Van Vleuten had eindelijk wat gevonden. En, zooals hij verwacht had,
het was tot hem gekomen.
Op zekeren dag kreeg hij bezoek van iemand, het midden houdende
tusschen een heer en een commis-voyageur. Deze kwam om te trachten hem
een polis van levensverzekering aan te praten. Doch van Vleuten, hoewel
in die dingen veel goeds erkennende, vond niet dat zij voor iedereen
geschikt waren. Men kon de levensverzekering beschouwen als een
spaarpot, indien men een polis nam, die binnen een zeker aantal jaren
afliep. Of ook als een zorg voor na te laten betrekkingen, als de polis
met den dood des verzekerden afliep. Iemand nu, die vermogen bezit, had
èn dat sparen èn die zorg achter den rug. Voor hèm diende het tot
niets. Zeker, dat moest hij den bezoeker toegeven, men kon nog meer
sparen, doch daartoe had hij geen tusschenpersoon noodig, die aan zijn
sparen geld verdiende. Alleen voor dezulken, die in zichzelf noch de
kracht tot overleggen van hun overvloed bezitten, noch de kennis om het
overgelegde te beheeren en productief te maken, was een
levensverzekering een toevlucht. Dat men voor het gemis aan die kracht
en kennis betaalde, was eveneens niet meer dan billijk. Ook het
verdeelen van risico van sterven, eer men tot het einddoel van zijn
sparen gekomen was, over een groot aantal verzekerden, vond hij iets
goeds. Maar, zooals gezegd, wie geen zoodanig risico meer liep,
behoefde zich niet om te zien naar andere schouders om hem dat te
helpen dragen.
De bezoeker trachtte geen enkel dezer argumenten te weerleggen. Van
tegenspraak komt tegenstand, had zijn ervaring hem geleerd. Hij zocht
naar de kwetsbare plek. Al pratende, bespeurde hij, dat van Vleuten een
niet geringe kennis bezat van het verzekeringwezen, en kreeg de
oplossing van dit raadsel, toen deze hem mededeelde, dat zijn vroegere
firma in Indië ook in dat vak werkte. Als bijzaak wel, maar toch reeds
in richtingen hier te lande nog onbekend. Dat gaf lucht.
„Ik ben bij u komen spreken,” zeide hij, „en gaf enkel mijn kaartje,
waarop mijn vroegere hoedanigheid vermeld stond: genie-officier. Dat
was om toegang te krijgen, die veelal aan iemand van een
levensverzekeringmaatschappij wordt geweigerd. Overigens verzuimde ik u
te zeggen, welke positie ik bij de maatschappij bekleed. Die is:
generaal-inspecteur.”
„Dat is een promotie,” riep van Vleuten uit. „Van luitenant tot
generaal!”
„Och,” zeide de ander glimlachend, „de maatschappijen moeten voor hun
uitgebreid personeel wel namen verzinnen. Maar de zaak is, dat ik door
het geheele land reis, en onze agenturen, inspecties, enzoovoort,
contrôleer. Een enkele maal, als een agent of zoo iemand de zaak niet
aandurft, of bang is geen toegang te verkrijgen, ga ik er op uit, om
een post zelf af te sluiten.”
„Dank u voor de onderscheiding,” zei van Vleuten buigende.
„Die volkomen verdiend is, naar ik bemerk. Neen, ik wil geen flauw
compliment maken! U is in het werk teveel thuis, dan dat ik mijn bezoek
nu enkel zou uitstrekken tot een poging u te verzekeren. Heeft u geen
lust voor de Maatschappij werkzaam te zijn?”
„Inderdaad zou eenig werk mij niet onwelkom zijn. Ik heb genoeg van het
luieren.”
„Dan geloof ik iets te weten voor u. En voor ons. Daar maak ik geen
geheim van. Ziet u eens, Zuid-Holland is op het oogenblik als
hoofdinspectie vacant. Het is gemakkelijk werk, althans voor iemand als
u. De agenten jagen het veld af. Als ze hulp noodig hebben, wenden zij
zich tot u. U van uw kant spoort hen aan, door geregelde bezoeken.”
