mee

daarheen, en daarbij assisteeren...! Neen, er mocht gebeuren wat wilde,

maar dat nooit! Daartoe was zij niet te krijgen....

„Die man dégouteert mij,” zeide zij, als slotsom van haar nadenken.

„Dus, wat wil u doen?” vroeg Boom.

„Niet meegaan, van hem af!—Ziet u eens, meneer Boom, hier heb ik het

bewijs van een aangeteekenden brief. Daarin stuurt mij een neef in

Arnhem het pensioen, dat dáár nog altijd geind wordt. U weet misschien,

dat ik Indisch pensioen heb?—Zou u dien brief even voor me willen gaan

halen? Ik durf niet zelf te gaan, en als het niet vandaag gebeurt, komt

er nog zoo’n kennisgeving, en die kan ik misschien niet uit de bus

krijgen eer hij die ziet.”

„Met genoegen, mevrouw, al begrijp ik niet....”

„Hij loert er op, en hij is zoo slim! Ik weet niet hoe dat komt, maar

als ik ga, ben ik zeker, dat hij mij aan den ingang al opwacht. Dan

geef ik het af, en kan niet weg, zonder geld.”

„Begrepen,” zeide Boom. „Het beste zou zijn, dat ik dan nu even ging.

Teekent u even af.”

Op haar toestemmend knikken, stond hij op, en gaf haar de kennisgeving

ter teekening.

„Wacht u hier? Tot straks dan.”

Onderweg dacht Boom na, hoe hij zich dit geval tot voordeel kon doen

worden.

Die vrouw had een pensioen, waarvan hij het bedrag weliswaar nog niet

wist, doch dat niet gering moest zijn daar anders Wiechen het niet met

haar zou hebben aangebonden. Daar moest dus van over te houden zijn, en

dan kon hij dat gevoegelijk tot zich zien te trekken. Het voor haar

beheeren, zoogenaamd, en er haar een kleine rente van vergoeden.

Zoo moest het; en toen hij terugkwam, leidde hij zijn plan in.

Natuurlijk zou hij uit louter belangstelling voor haar zorgen, en

verzocht al dadelijk, of zij nooit over eenige belooning wilde spreken.

De geringe kosten, die hij had zou hij haar eenvoudig in rekening

brengen, en alleen dan, als er wat in een handelszaakje te doen viel,

zou hij voor zich de helft van de extra-winst boeken, altijd, als zij

in een tijdelijke beschikking over een deel van haar geld dan

toestemde.

„Ik zeg dat eigenlijk alleen, om u niet te beleedigen met een gratis

aanbod van mijn diensten,” eindigde hij.

„Dat begrijp ik, meneer Boom,” zeide Marie, hem de hand reikend, „en ik

zeg u hartelijk dank voor uw kiesche hulp.”

„Als u mij tot belooning maar nooit weer van dat heete goed laat eten,”

verzocht Boom.

„Nu,” lachte zij, „dat went wel. Ik hoop u na afloop dikwijls bij mij

te zien. U gaat trouwen, nietwaar?”

„Ja....” deed Boom. „Hoe weet u dat?”

„In den Haag weet men alles,” zeide zij.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 17 / 24 题