Van Vleuten had het in zijn betrekking hoe langer hoe drukker gekregen.
En met de drukte waren zijn verdiensten zoodanig gestegen, dat zij de
gewone behoeften van het huishouden ruimschoots dekten. Mocht dit hem
eenigszins nonchalant hebben gemaakt ten aanzien van de door Wiechen te
betalen rente, Betsy vond, dat het niet aanging dien man maar geheel te
laten betuilen, en telkens later en later die rente te ontvangen.
Inderdaad was hij zoo langzamerhand ruim drie maanden ten achter
geraakt, wat het stipte vrouwtje in het geheel niet beviel. Zij kende
de praatjes waarmee haar man zich liet afschepen. Men had van den
beginne af een speling wat den tijd betrof, in het oog gevat, en bij
hooge rente als deze, moest men wat weten te geven en te nemen.
Opperbest, vond Betsy, doch die speling, waarop men gerekend had, was
gefixeerd op vijf dagen, dus de vijfde dag behoorde in elk geval de dag
te zijn, waarop men recht had over de rente te beschikken. Wat onder
„geven en nemen” te verstaan was, verklaarde zij niet te begrijpen,
althans niet in verband met de hooge rente. In geen geval mocht dat
beteekenen, dat men zich een vermindering door systematisch
veroorzaakten achterstal behoefde te laten welgevallen.
Van Vleuten kon daartegen weinig aanvoeren. Van zijn standpunt uit
maakte hij nog een mooie rente, zelfs al werd daar eens wat op
beknibbeld. Maar hiermee behoefde hij bij Betsy niet aan te komen. Zij
toch had een anderen kijk op de zaak. Van al hetgeen men boven normale
rente kreeg, moest het kapitaal weer bijeengespaard worden, dat zij
verloren waande. Men mocht zich dus door Wiechen niet laten bedotten.
En of hij haar inzicht nu deelde of niet, dat kwam er nu niet meer op
aan, sedert zij zijn belofte had.
Op zekeren dag nam zij een kloek besluit. Als van Vleuten er niet voor
zorgen wilde, of geen tijd had, zou zij er zich eens krachtig mee gaan
bemoeien. En toen hij in den ochtend op reis was gegaan, stapte zij
moedig op de tram, en begaf zich naar Wiechens kantoor. Hem thuis
vindende, vroeg zij kortweg om betaling der achterstallige rente.
Als een kikker danste Wiechen om haar stoel heen, nu hier, dan daar een
boek of een papier grijpende, tot hij eindelijk zijn besluit genomen
had.
„Ja, ziet u, mevrouwtje,” zeide hij; „ik zou die zaak liever met meneer
behandelen.”
„Absoluut onnoodig,” meende zij. „Hier valt niets anders te doen dan te
betalen...”
„Betalen, ja wel... Meneer heeft nu en dan wat bij mij gehaald, en...”
„Toch nooit buiten de maandelijksche rente?” vroeg zij.
„Hm.... Ik blijf erbij, dat ik de zaak liever met meneer behandel. Het
is.... och, mannen willen niet altijd voor hun vrouwen weten, wat zij
uitgeven, en waaraan.... U begrijpt, mevrouwtje....”
Bij de laatste woorden had hij zijn hand als sussend op haar arm
gelegd. Betsy vloog van haar stoel op, rillend van walging en
verontwaardiging.
„Je liegt, schurk!”
Wiechen was met stomheid geslagen. Even bewoog hij de lippen, waaruit
de weinige kleur nu geheel was verdwenen. Toen begon een dun straaltje
bloed uit zijn neus te loopen, afdruppelend op den grond.
Betsy was hevig geschrikt. Zich omdraaiend, verliet zij haastig het
kantoor, in de tusschenkamer den bediende naar binnen wijzende. Doch
deze begreep haar niet, en de deur openende, liet hij haar uit.