„Zoodat ik als het ware voor hun ijver insta?”
„Geen quaestie van. Alles werkt op percentage. De agent krijgt zijn
tantième, als hij een post afsluit. Doet hij dat met den
hoofdinspecteur, dan is de gewoonte, dat hij met dezen deelt. De
hoofdinspecteur krijgt, al werkt hij met geen enkele post direct mee,
toch over de geheele provincie een tantième. Hij heeft bovendien een
vast, hoewel klein salaris en reiskosten. Daartegenover heeft hij de
verplichting te zorgen, dat zijn provincie een minimum opbrengt.”
„Ik begin te begrijpen,” zeide van Vleuten. „Enfin, als het een
quaestie van werken is, dat kan ik! Het resultaat van goed werken zal
wel steeds succes zijn. Dus, ik heb wel ooren naar uw voorstel.”
„Ik zal het aan de directie voordragen. Alleen.... de directie ziet
graag, dat de beambten bij de maatschappij verzekerd zijn.”
„Of zij gelijk heeft,” zeide van Vleuten. „Goed voorbeeld doet goed
volgen!”
„Dus als u begon....”
„Pardon, de directie moet beginnen. Zoodra ik de mij door u
voorgestelde positie bekleed, sluit ik een verzekering. Die ik dan door
een agent laat afsluiten, met medewerking van mezelf. Dat is de helft
van de provisie èn het tantième, niet waar?”
„Bravo! Zulke menschen moeten we hebben. Ik maak mij sterk voor u,”
riep de generaal-inspecteur uit.
Van Vleuten geleidde zijn bezoeker naar de voordeur en liet hem uit.
Toen ging hij Betsy opzoeken, om haar het nieuwtje mede te deelen.
Maar zoo gauw kon hij het niet kwijt. Mevrouw was uitgegaan, met de
fiets, werd hem door de meid verteld. Ja, dat was de nieuwigheid,
zooals altijd, vond hij, hopende dat die er spoedig af mocht zijn.
Een fiets was wel een practisch ding, vond hij, zoolang men ze voor
practische doeleinden gebruikte. Om zich gemakkelijk te verplaatsen,
zooals hijzelf deed. Moest hij ergens in de stad zijn, de fiets bracht
hem er in no time. terwijl een toertje nu en dan met Betsy, ter
ontspanning, een aangename afwisseling was. Doch evenmin als men elken
dag ging toeren, al had men eigen rijtuig, was het prettig elken dag op
dat ding te stappen, en er liefst eeuwig en altijd mee naar
Scheveningen of naar den Deijl te rijden. Vooral wanneer men, zooals
Betsy, afstapte zoodra er maar eenige drukte van rijtuigen of wagens
kwam. Trouwens, in het begin had zij zich ook beperkt tot toertjes met
hem, doch sedert Marie van Groningen ook was gaan fietsen, was zij
uithuizig geworden. Dat was nu weer het nadeel van het ding.
Niet het eenige evenwel, zooals Betsy en Marie op hun tochtje zagen.
Van den straatweg afgeweken, met het doel langs een der zijwegen op den
Wassenaarschen weg te komen, en zoo naar huis terug te keeren, stootten
zij op een jong meisje, verschrikkelijk verhit naast den weg in het
gras zittend, een fiets bij baar. De luchtpomp, die zij in haar handen
hield, wees voldoende de ramp aan.
„Gut, wat een mooi kind!” riep Betsy uit, toen zij het meisje naderden.
„Misschien kunnen we haar helpen,” opperde Marie, evenals haar vriendin
haar vaart matigende.
En beiden hielden op, informeerende naar het onheil. Het was een
spijker, doorgedrongen in den band, onder het rijden, en blijkbaar was
de band lek.
