HOOFDSTUK VII.

Naar huis gaande dacht van Vleuten na over de gemakkelijkheid, men

iemand, door een enkel woord, een slechte reputatie kon bezorgen. Dat

bewees nu weer het geval met Wiechen. Zonder twijfel was de man in

Indië geweest en op expeditie. Dan kon het niet missen, of hij had

eenige Atjehers of zulk volk naar de andere wereld geholpen. ’n Dikke

tienduizend.... nu ja, dat gold dan voor het geheel der gesneuvelden.

Of geen een. Had niet Multatuli iets dergelijks van een generaal

gezegd? Jawel, in zijn „Specialiteiten.” En daarover had Boom een ui

getapt.

En van zooiets was een praatje gemaakt! Bah. hoe flauw! Hij zou dat

Betsy eens goed zeggen. Maar wacht.... het was de vijfde, een

aanleiding om zijn rente te gaan halen. Gewoonlijk wachtte hij daarmee

tot den tienden, maar dat behoefde geen verhindering te zijn. Hij

veranderde van richting, en belde eindelijk bij Wiechen aan.

„Meneer is uit de stad,” zeide de bediende. „Naar Parijs. Morgenavond

wordt meneer terugverwacht.”

„’t Is niets erg,” zeide van Vleuten, en toen opeens een inval

krijgende: „Zeg eens, is meneer Wiechen vroeger militair geweest?”

„Zeker meneer. Onderofficier geweest en gepensioneerd. Ik haal iedere

maand het pensioen.”

„Maar hoe kan dat?” vroeg van Vleuten. „Zoo oud is hij toch nog niet.”

„Meneer is afgekeurd. Hij heeft wat gekregen in dienst.”

„O, dankje.”

Van Vleuten ging heen, nu geheel overtuigd van den onzin van het

praatje. Iets gekregen, gewond waarschijnlijk. Dat verklaarde alles. Nu

zou hij het Betsy eerst recht zeggen.

Betsy kon er geen woord tusschen krijgen, en deed daar ook niet veel

moeite voor. Zoodat van Vleuten gauw uitgepraat was, en van het

onderwerp afstappende, haar den brief der levensverzekeringmaatschappij

liet zien. Dat was belangrijker, en beiden verheugden zich erin,

afsprekende dat hij er den volgenden ochtend dadelijk heen zou gaan.

De onderhandelingen met de Maatschappij waren vlot van stapel geloopen.

Van Vleuten kwam thuis met zijn aanstelling tot hoofdinspecteur in de

provincie Zuid-Holland. Een eigenlijk gezegde betrekking, zooals hij

die vroeger in Indië had gehad, mocht het niet heeten. Hij had het

recht de geheele provincie te bereizen en agenten op te zweepen. Zijn

reiskosten werden hem vergoed, en voor salaris kreeg hij een klein

percentage over het totaal der in zijn provincie afgesloten posten. Om

zijn ijver niet te doen verflauwen, dreigde hem steeds ontslag, als de

provincie over een tijdvak van drie maanden beneden een bepaald bedrag

aan verzekeringen bleef. Onder hem stonden plaatselijke inspecteurs,

adjunct-inspecteurs en agenten. Ook de eerste twee categoriën moesten

op straffe van ontslag zorgen voor een locaal minimum. Alleen de

agenten waren daarvan vrijgesteld.

Van Vleuten, de zaak aanvattende met toewijding en ijver, bespeurde

weldra, dat dit systeem weliswaar groot gemak voor de directie

opleverde, maar anderzijds demoraliseerend werkte.

Een ieder die een minimum moest halen, zorgde allereerst dáárvoor, en

rustte het overige van den tijd op zijn lauweren. Jazelfs werd de

afsluiting van posten dikwerf vertraagd, zoodra het minimum bereikt

was, om de volgende drie maanden goed te doen inzetten. Hierdoor

ontstond soms strijd van belangen tusschen het inspecteerend personeel,

dat uitstellen wilde, en de agenten, die hun provisie gaarne spoedig

binnenhaalden. Deze werden dan gesust doordien een inspecteur,

zelfstandig een post af kunnende sluiten, waardoor de agenten-provisie

bespaard zou worden, die toch bij een agent onderbracht. Deze laatste

manoeuvre diende ten slotte ook, om die agenten-provisie niet aan de

maatschappij te schenken, maar tusschen agent en inspecteur te kunnen

deelen. Dit deelen was zoo iets gewoons, dat destijds de

generaal-inspecteur het aan van Vleuten, als behoorende tot zijn

verdiensten, had opgesomd. Ja, hem eens een aanvrage persoonlijk

terugbracht, hem radende die door een agent te laten teekenenen, en,

zoo hij scrupules had de provisie te deelen, die liever geheel aan den

agent te laten, omdat hij anders van systematische tegenwerking door

het mindere personeel zeker kon zijn.

