HOOFDSTUK VIII.

In Café Central zaten drie personen aan een tafeltje. Een hunner was

Boom, wiens groote gestalte, zelfs zittend, aanmerkelijk boven die der

anderen uitstak.

De kleinste dezer was notaris Vreeland Maarssen. Het achterste gedeelte

van zijn schedel was kaal gelijk een damesknie. Toch toonde hetgeen van

zijn sterk gedund haar was overgebleven, geen hoogen leeftijd aan, daar

het donkerblond daarvan met nog geen enkelen zilverdraad was doorweven.

De snor, van gelijke kleur, was het eenige dat zich op zijn eenigszins

smal gelaat niet bewoog. Gestadig trokken de spieren van voorhoofd en

wangen, knipten de oogleden, beefden lippen en kin, spalkten zich de

neusgaten. Een lorgnet droeg hij blijkbaar nog niet lang, daar het op

zijn neus nog geen vaste plaats had gevonden, en telkens terecht moest

gezet worden. Zijn eerste glas sherry bracht hij met sterk trillende

hand aan den mond, en dronk het in één teug leeg, waarna hij dadelijk

een tweede bestelde, tevens de anderen aanmanende „eens om te slaan.”

Na het derde glas werd zijn hand vaster en zijn gelaat rustiger,

knipten nog alleen de oogen.

De ander droeg den stempel van een vroegen ouderdom. Zijn

oorspronkelijk zwart haar en knevel waren eer verkleurd dan vergrijsd,

zijn gelaat was flets zonder rimpels. Ook hij droeg een lorgnet,

zoodanig geplaatst dat hij er met het linker oog dóór, met het rechter

overheen keek. Zijn kleeding was slordig en slecht geborsteld; hoe het

er daaronder uitzag, kon men gissen, telkens als hij den arm uitstak om

zijn glas te grijpen. Dan schoof de manchet iets terug, en zag men de

voortzetting eener schoongewasschen hand in een vuile pols. Hij werd

door den notaris aangesproken met den in onze oudere letterkunde niet

onbekenden naam Loosjes, terwijl Boom hem Jaap noemde, soms met

toevoeging van „ouwe zwarte”, welk eerste naamwoord onder de gegeven

omstandigheden wel niet geheel, maar toch meer overeenkomstig de

werkelijkheid was dan het tweede. En soms, als Boom een bui van groote

gemoedelijkheid had, vereerde hij den ander bovendien nog met het

epitheton „leelijk” en noemde hem dan voluit: leelijke ouwe zwarte Jaap

Loosjes, of, als hij haast had, bij afkorting: ouwe dief.

Gemoedelijk was evenwel het gesprek ditmaal niet.

Boom had de wissels vóór zich liggen, die hij van Loosjes gekregen had

voor het geld van Van Vleuten, en die heden vervallen waren.

„Als het mijn eigen geld was,” zeide hij, „zou ik je graag van dienst

zijn, ouwe zwarte; dat weet je wel. Maar nu mag ik niet. Als ik den

protestdag laat verloopen, krijg ik het op mijn dak.”

„Maar wat wou je dan?” vroeg Loosjes.

„Geld natuurlijk.”

„Dat is er niet. Noch ik, noch de notaris kunnen dat op het oogenblik

fourneeren.”

„Nu,” meende Boom, de schouders ophalend, „dan moet het maar.”

Dikke zweetdroppelen parelden op Loosjes voorhoofd.

„Dan geef ik mij failliet,” zeide hij.

„Hm,” deed Boom. „Daar geloof ik niets van. Althans je maakt er mij

niet bang mee. Bovendien heb ik met jou niet rechtstrechts te maken,

maar met je principaal, baron van Horsel. Ik laat èn bij hem

protesteeren, èn vraag zijn faillissement aan. Dan zullen we eens zien

of er geen geld komt.”

„Dat is afpersing!” zeide notaris Maarssen.