„Ik heb een reparatiedoosje bij mij,” zeide Marie; „maar ik weet niet
hoe er mee om te gaan.”
„O, dat is gemakkelijk,” verklaarde het meisje. „Mag ik eens zien?”
Zij nam het doosje aan, dat Marie uit haar zadeltasch had gehaald, en
knikte tevreden. Een platte sleutel uit haar eigen taschje nemende,
wipte zij den buitenband los, en bracht den binnenband te voorschijn.
„Maar ik houd de dames op,” zeide zij. „Als u mij zegt waar ik het
doosje mag terugbezorgen...”
„Volstrekt niet,” riep Betsy. „Ik wil graag eens zien hoe dat gebeurt.
En jij, Marie?”
Deze knikte instemmend, waarop het meisje met haar werk voortging.
Zoodra zij de beschadigde plaats gevonden had, maakte zij die met
schuurpapier schoon, zocht een stukje rubber uit in het doosje, en
besmeerde dit, zoowel als de wonde plek, met solution. Toen bleef zij
wachten, het pleistertje op den top van haar vinger houdend.
„Het moet bijna droog zijn,” zeide zij, inlichtend; „anders plakt het
niet direct.”
Toen het haar naar den zin scheen, legde zij het pleistertje op den
binnenband, er met de vlakke hand een fikschen klap op gevende, en
bestrooide toen de plek met een weinig poeder, dat zich in een
papiertje in het doosje bevond. Hierna werkte zij den band weer
naarbinnen, en bracht den buitenband in de velg terug, het laatste
stukje nahelpend met den sleutel. Bij het oppompen bleek de band lucht
te houden.
„Dat is vlug!” merkte Betsy op, die op haar horloge had gekeken, „nog
geen tien minuten. Waar kan men dat leeren?”
„Ik heb het van Frans geleerd.... dat is de bediende van papa, die
altijd voor de fietsen zorgt.”
„Zijn er dan zooveel fietsen bij u thuis?” vroeg Marie, nadat men weer
opgestegen was, en nu gezamenlijk verder reed.
„Drie,” antwoordde het meisje. „Die van papa, de mijne, en een
kantoorfiets.”
„O, heeft uw papa een kantoor?”
„Ja, papa is bankier.”
„Hoe heet u?” vroeg Betsy, onder een plotselinge ingeving.
„Ella Wiechen.”
„O jé!” De uitroep was van Marie, en haar onwillekeurig ontsnapt.
„Heeft u iets?” vroeg het meisje.
„Neen, ik.... ik....,” stotterde Marie kleurend. „Uw papa heeft eens
iets voor mij in orde gebracht,” verklaarde zij eindelijk.
Ella scheen zich over iets te beraden.
„Dan,” zeide zij aarzelend, „zal ik maar achterblijven, en straks in
het bosch een anderen weg nemen. Zult u het niet aan papa vertellen?”
„Wat? En waarom?”
„Papa wil volstrekt niet hebben, dat ik met iemand spreek, die bij hem
komt.”
„Nu,” zeide Betsy, invallend, „mevrouw noch ik zijn ooit bij hem
geweest, dus dat is geen bezwaar. U kunt toch niet altijd weten ook,
wie op het kantoor komt. Of werkt u bij uw papa?”
„Ik ga school,” zeide Ella, „op het gymnasium. Ik moet doktores
worden.”
„Zoo! En hoe ver is u al?”
„Ik ga na deze vacantie in de vierde klasse. Nog drie jaar, als ik
telkens overga, en dan ben ik student. Ik vind het zoo grappig.”
Het drietal had nu het bosch bereikt, waar men niet meer naast elkaar
kon blijven rijden, zoodat het gesprek stokte. Bij het Malieveld
scheidden zich hun wegen. Ella moest rechtuit, de stad in, terwijl de
weg der beide anderen het Kanaal langs leidde. Om afscheid te nemen,
was was men even afgestapt, en had Marie, onder wederzijdsche belofte
van geheimhouding, met Ella de afspraak gemaakt, dat deze haar, bij
goed weer, den volgenden dag zou komen afhalen voor een nieuw toertje.