Op straat gekomen, bedaarde Betsy langzamerhand. Zij begon zichzelf
kinderachtig te vinden, om op het zien van een beetje bloed op den loop
te gaan. Misschien was die neusbloeding maar een soort vertooning
geweest. Maar dit denkbeeld vond ze weer wat al te kras. Hoewel, voor
iemand, die met een effen gezicht zulke vuile insinuaties over Jan
durfde loslaten, was eigenlijk niets te kras. Inmiddels had zij door
haar drift haar doel gemist. Hoe dom van haar, en wat zou Jan ervan
zeggen? Zij begon de gevolgen van haar daad te overwegen, en opeens
keek zij in de straat om, angstig, of ook iemand gezien kon hebben, dat
zij uit het huis van dien man kwam.... „O!”
De kreet was haar ontsnapt. Marie stond vóór haar.
„Was je bij mij?” vroeg deze, niet zonder verwondering.
„Neen,” antwoordde Betsy hard, „dergelijken omgang heb ik niet.”
En met opgericht hoofd week zij terzijde, en liep door. Een eind verder
had ze er spijt van. Dat was de tweede domheid vandaag! Als zij nu
Marie niet had afgestooten, zou deze haar wellicht hebben kunnen
helpen.... maar neen, liever zonder, dan met die hulp. Toch was het
dom. Ze dacht erover, welke daad zij nu nog kon doen, om het getal van
drie vol te maken. Bah, wat was ze onhandig geweest!
Maar één gevolg moest haar gang van heden toch hebben. Het was nu
guerre déclarée, wat allicht beter was, dan dat gezeur. En dan moest ze
maar ineens zorgen, dat de knoop werd doorgehakt. Nu in godsnaam niet
halverwege blijven staan!
Wacht, ze wist het! Bij de halte stapte zij op de tram, moe van het
loopen zoo ver, en reed, den omweg over het Plein nemende, naar huis.
Zonder zich van haar hoed en mantel te ontdoen, snelde zij naar de
slaapkamer, waar het trommeltje stond, waarin het bewijs van Wiechen.
Gehaast, als vreesde zij in haar voornemen gehinderd te zullen worden,
kreeg zij het stuk, en verliet het huis weer.
„Mevrouw van Vleuten?” vroeg de advocaat. „Waarmee kan ik u van dienst
zijn?”
Betsy legde het geval bloot, en overhandigde den advocaat de stukken.
Deze doorliep ze even, en trok toen de schouders op.
„Hetzelfde, precies hetzelfde,” mompelde hij. En toen luider: „Mevrouw,
ik kan u geen opwekkende mededeeling doen. Er is juist een proces
beëindigd, op nagenoeg gelijke stukken als dit. Ik houd het ervoor, dat
het een piège is, opzettelijk zoo gemaakt om er de menschen te laten
inloopen. Kent u den inhoud van deze acte?”
„Ik heb dat groote stuk gelezen,” zeide zij.
„De acte van deposito. Kijkt u nu zelf nog eens na, of u daarin iets
vinden kunt over de verschuldigde rente.”
„Neen,” erkende zij. „Maar wat doet er dat toe?”
„De quitanties, die ik hier zie, vermelden evenmin de strekking. Ze
kunnen zijn, zooals uw man waant, voor overeengekomen rente. Zeker,
maar het staat er niet op. Van den kant van Wiechen zal men beweren,
dat het disposities zijn, in rekening op het deposito.”
„Zoodat dit steeds kleiner wordt?” vroeg zij angstig.
„Juist mevrouw, u begrijpt den toeleg, zie ik. Konden wij aantoonen,
dat hij zich tot een zoodanige rentebetaling verbonden had, als wel het
geval zal zijn, doch dat niet te bewijzen is, dan zouden we hem bij
exploit in gebreke kunnen stellen, en alles, hoofdsom en rente,
opvorderen. Doen wij dat nu, dan ontkent hij eenvoudig, of begroet ons
met een rekening-courant, waarop heel netjes zijn betalingen in
mindering van het deposito gebracht zijn, terwijl hij een
rente-vergoeding van drie percent heeft bijgeschreven. Dat is zoowat de
usantieele rente, zooals u in haast elke courant kunt zien, bij
kapitaal, dat met een halfjaar opzegbaar is.”
„Maar als wij hem eens een eed lieten doen....?”
„Begint u daar nooit mee!” viel de advocaat in. „Het geval heeft zich
een paar jaar geleden eens voorgedaan, dat iemand een eed niet wilde
afleggen. En ik herinner mij, dat het geval eenige sensatie maakte. De
oudste rechter in onze Rechtbank zeide mij toen, dat dit de eerste maal
in zijn leven was, dat een opgedragen eed niet werd afgelegd. Dat wil
nog al wat zeggen dunkt me.”