„Pardon,” antwoordde Boom. „Dat is het niet. Ik heb in mijn goeden tijd

over dat punt wel eens advies ingewonnen bij mijn advocaat. Ik mag

iemand gerust zeggen langs welken wettigen weg ik tot mijn recht te

geraken denk. Hier Jaap heeft mij eens gedreigd me te laten gijzelen.

Geen oogenblik heb ik eraan gedacht hem daarvoor aan te klagen, maar

hem eenvoudig een glas jenever in zijn gezicht gegooid. Niet waar, ouwe

dief?”

„Dat alles heeft overigens niets met de zaak te maken,” hernam de

notaris. „De tijd verloopt, en ik wil maar weten of de heeren het eens

kunnen worden. Ik blijf er bij, dat ik mijn woord geef, zoodra de grond

verkocht is, meneer Boom te zullen uitbetalen waar hij recht op heeft,

maar iets teekenen doe ik niet. Ik ga nu heen, en hoor wel hoe besloten

is.”

De daad bij het woord voegende, stond hij op en ging, onderweg een

kellner aanroepende om te betalen.

„Hoe moet het nu?” vroeg Boom. „Die notaris van jou laat je in den

steek. Het is natuurlijk maar een praatje, dat hij erin betrokken is.”

„’t Is waarachtig waar,” verzekerde Loosjes. „Heb je mij ooit op een

leugen betrapt?—Dat wou ik ook al zeggen,” ging hij voort, toen de

ander ontkennend het hoofd schudde. „Hij heeft dat geld zelf gehad,

maar er mij voorgespannen, omdat hij zijn naam wou sparen. Zoo heel

gunstig staat hij niet bekend; trek maar eens een informatie op hem, en

je zult zien. Maar juist daarom wil hij ook nu niet teekenen, vooral

niet aan jou.”

„Waarom vooral niet aan mij?” stoof Boom op.

„Och, je gaat met zulke rare lui om, zie je. Zoo’n Wiechen,

bijvoorbeeld....”

„En je bent laatst zelf bij hem geweest om geld!”

„Dat is zoo,” gaf Loosjes toe. „Maar ik zit nooit samen met hem in een

koffiehuis.”

„Wat doet dat er toe?” riep Boom.

„Wel, maak je nu niet nijdig!—Kijk eens, zaken zijn zaken, en je kunt

van tevoren niet altijd weten of er een luchtje aan zit. En in zaken

kan je niet altijd je menschen uitzoeken. Vertoon je je echter in een

koffiehuis met iemand, dan word je gerekend tot zijn goede kennissen,

al is het ook niet waar, en scheert men je met zoo iemand over één

kam.”

„Je moet het maar weten,” zeide Boom schouderophalend. „Maar we dwalen

af. Je moet zorgen dat ik het geld krijg, of, verdomd, ik vraag je

faillissement aan en dat van dien baron.”

„Als ik ging, gingen er meer.”

„Die notaris ook?”

„Ja, en nog een stuk of vier anderen. En je kreeg niets. Wees nu

wijzer....”

„Neen. Maar ik wil je een voorstel doen. Geef me tweehonderd pop

contant, dan zal ik je een maand den tijd laten. Natuurlijk teeken je

nieuwe accepten.”

Loosjes nam zijn notitieboekje, en raadpleegde dat een poos. Toen

knikte hij tevreden.

„’t Is goed,” zeide hij toen. „Heb je zegels?”

„Jawel,” antwoordde Boom; „ik heb er op gerekend. Hier heb je ze. Vul

zelf in.”

Loosjes zette zich aan het werk.

„Hoe nu?” vroeg Boom, het eerste nieuwe accept naziende. „Je hebt den

ouden datum erop gezet.”

„Dat weet ik wel. Ik kan je geen nieuwe geven op vandaag.”

„Dan is je volmacht ingetrokken.”

De ander bromde wat, en schreef verder. Toen hij gereed was, nam hij

twee bankjes van honderd gulden uit zijn portefeuille, en overhandigde

die aan Boom.