Hij toomde dus zijn ijver wat in, en schikte zich in het bestaande,

alleen dan zich buitengewoon inspannende, als hij vreesde dat anders

een post aan een concurrente Maatschappij zou toevallen.

Na eenigen tijd kon hij het, zoowel met de directie, als met het onder

hem werkend personeel, goed vinden, terwijl ook Betsy over hem tevreden

was. Immers nu de eerste tijd van overijver voorbij was, gedurende

welken van Vleuten dikwijls eerst laat in den avond thuiskwam, ja

enkele malen elders den nacht overbleef, kon zij tegenwoordig, zelfs al

ging hij uit de stad, tegen etenstijd vast op zijn thuiskomst rekenen.

Zij hadden dus de avonden voor zich, en Zondags den geheelen dag.

Precies zooals vroeger in Indië.

Op zekeren avond, zij zaten juist aan de thee, werd gebeld, en kwam de

meid binnen met de boodschap, dat daar meneer Wiechen was. Van Vleuten

stond op.

„Niet hier br...”, begon Betsy, zonder te kunnen voleinden, daar de

figuur van Wiechen, die de meid brutaal achterna geloopen was, in de

deuropening verscheen.

„Goedenavond mevrouw,” zeide hij binnenkomend.

Van Vleuten sneed hem met een vlugge beweging den weg af.

„U is verkeerd, meneer Wiechen,” zeide hij; „dit is de huiskamer. Wilt

u maar volgen?”

En hij boegseerde den ander de deur uit, naar zijn kabinetje.

„Neemt u plaats. Waarmee kan ik u dienen?”

„Ik heb gehoord, dat u in de levensverzekering is. Ik had een post,”

zeide Wiechen, zijn portefeuille te voorschijn halend. „Twaalf mille.”

„In orde,” zeide van Vleuten, de hem toegereikte aanvraag doorloopend.

„Ik zal u kennis doen geven wanneer de keuring kan plaatshebben.”

„Ja maar,” zeide Wiechen, de leuning van een stoel vattende en die naar

zich toetrekkend; „ik zou graag willen hebben, dat dokter Arnolds de

keuring deed. Weet u, de man is wat zenuwachtig uitgevallen, en houdt

niet van jonge dokters.”

„’t Is mij hetzelfde,” zeide van Vleuten.

„En dan,” vervolgde Wiechen, „wilde ik u voorstellen de provisie te

deelen.”

„Mijn provisie?” vroeg van Vleuten.

„Ja, ziet u, ik breng de post aan, en ben natuurlijk vrij om die

onderdak te brengen waar ik wil. Dus wil ik er wel iets op verdienen.”

„Of u gelijk hebt,” antwoordde van Vleuten, die even nagedacht had.

„Jawel, ik begrijp u. Hm, ook daartegen bestaat geen bezwaar. Dus we

deelen mijn provisie. Wat verder?”

„Dat is alles. Ik laat u de aanvraag, en hoor morgen zeker wel van de

keuring?”

„Afgesproken.”

Hij liet Wiechen zelf uit, en keerde toen terug naar de huiskamer, een

ondeugend trekje op het gelaat.

„Wat een brutale vent, Jan!” riep Betsy uit, toen hij binnenkwam.

„Dat gaat vrijwel,” antwoordde hij. „Maar ik heb hem aardig te pakken.”

„Hoezoo?”

„Hij vroeg de helft van mijn provisie, voor een polis van twaalfduizend

gulden. Nu, die heb ik er voor over, om zijn gezicht eens te zien! Ik

krijg een half, dus hij een kwart percent. Hij is natuurlijk in de war

met de agenten-provisie, die ’n heel percent bedraagt. Met zoo’n groote

post kan het me bovendien weinig schelen, daar ik nu op drie duizend

gulden na mijn minimum al heb.”

„Ajakkes, Jan, ik begrijp er niets van. Die minoeman brengt je het

hoofd op hol.”