„Zweren de menschen dan allemaal valsch?” vroeg Betsy naief.
„Ik zal mij wel wachten dat te beweren.” zeide hij. „De les, die er uit
te trekken valt, is, dat men beter doet niet te procedeeren, als men
tevoren weet, dat de zaak van een eed afhangt. En nu wat uw zaak
betreft, meen ik geen ander advies te mogen geven, dan het deposito te
laten opzeggen, tegen heden over zes maanden.”
„Maar wat moeten wij dan al dien tijd doen? Hij zal natuurlijk weigeren
iets te betalen, als we hebben opgezegd.”
„Zeer waarschijnlijk, en zelfs moet u er op rekenen, dat hij nog een
tijdlang daarna rekt.”
„Rekt? Hoe bedoelt u dat?”
„Langzaam procedeeren. Veel uitstel vragen. Trouwens, door de fraaie
inrichting ten onzent, is men altijd zeker van een jaar vertraging, als
men eenvoudig pleidooi vraagt. Er zijn zóó veel pleidooien
ingeschreven, dat we binnen het jaar geen pleitdag krijgen.”
„Maar zijn de rechters de zaak dan niet weer vergeten?”
„De rechter krijgt de zaak niet onder de oogen, dan even vóór het
pleidooi, en dan nog maar gedeeltelijk. Maar het zou te lang voeren u
dat nu uit te leggen. Ik bedoelde met mijn vraag, of meneer van Vleuten
om het geld verlegen is. Ik meende laatst gehoord te hebben, dat hij
nog andere ressources had.”
„O ja, gelukkig,” zeide zij. „Anders hadden we de zaak geen drie
maanden kunnen laten loopen. Maar we zullen zuinig moeten zijn.”
„We zouden iets kunnen probeeren. Heeft uw man een paar vrienden, die
hem voor een kleine comedie van dienst zouden willen zijn?”
„We hebben weinig omgang,” zeide Betsy. „Maar... hij kent hier een
zekeren Boom, dien hij met geld heeft bijgestaan.”
„Voor zijn uitvinding zeker?” lachte de advocaat.
„Ja...” deed Betsy verbluft. „Maar dat mocht ik niet vertellen.”
„Is het veel?”
„Tweeduizend gulden.”
„Altijd jammer. Uw man heeft het dan wèl getroffen.”
„Is dat geld dan weg?”
„Zoo zeker als iets. Van de geheele bende acht ik dien Boom de
gevaarlijkste. Weet u wat, laat meneer van Vleuten eens een dag
vrijmaken en bij mij komen. Ik zal dan eens onderzoeken hoever hij de
dupe is van dat volk, en zien op de voordeeligste manier voor hem te
liquideeren.”
„Maar die Boom leek me zoo’n fatsoenlijk man!”
„Zeker, mevrouw, dat doet hij ook. Maar oordeelt u eens zelf. Hij heeft
enkele jaren geleden een reusachtig faillissement geslagen, dat nog
niet is afgeloopen. Gewerkt heeft hij sedert nooit. Zijn familie kan
weinig of niets aan hem doen. Hij is altijd even netjes gekleed, en als
hij niet slaapt, zit hij in een koffiehuis. Zuinig is hij niet eens. En
waarvan moet die man nu leven, als het niet is van oplichterijtjes,
meent u?”
Betsy zweeg, terwijl de tranen haar in de oogen schoten.
„Zijn het dat allemaal smeerlappen, in dit land?” riep zij eindelijk
uit. „O meneer, helpt u ons uit hun handen! Daar zijn wij niet tegen
opgewassen. Ik zal mijn man dadelijk bij u sturen. Wanneer wilt u dat
hij komt?”
„Vanavond, of morgen om half één. Schikt dat?”
„Hij komt vanavond,” zeide Betsy, met de haar eigen beslistheid.
Thuiskomende zag Betsy de deur van van Vleuten’s kantoortje open staan.
Meenende, dat zij vergeten had die te sluiten, wilde zij haar verzuim
herstellen, toen zij bemerkte, dat haar man thuis was.