„Dat is dus afgedaan,” zeide hij. „En doe me nu plezier, en loop niet

met die dingen te koop. De vorige heb je op drie verschillende plaatsen

ter disconteering aangeboden. Dat leuren met iemands handteekening is

het stomste wat je doen kunt. Je laat merken, dat je zelf geen geld

hebt, en je bederft er het crediet van een ander mee. Dat is de eenige

reden waarom notaris Maarssen hierin ons niet terwille heeft willen

zijn.”

Boom kreeg een kleur, maar zeide niets. Hij stond op en ging heen.

Notaris Maarssen was intusschen de Spuistraat ingewandeld, zich heel

langzaam voortbewegende, nu en dan een groet wisselend met een kennis,

of den hoed lichtende, toen hij plotseling bleef stilstaan, even een

paar jonge meisjes naoogde, en zich omwendend, die naliep.

Zijn min of meer stramme beenen hadden werk de half dravende jeugd bij

te houden. Te oordeelen naar hun druk gepraat en kijken naar alle

voorbijgangers, zag hij in hen aankomende „scharreltjes”, en was het

vooral de langste der twee, wier fijnbesneden donker gezichtje hem in

het voorbijkomen had getroffen, en ook nu zijn bijzondere aandacht en

begeerte trok. Wat hem in haar opviel, toen hij zoo achterna sukkelde,

was vooral het feit dat zij kon loopen, een kunst die weinig vrouwen of

meisjes verstaan.

Het slanke lichaam, blijkbaar door geen balein of staal tot

onbeweeglijkheid geperst, bewoog zich onder den gang in harmonische

samenwerking van alle spieren; het evenwicht werd zuiver overgebracht

van den eenen voet op den anderen, zich ongedwongen, rustig en vlak

neerzettend op het plaveisel. De edele voornaamheid der natuur drukte

zich in den gang van het meisje zoodanig uit, dat Maarssen een

oogenblik aarzelde, zich afvragend of dat figuurtje soms thuishoorde in

een anderen stand dan waarin hij haar het eerst gerangschikt had. Doch

een blik op de eenvoudige, niet modieuse kleeding, en op het uiterlijk

der vriendin, stelde hem te dien opzichte gerust.

Hij had gehoopt, dat de meisjes zouden zijn omgekeerd, om hen bij het

tegenkomen aan te spreken, doch zij liepen door, de Poten in. Als ze nu

maar naar het Bosch gingen, dan kon het goed worden.... En werkelijk,

zij kwamen in de goede richting, door het Plein op te loopen. Maar hier

bleven zij staan, namen haastig afscheid, en terwijl het eene meisje

schuin het Plein overstak, liep de door Maarssen uitverkorene op een

gereedstaande tram naar Duinoord af, en stapte op het vóórbalcon. De

notaris kon nog juist het achterbalcon bereiken, toen de tram wegreed.

Van de eerste halte maakte hij gebruik naar voren te gaan, en nu stond

hij naast Ella Wiechen. Haar luchtig aan te spreken, beginnende met een

banale opmerking, wilde hem ditmaal niet goed afgaan. Hij, de roué, die

in damesgezelschap nooit naar zijn woorden behoefde te zoeken, die

alles had doorgemaakt wat door te maken viel, en daarmee een soort

zekerheid had verkregen in de conversatie, steeds wetende hoever hij

kon gaan om piquant te blijven zonder tot vuilbekkerij over te slaan,

stond letterlijk met den mond vol tanden.

Toen begon hij haar nauwkeuriger op te nemen, en zag wat haar slankheid

hem tot nog toe, op een afstand, had verborgen gehouden, dat hij niet

te doen had met een dier meisjes in haar overgangstoestand tot vrouw,

wier nieuwsgierige halfwassenheid zoo gemakkelijk tot

onvoorzichtigheden is over te halen, maar met een jonge maagd, wier

reinheid eenerzijds en rijpheid anderzijds, haar superieur deden zijn

tegenover elken belager.