„Dat is meer gebeurd,” lachte hij. „Ik krijg ergens trek in.”

„In een grocje, denk ik.”

„Dat ook. En om de kachel te laten aanmaken. ’t Is misschien door dat

vele buitenshuis zijn, dat ik me nu kil voel.”

„Kijk eens hier,” zeide Betsy, onder aan de kachel een klepje

openmakend, „al drie dagen ligt dat klaar, enkel om aangestoken te

worden.”

Hij schoof zijn stoel wat vooruit, als voelde hij de warmte reeds,

terwijl zij bukkend een lucifer bij de opening hield. Een geel

vlammetje flikkerde even, doch ging dadelijk weer uit, terwijl rook in

het klepje trok.

„Mis!” zeide zij, zich nu geheel op den grond latende glijden. „Toe

Jan, doe eens even de sleutel daarachter dicht.”

Hij voldeed aan haar wensch.

„Ha! Open weer nu! Ziezoo, kijk eens!”

En met kinderlijk plezier bleven zij een poos in dezelfde houding

toekijken, tot hij, afgeleid door het zien van een weerbarstig

krulletje in haar nek, daar zacht aan trok, en zij haastig opsprong.

„Dat hebben we in lang niet gezien, hè? Maar ga nu eens netjes zitten,”

zeide zij. „Ik heb je wat te vertellen.”

Toen hij zat, en zij, om de kachel niet uit het oog te verliezen, op

zijn schoot, begon zij, kleine rimpeltjes trekkend op haar voorhoofd.

„Ik heb me verschrikkelijk in iemand vergist.”

„Jammer voor die „iemand”. En wie is de ongelukkige?”

„Maak nu eens geen gekheid, Jan! Anders word ik heusch boos. Marie van

Groningen is bezig te verhuizen naar Duinoord.”

„Nu, dat is zoo erg niet,” vond hij. „’t Is wel wat uit de buurt, maar

met de fiets scheelt het haast niets, doordat de straten daar niet zoo

druk zijn.”

„Denk je, dat ik haar nog ooit ga opzoeken?” vroeg zij verontwaardigd.

„Luister. Ze gaat samenwonen met dien Wiechen.”

„Hè!” riep van Vleuten uit. „En de vent heeft vrouw en kinderen.”

„Die blijven waar ze zijn. Hij heeft zich door zijn dokter laten

voorschrijven, dat hij op zandgrond wonen moest, of slapen althans.

Begrijp je? Dien dokter moet je in de gaten houden! En nu zal zij hem

zoogenaamd een suite beneden verhuren. En haar slaapkamer is in den

uitbouw. Kom maar binnen, vrij entrée, tjies!”

„Hoe komt die vrouw daar in godsnaam toe?”

„Ik weet het niet. Toen ze ’t mij vertelde, heb ik haar eens flink

gezegd wat ik er van dacht, en ben weggegaan zonder verder naar haar te

luisteren.”

Wat Betsy haar man mededeelde, was inderdaad zoo. Marie van Groningen

had haar huis opgezegd, en in een stil hoekje van Duinoord een ander

gehuurd, waarin Wiechen, naar het heette voor zijn gezondheid, kamers

had betrokken.

Door Ella aan te halen en een paar maal mee te nemen op een

fietstochtje, had zij den eersten stap gedaan op dien weg. Zoodra

Wiechen daarvan gehoord had, wist hij te bewerken, dat hij op zekeren

dag haar en zijn dochtertje tegenkwam, buiten de stad. Het was

moeielijk voor Marie hem zijn verzoek te weigeren, om zich bij hen te

mogen aansluiten. En daar hij zich bescheiden gedroeg, en zoodra men de

stad weer bereikt had, onder voorgeven een boodschap te moeten doen,

een andere straat insloeg, was er geen enkele reden om hem hetzelfde

bij een volgende gelegenheid niet weder toe te staan. Zich excuseerende

met drukke bezigheden, maakte hij in den beginne van het aldus bereikte

slechts zeer zelden gebruik, doch allengs sloot hij zich vaker aan,

hoewel hij steeds vermeed in de stad bij haar te blijven.