„Ben je al thuis?” riep zij uit. „Wat lees je daar?”
„Niets,” zeide hij, het boek dichtslaande. „Ik bladerde een beetje in
een bijbel, dien ik toevallig inhanden kreeg. Waar ben jij heen
geweest?”
„Je hebt ergens veel plezier van,” zeide Betsy, hem oplettend aanziend.
„Wat is het?”
„Dat zal ik je bij gelegenheid wel eens vertellen,” beloofde hij. „Ik
geloof, dat ik wat gevonden heb, maar.... enfin, eerst moet ik zeker
zijn. Waar ben jij intusschen heen geweest.”
„Eerst naar het kantoor van Wiechen, en toen naar je advocaat,” zeide
zij.
„Ben je dol?”
„Nog niet, maar ik ben het bijna geworden. Jan, ik heb beloofd, dat je
vanavond bij den advocaat zou zijn. Beloof je me er heen te zullen
gaan? Als je niet dadelijk handelt, zijn we alles kwijt. O, ik heb het
altijd wel gevoeld.”
Betsy had van haar zenuwen gevergd wat ze verdragen konden. Nu was bet
uit met haar geestkracht, en het duurde lang, eer Van Vleuten een
eenigzins geregeld verslag van haar wedervaren kon krijgen. Toen betrok
zijn gezicht.
En nu bekende hij zelf al sinds geruimen tijd ongerust te zijn geweest.
Ook dat hij feitelijk niet had durven handelen, uit vrees dat er een
débacle uit voortkomen zou. Toch was hij blij, dat Betsy het nu gedaan
had. Immers nu wisten zij, dat Wiechen een geraffineerde schelm was,
maar ook op welke manier zij de dupe van hem waren.
Het was erg genoeg, maar had nog erger kunnen zijn. Want, daar zijn
solvabiliteit althans tot nog toe onbesproken was, zouden zij er af
kunnen komen met opoffering van de rente, die zij toch eigenlijk
bovenmatig hadden genoten, en een beetje leergeld toe.
Zoo troostten zij zich, en onmiddellijk na het eten begaf zich Van
Vleuten op weg zijn advocaat.
Meer zakelijk dan hij tegenover Betsy had willen doen, zette deze voor
Van Vleuten zijn zienswijze uiteen. Vooropstellende, dat men enkel
gissen kon, meende hij echter als een bijzonder veeg teeken te moeten
aanmerken, dat Wiechen in den laatsten tijd geen verweer meer deed
voeren, wanneer men hem in rechte betrok. In geen zijner bij de
Rechtbank aanhangige zaken verscheen voor hem een procureur. De
tegenpartij had dus vrij spel. In het eerst had dit niet zoozeer de
aandacht getrokken, daar men wist, dat de advocaat die vroeger voor
zijn zaken opkwam, hem had bedankt, en een ander, die sedert zijn zaken
had overgenomen, nu juist niet als de handigste in
procureurswerkzaamheden bekend stond, zoodat men aan vergissingen of
verzuimen geloofde, die zich wel zouden herstellen. Doch toen kort
daarna was gebleken, dat ook deze zich aan de zaken van Wiechen had
onttrokken, en voor dezen in een nieuwe zaak zich niemand procureur
stelde, werd het duidelijk dat daar meer achter school, en Wiechen zich
eenvoudig alles liet aanleunen, wat men in rechte tegen hem op touw
wilde zetten. Daarvoor viel geen andere verklaring te vinden, dan dat
er bij hem niets meer te halen viel. En hoewel deze indruk vrij
plotseling kwam, vertoonde zich toch het gewone verschijnsel, dat de
eene crediteur vóór, de andere na, aarzelde de kat den bel aan binden,
hetzij door een executie te ondernemen, hetzij door ineens
faillissement aan te vragen.
„Maar iedere dag is er toch één, in zulke gevallen,” merkte Van Vleuten
op. „De man leeft, en voort zelfs een zekeren train de vivre, die hem
geld moet kosten. In Indië kennen we dat van de Chineezen. Men kan dan
zeker zijn, dat zij bezig zijn geld en goederen te verduisteren. Dan is
bij ons het wachtwoord: haast maken; en als de Javasche Bank het niet
doet, slaan gewoonlijk een paar lui de handen ineen, ter verdeeling van
de gerechtskosten, en vragen zoo spoedig mogelijk faillissement aan.