Hij wist niet hoe het gesprek te beginnen, wat toch de eenige reden van

zijn staan op deze tram was, toen de komst van den conducteur hem de

gezochte aanleiding gaf. Ella Wiechen bleek bij het naar de stad gaan

haar portemonnaie te hebben vergeten. Zonder iets te zeggen, betaalde

hij voor haar, na den conducteur een wenk te hebben gegeven; en toen

deze weer naar binnen was, bood hij haar het papiertje aan. Ella

kleurde even, maar herstelde zich dadelijk.

„U is zeer vriendelijk, meneer,” zeide zij. „Waar mag ik u het

terugbezorgen?”

„Het is de moeite niet waard,” antwoordde hij; „maar als u erop gesteld

is...”

„Timeo Danaos et dona ferentes,” mompelde zij halfluid, doch niet zoo

zacht of hij had het verstaan.

„Ton d’apomeibomenos ... maar een Griek ben ik niet,” zeide hij

lachend, doch verrast. „Ja, een jonge dame een latijnsch citaat te

hooren aanhalen, is zóó iets zeldzaams, dat ik nu graag een afspraakje

met u maken wil. Niet om het dubbeltje, maar om het latijn namelijk.

Komt u morgenmiddag in de stad?”

„Morgenmiddag niet,” zeide zij, „maar Zaterdagmiddag wel. Ik zou het

enkel wel zoo eenvoudig vinden, als u mij wou zeggen waar u woont, dan

laat ik het u aanreiken.”

„En ik mis mijn latijn,” schertste hij. „Dank u.”

„U moet het zelf weten”, zeide zij, de stangen van het balcon grijpende

en een weinig achterover leunende. „Zegt u het nu gauw, anders zal ik

het dubbeltje in het tramhuisje afgeven, en kunt u het daar krijgen.”

„Zoo maar? Voor ’n meneer, die om een dubbeltje komt?”

„O neen; ik zal er bij zeggen: voor notaris Vreeland Maarssen. Dag

meneer!”

„Hoe weet u...? Pas op! In godsnaam...!”

Ella had zich zoover achterover laten gaan, dat haar armen strak

stonden. Toen zette zij den linkervoet op de tree, en liet de

rechterhand los. Door die beweging zwaaide zij een halven slag om, en

alles loslatend, kwam zij op haar rechtervoet neer op den straat, zette

den linker vóór om te stutten, en stond stil, terwijl de tram op

veiligen afstand langs haar ging.

De notaris had haar willen grijpen, toen naspringen; doch hij bedacht

zich nog intijds, en zich om den hoek van den wagen buigend, zag hij

haar veilig en wel de straat oversteken, en aanbellen aan een der

huizen.

„Verduiveld,” bromde hij, „dat is een handig ding. Ik moet toch weten

wie zij is.”

Hij reed door tot aan de halte, en keerde toen terug, nadat hij zich

vergewist had, dat de tram naar de stad hem niet zou inhalen, eer hij

het huis bereikt had, waar hij het meisje had zien bellen.

„Wiechen, bankier,” las hij op het naambordje, en ijlings liep hij

door. „Zooiets moet weer precies mij gebeuren!”

Het was inderdaad of er een noodlot drukte op alles wat hij „buiten het

potje” deed. Vervloekt! Was het niet genoeg, dat die halve gare dokter

zijn eigen vrouw vergiftigd had, omdat hij wat met haar had geflirt? En

zooveel andere gevallen, die minder sensatie gemaakt hadden, maar toch

al evenmin prettig waren. En het ergste was, dat men de onschuldigste

dingen niet meer kon doen, zonder praatjes te hebben, zooals onlangs,

toen hij even een dame een notarieel advies over haar acte van

huwelijksche voorwaarden had gegeven in het opkamertje boven de Bodega.

’t Was beroerd, als men eenmaal den naam van laat opstaan had! Gelukkig

kwam de tram daar aan, die hij maar door nemen zou tot in de stad, om

nog een paar glazen sherry te drinken eer hij thuiskwam; want zijn

onderlip trok als die van een teleurgestelden reu, en zóó kon hij niet

thuis komen.

Moderne schelmen (Indië in Den Haag): Oorspronkelijke roman · 第 11 / 24 题