Eens was Ella niet gaan rijden, en waren zij alleen. Handig wist hij

het gesprek op zichzelf te brengen, en klaagde over de onhebbelijkheid

der menschen, die wel van hem wilden profiteeren, maar hun dankbaarheid

toonden door hem voor te stellen als le dernier des hommes. Soms scheen

het een soort sport om op hem af te geven. En, zooals dat meestal ging,

zij die het meeste kwaad van hem spraken, waren juist die menschen, die

hij in de meest benarde omstandigheden geholpen had. Weliswaar gelukte

het zelden den eersten zegsman uit te vinden, maar die enkele malen was

diens naam dan ook geregeld in zijn boeken op te slaan geweest. Als

wanbetaler natuurlijk. Maar hij wilde niet klagen. Dat diende tot

niets. Nog eenigen tijd, dan zouden de groote zaken die hij deed, zijn

afgewikkeld, en wilde hij den Haag verlaten, naar het buitenland gaan,

meenemende de eenige wier liefde en aanhankelijkheid tegen alles

bestand was gebleken, zijn dochtertje Ella.

Marie van Groningen was geroerd. Niet alleen die vreemde menschen gaven

hem verdriet, maar zij gevoelde, hoewel hij het met groote kieschheid

verzweeg, dat ook zijn huiselijk leven niet gelukkig moest zijn. En aan

den anderen kant bewonderde zij de wilskracht, waarmee hij dat alles

droeg en te boven kwam.

„Woont u al lang in den Haag?” vroeg zij, toen het gesprek staakte.

„Ruim veertien jaar,” zeide hij. „Ik kwam hier met... maar ik zal u

vervelen, met zooveel over mezelf te praten...”

„Volstrekt niet!” riep zij uit. „Ik hoor graag van levenservaringen,

die van de alledaagsche afwijken.”

„Ik kwam van het platteland. School had ik bijna niet gegaan. Eindelijk

was ik zoover, dat ik vast in dienst kwam bij een klein boertje.

Mestkruien was mijn eerste bezigheid, maar ook mijn laatste. Want daar

ik eigenlijk nooit genoeg gegeten had, was ik voor dat werk niet sterk

genoeg. Toen wist ik mijn vader over te halen, mij dienst te laten

nemen bij het militair. Dat was mijn opkomst. Al dadelijk begreep ik,

dat ik wat leeren moest; lezen, schrijven en rekenen in de eerste

plaats. Toen kwam ik vooruit, en bracht het eindelijk tot

onderofficier. Maar daarmee hield het op. Officier kon ik nooit

worden.”

„Waarom niet?”

„Daar was mijn opleiding te gebrekkig voor. Dat ging niet. Maar

daardoor verloor ik ook mijn lust om mijn tijd uit te dienen. Toen

verzon ik wat. Ik liet me op zekeren dag, het was tijdens de groote

manoeuvres, plotseling op de hei neerploffen. En daar lag ik, zonder te

kunnen opstaan. Men droeg mij weg, en ik ging naar het hospitaal. Men

had met mij te doen, want ik stond goed aangeschreven, en had met het

oog op mijn plan in den laatsten tijd hard dienst geklopt, en bij de

manoeuvres mij menigmaal onderscheiden. Ook in het hospitaal werd ik

beklaagd, en ikzelf klaagde het hardst, dat ik geen dienst kon doen,

enzoovoort. Maar loopen kon ik niet.”

„Inderdaad niet? Of...?”

„Dat begonnen zich eindelijk de dokters ook af te vragen. Ik dacht: zij

moeten het weten, daar hebben ze voor gestudeerd, ik niet. Zij hebben

er maanden over gedaan. Maar mijn respect voor gestudeerde lui was ik

kwijt. Verbeeld u. Ik kon niet loopen. Dat zat ’m toch in de beenen,

zou ik zeggen. Een gewoon mensch zou dan ook die beenen eens goed zijn

gaan onderzoeken, en ze gerepareerd hebben, als het kon. Niets van dat

alles. Men gaf mij heel weinig te eten; zóó zelfs, dat ik van den

honger schreeuwde. En waarachtig, veel was ik niet gewoon geweest!

Alleen in den tijd dat ik soldaat was, had ik voor het eerst van mijn

leven genoeg te eten gekregen.”

„Zij dachten zeker, dat u simuleerde.”

„Ja, latijn praatten ze ook. En eens maakten ze me ’s nachts wakker,

„brand!” schreeuwend. Maar toen was het al te laat. Ik begon in allen

ernst om hulp te roepen, maar kon me niet bewegen. Ja, als ze dat in de

eerste dagen gedaan hadden! Doch na al dien tijd was ik zóó gewend niet

te kunnen loopen, dat ik er niet aan dacht het onwillekeurig te gaan

doen. Inderdaad, pas toen men mij had gerust gesteld, en verzekerd dat

er geen brand was, herinnerde ik mij, dat ik in geval van nood wel had

kunnen opstaan.”