„Dat kind interesseert mij,” zeide zij tot Betsy.
Deze trok de schouders op, zich echter stellig voornemende zoo min
mogelijk op de nieuwe kennismaking in te gaan.
Toen zij thuiskwam, vernam zij het groote nieuws met innige blijdschap.
Werk was voor Jan een levensbehoefte. Hij kon niet tegen nietsdoen op
den duur. En nu kreeg hij niet alleen werk, maar van een speciaal voor
hem geschikt soort, werk waarbij hij eigen initiatief kon laten gelden!
Weliswaar zou hij veel uit zijn, doch hieraan was zij gewend. In Indië
zag zij hem toch ook den heelen dag niet, als hij op zijn kantoor was.
Eigenlijk was dat ook beter. Een man moet niet den geheelen dag over de
vloer zijn.
En nu vertelde zij hem ook van hun verrassende ontmoeting, en van de in
haar oog onvoorzichtige afspraak van Marie van Groningen.
„Ik vond het dom van haar,” eindigde zij. „Ze is nu, feitelijk voor de
tweede maal, van dien man verlost, en gaat uit eigen beweging de
relatie weer aanknoopen. Ja, of het meisje het thuis al of niet
vertelt, doet er niets toe. In den Haag zijn zóó veel leegloopers, dat
er niets geheim blijft, en er meer praatjes worden gefabriekt, dan in
het kleinste Indische plaatsje.”
„Hoe oud is dat dochtertje van Wiechen?” vroeg hij ter afleiding.
„Dat weet ik niet. Ik schat haar op zestien jaar zoowat. Kassian!”
Van Vleuten moest onwillekeurig lachen.
„Waarom kassian?” vroeg hij. „Ik moet je toch eens vragen of jij je
rekenschap te geven weet, van dat geheimzinnige iets, dat dien Wiechen
schijnt te omringen? Op financieel gebied schijnt hij soliede. Iedereen
schijnt hem te zoeken, hetzij om plaatsing van geld, hetzij om te
leenen. Het eerste weegt natuurlijk het zwaarst. Maar nu is het gekke,
dat wie hem het meest zoeken, in den een of anderen zin, het meest
beangst tevens zijn de relatie te erkennen. Zie je, daar zou ik nu het
mijne wel eens van willen hebben.”
„En waarom ben je zelf bezig je relatie met hem te beëindigen? Waarom
heb je toen Marie van hem weggehaald? Je weet het best, huichelaar!”
„Lieve Betsy...”
„Ik ben je lieve Betsy niet, als je dien man voorspreekt! Dien
moordenaar!”
„Moordenaar?” herhaalde hij getroffen. „Toe, maak je nu eens niet
zenuwachtig, en vertel wat je weet.”
„Ik... weet niets,” zeide zij snikkend.
„Gévédé,” vloekte hij. „’t Is om razend te worden! ’n Haagsch bankier,
die de beste reputatie heeft, ’n ongeschokt crediet,.... en als je
iemand spreekt, is het altijd: pas op! Of men lacht geheimzinnig, wendt
zich af, kijkt den vrager suspect aan, en.... je eigen vrouw noemt hem
een moordenaar!—Wien heeft hij dan vermoord, en waarom zit hij niet in
de kast?”
Betsy gaf geen antwoord, en wanhopende iets meer uit haar te krijgen,
trachtte hij haar te bedaren; wat hem ten slotte gelukte. Hij durfde
echter niet meer op het onderwerp terugkomen, en besloot bij anderen
uit te vorschen, wat men dien Wiechen dan toch aanwreef, en inmiddels,
om den huiselijken vrede te bewaren, er met Betsy niet meer over te
praten.