Dan ligt tenminste alles vast; want wat eenmaal weg is, komt nooit meer
terecht.”
„Verduistering op die manier is strafbaar...”
„Jawel, u spreekt als een rechtsgeleerde, die zich tevreden stelt met
een straf. Wij, menschen van zaken, verlangen ons geld, en doen u de
straf gaarne cadeau.”
„Wel,” meende de advocaat, „als ik u dan goed begrijp, ziet u tegen
snel handelen niet op. Ik geloof vast, dat hij geld geborgen heeft, en
misschien is de tijd nog niet rijp, dat het faillissement, waar hij op
aan schijnt te sturen, hem nu reeds welkom zou zijn. Dan zou er met hem
te accordeeren zijn. Ik wil dat voor u probeeren, maar heb me altijd
het best bevonden bij de methode om eerst eenige gerechtelijke stappen
te doen, en dan te gaan praten. In dit geval zou ik u in overweging
geven uw deposito reeds morgen te doen opzeggen. Daar kan hij alvast
niet van af. Mogelijk geeft hij wel geluid, en als hij eenig voorstel
doet, zal ik u er dadelijk kennis van geven...”
„Kunt u geen beslag laten leggen?” vroeg Van Vleuten.
„Op uw vordering niet, daar die niet liquide is. Maar ik zal eens
rondkijken, of er niet een ander te vinden is, waarmee we hem dan
zoolang ophouden, tot ook de uwe opeischbaar is. Veel zou het waard
zijn, als we erachter konden komen, waar hij zijn geld gestopt heeft.”
„Ik weet, dat hij naar Parijs is geweest.”
„Dat wordt wanhopig zoeken, als hij het daar heeft.
„Enfin, laat mij maar eerst eens probeeren, en mocht u iets
wetenswaardigs ontdekken, dan houd ik mij voor onmiddellijk bericht
aanbevolen.”
Vrij mistroostig kwam van Vleuten thuis. De zaak hinderde hem te meer,
daar hij gevoelde dat het zijn eigen schuld was.
Uit den eeuwigen strijd van belangen kwam toch een norm voort, te alle
tijden, en wie zich daarbuiten waagde, moest er op rekenen òf een
buitengewoon succes te zullen hebben, òf een buitengewone klap te
zullen krijgen. Dat had hij toch in Indië ook geweten, zij het dat zich
de dingen daar langzamer ontwikkelden.
Zonder Betsy’s aandringen op sparen, zou hij nu geheel zonder middelen
zijn. Hij had evengoed kunnen speculeeren in den blinde. Misschien zou
hem de kans dan gunstiger geweest zijn, daar bij dan alleen met het
toeval had te rekenen, terwijl hier boos opzet geen gering woord had
meegesproken.
Plotseling bedacht hij geheel vergeten te hebben over de zaak met Boom
te sproken. Bah! Eén bende, had zijn advocaat tot Betsy gezegd. Toch
interesseerde het hem, hoe Boom zich zou verantwoorden. Iets moest hij
toch zeggen, en vooral hij, die zoo soeverein hoog over zijn eigen
fatsoen sprak. Het was wat laat... hoewel, Boom was iemand, die ’s
avonds in een koffiehuis wel te vinden was. In Central bijvoorbeeld.
Daar scheen alles van dat slag bijeen te komen. Van Vleuten herinnerde
zich de uitdrukking „boevenkroeg”, bij de studenten in gebruik, voor de
verzamelplaats van niet-corpsleden. Geen kwade variant!
Al in zichzelf mopperend, was hij van richting veranderd, en kwam ten
slotte bij het genoemde café. In zoover trof hij het, daar de man dien
hij zocht, er was, toekijkend bij de biljarten.
Met waren galgenhumor bekeek hem van Vleuten een poos, zooals hij daar
zat. Werkelijk, op een afstand, wanneer hij zich niet bewoog, en men de
kleine incorrectheden in zijn spreken niet hoorde, was hem een zekere
distinctie niet te ontzeggen. Een heldere teint, en dat licht sensueele
in de oogen, dat men anders slechts bij buiten echt geborenen te vinden
pleegt.