„Dus toch! En hoe liep dat af?”

„Wel, na maanden in het hospitaal te hebben gelegen, werd ik afgekeurd.

Men zei mij, dat ik naar huis kon gaan. Ik vroeg waar dat huis stond,

en wie mij zou verzorgen en te eten geven. Het eind was, dat ik

pensioen kreeg, en mijn vader me nu wel in huis wou nemen. Ik was nog

geen vierentwintig jaar oud, en had nu een dertig gulden in de maand

pensioen, levenslang. Daar kon men op beginnen.”

„En u kon dus weer loopen?”

„Als een kievit! Maar u begrijpt, dat ik in den eersten tijd wat

voorzichtig was. Ik wist niet in hoever men mij mijn pensioen nog zou

kunnen afnemen, als men bemerkte dat alles maar larie geweest was. Ik

liet nu zooveel mogelijk rondstrooien, dat ik onder behandeling was van

een gezond-bidder, en eindelijk vertrok ik naar den Haag, en zocht een

baantje. Ik vond iets, bij een voorschotbankje: quitantie-looper. En,

enfin, nu ben ik er bovenop.”

„Alleen door het loopen met quitanties?”

„Daar ben ik mee begonnen. Nu doen anderen het voor mij. Toch ben ik er

niet rouwig om, dat ik het zelf heb gedaan. Met dat te doen leert men

ineens het moeielijkste van het vak: geld innen. Als men dáár slag van

heeft, werkt men aangenaam, en spaart een hoop uit aan gerechtskosten.

Toch, aan procedeeren heb ik het land. Het schijnt voldoende om aan de

rechters te vertellen, dat ik in een zaak betrokken ben, om ze te doen

verliezen.”

„Dat is niet mogelijk!” riep Marie uit. „Daarvoor staat een rechter te

hoog. Mijn vader en mijn man waren het beiden...”

„Ik vraag u honderdmaal om excuus, mevrouw,” haastte hij zich in te

vallen. „Ik ken de heeren niet van zóó nabij. Maar ik weet één ding; ik

procedeer nooit meer. Nu is er voor mij een veel eenvoudiger weg... zal

u mij niet verklikken?”

„Wat zou ik daaraan hebben?”

„Welnu: Ik in zooveel mogelijk; en wat niet in der minne of met kleine

maatregelen is binnen te halen, laat ik rusten. Zelf betaal ik alleen

dringende dingen, laat me desnoods vervolgen, en tracht zooveel

mogelijk te rekken. Zóó liquideer ik, tot ik ongeveer precies zooveel

schuld heb, als voor mij oninbare posten. Mijn eigenlijk vermogen,—en

dat heb ik—gaat gaandeweg naar het buitenland. En ik volg, zoodra alles

zoover is. Dan laat ik door een goed vriend mijn faillissement

aanvragen, en den curator gebruik ik als goedkoop kassier. Tegen

vorderingen door hèm ingesteld, gelden geen motieven tegen mij

persoonlijk wegende, en.... na eenigen tijd wordt honderd percent

uitgekeerd, en laat ik mij, als ik er trek in heb, desnoods nog

rehabiliteeren. Dan moet iedereen zeggen: die Wiechen was toch een

eerlijke kerel!”

„Maar failliet gaan is een schande!”

„Och, er gaan tegenwoordig zóóveel groote heeren failliet, dat de

schande er lang af is. En als men niemand benadeelt, wat zou het dan?

Trouwens, als ik verdwijn, verdwijnt mijn naam tevens; ook daarop heb

ik gerekend, en een heerlijkheid gekocht: Hovendael. Ik mag me dus

noemen Wiechen van Hovendael, en zoodra ik in het buitenland ben, kort

ik mijn eigen naam tot één hoofdletter in, en schrijf me: G. J. W. van

Hovendael.”

„Dat klinkt niet kwaad!”

„Niet waar? Ik heb altijd iets gevoeld voor mooie namen; licht dat ik

er zelf een draag, als al die ellende achter den rug is.”

Eenigen tijd reden zij nu zwijgend voort.

„’k Heb een mooi huis besproken in Duinoord,” zeide hij eensklaps,

zonder bepaalde aanleiding.