En zoekende, wie hem het raadsel zou kunnen oplossen, schoot hem te
binnen, dat ook Boom zich indertijd aan het strand in dien
geheimzinnigen geest had uitgelaten, en hij hem steeds nog een antwoord
schuldig was op zijn voorstel omtrent de uitvinding. Dat was een idee!
Temeer daar hij, mocht er inderdaad met die uitvinding iets te doen
zijn, tengevolge van zijn sparen in de laatste maanden, het door den
ander gevraagde nu zou kunnen uitleggen, buiten Wiechen om.
Van Vleuten maakte zich den volgenden dag op, om zijn voornemen uit te
voeren. Juist toen hij de deur uitging, werd de post bezorgd. Een brief
voor hem, waarin hij werd uitgenoodigd om op het kantoor der
levensverzekeringmaatschappij te komen, ter bespreking van het hem
bekende voorstel van den generaal-inspecteur. Hij stak den brief in den
zak, best in zijn humeur. Misschien kwam het daardoor, dat hij
eenigszins zorgeloos was, toen hij met Boom onderhandelde. Althans toen
hij vertrok, had deze een kasaanwijzing van hem, voor tweeduizend
gulden, gewoon op goed vertrouwen, en zonder eenige zekerheid van den
kant van Boom. Doch hierover maakte hij zich niet ongerust. Immers,
zoodra de machine gereed zou zijn, kwam er heel wat meer kijken,
waarvoor eveneens geld noodig was, en Boom was een eerlijke vent. Had
hij zelf niet gezegd, dat hij de twee mille niet dadelijk noodig had,
maar pas in den loop der eerstvolgende drie, vier maanden? En dat hij
zoolang van het niet benoodigde rente zou verantwoorden, die hij wist
te maken door inkoop van geldswaardig papier? En zelfs het laatste zou
hij niet doen, dan na onderling overleg en met vermijding van alle
risico.
Het was eerst tegen het eind van zijn bezoek, dat van Vleuten zich de
uitlating zijner vrouw herinnerde.
„Vindt u,” vroeg hij listig „dien Wiechen zulk een ergen moordenaar?”
„Hm,” deed Boom. „Zooals men het nemen wil. Hij heeft zeker ’n dikke
tienduizend moorden gepleegd.... òf geen enkelen.”
Van Vleuten stond een oogenblik verstomd. Opeens meende hij licht te
zien.
„O,” riep hij uit. „Ik begrijp.... hij is militair geweest, en....”
Nu was het de beurt aan Boom om groote oogen op te zetten, doch hij
herstelde zich onmiddellijk.
„Juist,” zeide hij. „Hij is militair geweest.—Komt u soms even in
Central? Er is mij een kleine transactie voorgesteld, waarmee voor ons
wat te verdienen valt.”
„Kunt u mij die niet zóó mededeelen?”
„Eigenlijk wel,” antwoordde Boom. „Er moet grond worden overgedragen,
in het Westland. Het is een soort minnelijke onteigening. De
gevolmachtigde van den eigenaar heeft geld noodig, en wil dat aan zijn
principaal niet vragen, terwijl de notaris die de overdracht doet, het
òf niet heeft, òf niets wil voorschieten, ’t Is een quaestie van een
paar weken, tot het transport plaats heeft, waarbij de koopsom direct
wordt uitbetaald.”
„Zooals u het voorstelt, zie ik er geen bezwaar in,” zeide van Vleuten.
„Trouwens, ik heb te weinig locale kennis, om een oordeel te kunnen
vellen. Maar één ding valt me op. U schijnt de mogelijkheid toe te
laten, dat de notaris dat kleine bedrag,—immers minder dan twee
mille—niet zou hebben. Zou dat geen praatje zijn?”
„Ik geloof het niet. ’t Is notaris Vreeland Maarssen, die nog al wat
aan schijnt te kunnen.”
„Nu, ik laat het aan uw beleid over.”