„Meneer Boom, een oogenblikje alsublieft.”
De aangesprokene toonde zich onmiddellijk bereid, en volgde van Vleuten
naar een hoektafeltje. Op van Vleutens directe vraag naar den stand van
zaken, noodigde hij dezen uit eens te zijnent te komen. Hij zou hem dan
inzage geven van de transacties, tot nog toe door hem voor gezamenlijke
rekening gedaan.
„Jawel,” zeide van Vleuten, „maar de hoofdzaak, uw machine?”
„Ja,” meende Boom, „een mensch kan maar één ding tegelijk doen. Ik heb
het met de zaken zóó druk gehad...”
„Dat zou tijdelijk zijn, en moest toch bijzaak blijven.”
„Goed—maar u heeft niettemin uw deel opgestreken. Ik geloof dat u zelfs
nagenoeg al uw geld terug hebt.”
„Terug? O, als u bedoelt... Maar neen. U heeft mij in het geheel, als
ik me wel herinner zevenhonderd tachtig gulden als winst afgedragen.”
„Nu, dat is dan op tweehonderd twintig gulden na uw deel van het
kapitaal,” zeide Boom. „Die kunt u krijgen, als ik ze binnen heb.”
Van Vleuten keek den ander aan. Was hij dronken? Dat scheen overigens
toch niet.
„U is in de war,” zeide hij. „Ik stelde u twee mille terhand, om uw
model te maken, en....”
„Nu ja, maar zoolang ik daar niet aan beginnen kon, zouden we het geld
gezamenlijk uitzetten.”
„Dat klopt. Ik heb u ook niet gedrongen....”
„Welnu, ik heb dus ieder voor de helft, dat is duizend gulden geboekt,
en daarvan heeft u zevenhonderd tachtig terug genomen. Ik heb uw
ontvangbewijsjes bij elkaar.”
„Zeker. Dat was, naar ik begrepen heb, mijn helft van de winst. U mag
uw boeking inrichten, zooals u wilt; maar wat u daareven zeide, dat u
uzelf voor kapitaalinbreng te mijnen koste heeft geboekt, is onzuiver,
U kunt uw deel van de winst nemen, zoo goed als ik, maar het kapitaal
blijft van mij, en heeft zijn bestemming.”
„Nu begrijp ik u niet. We zouden de zaak toch samen doen? Dat is
volgens mij, elk de helft. U kunt mijn boek zien: zooveel als u nam,
heb ik ook genomen. Wilt u dus uitscheiden, dan geeft ik u tweehonderd
twintig gulden, zoodra ik ze los heb, en ’t is afgeloopen.”
„Inderdaad, dat is een aardige rekening,” zeide van Vleuten, met geweld
zijn kalmte bewarend.
„Wat wilt u? Ik houd me aan de afspraak. Samen, dus ieder de helft. U
schijnt daar van af te willen...”
„Er heerscht een misverstand. Wanneer is het model van uw machine
klaar, denkt u?”
„Dat zeide ik u reeds. Ik heb het met de geldzaken te druk gehad, om
daar wat aan te kunnen doen.”
„Dat was toch de bedoeling niet. Enfin, laat dan die geldzaken rusten,
en werk uw machine af.”
„Waarvan?”
„Wel, van de twee mille, die u daarvoor gekregen hebt.”
„Daar hebben we elk zevenhonderd tachtig gulden van gehad.”
„Parbleu! Om die er af te nemen, heeft u toch geen drukte bezorgd?”
„Neen, maar ik heb nog accepten. Ziet u eens,” zeide Boom, een dunne
portefeuille opende, „hier zijn er verscheiden. Excuseer mij nu, men
heeft mij al verscheiden malen gewenkt om in te vallen.”
Van Vleuten bleef staan, planté là, zooals de franschen zeggen.
Eindelijk draaide hij zich om, en ging heen, voornemens morgen Boom
schriftelijk te beduiden, dat hij hem het geld voor een bepaald doel
had gegeven, en niet wenschte, dat er langer op deze wijze mee gewerkt
werd.
In elk geval, hij begreep nu, dat Boom het geld nog had, zij het in den
vorm van accepten, en dus was de zaak zoover tenminste in orde.