„Dat is niet in het buitenland,” merkte zij lachend op.

„Het is een overgang. Mijn huisgezin betrekt een eigen huisje. Ik ga

zelf dáár wonen, met Ella, en zal zien iemand te vinden die voor de

huishouding zorgt. ’t Is om een jaar te doen.—We zijn intusschen al

vlak bij Wassenaar. Rijdt u door?”

„Ik wou wel naar de Deijl, en langs den straatweg terug.”

„Dan zal ik hier maar omkeeren.”

„Waarom toch? Rijd gerust mee, als u er plezier in heeft.”

Hij hield zich bescheiden, in haar belang aandringende, dat zij hem zou

laten gaan, tot zij door tegenspraak koppig geworden, hem de keus liet

tusschen bij haar blijven òf voorgoed met haar breken. Toen zwichtte

hij.

Nauwelijks zaten zij aan den Deijl, toen een rijtuig aankwam en

stilhield. Daaruit stapten de heer en mevrouw Slot. De laatste, haar

nicht ziende, wilde op haar toeijlen om haar te begroeten, doch werd

door haar echtgenoot tegengehouden, die een grimmigen blik wierp op

Wiechen. Deze lachte hem onbeschaamd in het gezicht, terwijl Marie van

Groningen met een gloeienden blos het hoofd afwendde.

„Hoe vreeselijk vervelend,” zeide zij, toen haar oom en tante een

plaats om den hoek van het gebouw hadden gevonden, en dus uit het

gezicht waren. „Enfin, ze hebben over mij niet te zeggen.”

„Neen,” zeide Wiechen. „Alleen betreur ik het de aanleiding te zijn

geweest tot thans niet te vermijden praatjes. Ik weet niet of u den

Haag kent, maar één ding is zeker: als uw familie zich slechts met één

enkel woord over dit geval uitlaat, en dat kan niet uitblijven, dan is

het binnen een week de heele stad rond. Wat dat betreft, geen dorp zoo

erg als den Haag.”

„Het kan me niet schelen,” zeide zij geërgerd.

„Mij wel. Voor u altijd. Ik had niet moeten toegeven, ezel die ik ben!

Wist ik nu maar iets... Ja! Waarom blijft u eigenlijk in den Haag?

Iemand zooals u, die èn pensioen èn fortuin bezit, kan zich toch

gemakkelijk ergens vestigen waar men zich niet zoo schrikkelijk met

elkaars doen en laten bemoeit.”

„Ik zie het al. Nu u zelf naar het buitenland trekt, wilt u iedereen

meenemen.”

„Niet iedereen. U... ja!”

Zij sloeg de oogen neer, in ’t onzekere nog wat hij bedoelde. Hij dit

ziende, achtte nu het oogenblik gekomen haar een voorstel te doen, waar

hij zich lang op voorbereid had.

„Het is alleen jammer,” ging hij voort, „dat ik niet reeds morgen aan

den dag weg kan. Natuurlijk zal ik alles doen om de zaak te

bespoedigen, doch een klein jaar is al de minste tijd voor het

opredderen der zaken. En intusschen wordt u dagelijks gekweld door uw

familie en goede kennissen. O, ik weet met hoeveel wellust al die brave

menschen u zullen komen kapittelen! En ik, die de schuldige ben, sta

machteloos u te helpen. Tenzij...”

Vragend zag zij hem aan.

„Ik ben een vijand van halve maatregelen,” hervatte hij. „Wat men niet

kan ontwijken, moet men trotseeren. Brutaal er tegen in! Willen zij

schandaal maken, doe het zelf; wees hen vóór, op een manier die hen

verstomd doet staan.—Belooft u mij niet boos te worden?”

„Waarom zou ik?”

„Zie eens. Mijn nieuwe huis is voor mij te groot. U betrekt de eerste

verdieping, en wat u verder noodig heeft, en neemt Ella bij u. Ik

behelp mij met een paar kamers; één voor de zaken, één voor slaapkamer.

Laat dan maar praten wie praten wil; men zal het u niet lastig daarmee

maken. Zoodra ik gereed ben, trekken we samen naar Parijs, en lachen ze

hier uit.—Neen, ik wil nog geen antwoord. U moet erover nadenken, en

desnoods afwachten of men u komt plagen.”

„Dank u, dat wacht ik niet af. Ik doe het.”

En zij stak haar hand uit, die hij greep en krachtig drukte.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 10 / 24 题