„Aux Mathurins!”
„Jawel, maar we gaan mee.”
Het portier van den fiacre loslatend, wendde zich Beenhuis om, en zag
bij het licht dat Maxim uitstraalde, de figuren van Arnolds en Wiechen.
Eén ondeelbaar oogenblik scheen hij zich te bezinnen.
„Stapt in, heeren,” zeide hij toen. „Onderweg praten we even.”
De pneu Michelet dempte het geratel der wielen, zoodat men ongehinderd
kon spreken.
„Hebt u de wissels bij u?” vroeg Beenhuis, en op bevestigend antwoord
van Wiechen, vervolgde hij: „Ze hadden vandaag moeten zijn aangeboden;
maar dat doet er niet toe.—Waar logeeren de heeren?”
„In ’Des’ Pays-Bas,” zeide Wiechen.
„Hm,” deed Beenhuis, even glimlachend om de zonderlinge aanduiding. „We
zullen de zaak morgen samen regelen. Laat eens zien.... tegen half één
wacht ik de heeren in den cour van Grand Hôtel. Ik moet daar iemand
spreken. We gaan dan eerst déjeuneeren.”
„Brengt u geld mee?” vroeg Wiechen.
„Ik denk wel. Maar we zijn dicht bij de Mathurins. De heeren nemen den
fiacre zeker verder door?”
„Het zal wel moeten. Maar hij zal iets moeten afdoen.—Kom nu, we hebben
precies een half uur den tijd. Hoever is het?”
„Niet ver. Maar we kunnen zachtjes aan opwandelen,” stelde Arnolds
voor.
Het déjeuner duurde lang. Beenhuis was van nature gul, en presenteerde
de anderen het beste dat men krijgen kon. Maar ook Wiechen, anders vrij
zuinig, had een royale bui, zoodat het vrij laat in den middag werd,
eer men van tafel opstond. En tusschen de bedrijven door, waren de
zaken behandeld. Een paar duizend francs had Wiechen in contanten
ontvangen; voor het overige waren nieuwe wissels geteekend, nadat het
totaalbedrag verhoogd was met de rente, in deze tien percent ’s maands.
„Zeg, Beenhuis,” vroeg Arnolds opeens, „waar dineer je vanmiddag?”
„Ik heb nog geen plan. Misschien thuis.”
„Kan je ons niet in je cercle meenemen?”
„Onmogelijk. De introductie is zeer beperkt geworden, omdat er misbruik
van gemaakt werd. In geen geval zou ik meer dan één kunnen meenemen.
Hé!”
Aanleiding tot dien uitroep was het binnenkomen in den restaurant van
een klein zwart mannetje, die zijn oogen zoekend liet rondgaan.
Beenhuis excuseerde zich, en liep op hem toe, waarna beiden in een
kort, doch blijkbaar ernstig gesprek gewikkeld bleven.
„Ik moet de heeren verlaten,” zeide Beenhuis terugkomend. „Het spijt
mij zeer, maar ik dien onmiddellijk naar Brussel te gaan. Hm,” deed
hij, zijn horloge raadplegend, „ik heb nauwelijks tijd om wat in te
pakken.”
Hij riep den bediende, om af te rekenen; doch Wiechen legde de hand op
zijn arm.
„Laat zitten,” zeide hij. „Ik zal het wel in orde maken.”
Toen Beenhuis vertrokken was, wreef zich Wiechen behagelijk in de
handen.
„Nu gauw opgekrast,” zeide hij. „Eerst naar het hôtel, en de rekening
betaald. Dan zijn we vrij.”
„Wou je vanavond al terug?” vroeg Arnolds, toen zij in het hôtel waren
aangekomen en Wiechen van den portier een zak met stukken in ontvangst
nam. „Wat heb je daar?”
Wiechen stak de stukken bij zich, zonder dadelijk te antwoorden. Opeens
vloog een uitdrukking van begrijpen over het smalle gezicht van
Arnolds.
„De protesten!” riep hij uit. „Dus heb je de oude wissels óók?”
„Sst!” deed Wiechen, den riem van zijn valies dichthalend.
„Al goed,” meende Arnolds, „maar nu reclameer ik ook mijn portie.”
„Zoodra we thuis zijn zal ik je wat geven. Je begrijpt dat wissels nog
geen geld zijn, en ik er nog best een strop aan kan hebben.”
„Hiermee niet. Maar dat is niet de quaestie. Er zijn morgen rennen te
Auteuil, en daar wou ik heengaan.”
Wiechen dacht even na. Hij vertrouwde Arnolds niet. Hem alleen achter
te laten, waar Beenhuis nog te Parijs was, in elk geval thuiskomende
van de protesten had kunnen hooren, achtte hij gevaarlijk.
„Laat ons morgen samen naar die rennen gaan,” besloot hij. „Ik wil
enkel uit dit hôtel weg.”
Den volgenden dag gingen Wiechen en Arnolds naar Auteuil.
„Zullen we wat spelen?” vroeg Wiechen.
„Natuurlijk,” zeide Arnolds. „Waarvoor zijn we anders hier?” En na het
programma te hebben doorgezien: „Geef me nu maar eens een honderd
francs, om mee te beginnen.”
„Neen, ik wil zelf zetten,” verklaarde Wiechen. „Waar doe je dat?”
„Ga maar mee.”
Bij den totalisator aangekomen, wees hij Wiechen de door hem
uitgezochte paarden aan: 1, 3 en 7.
„Zet op elk tien francs voor jezelf, en voor mij eveneens.”
Wiechen ging het hekje in, en afluisterend wat zijn voorman zeide,
legde hij zestig francs neer.
„Dix francs,” zeide hij aan het loket, en zich in de namen der cijfers
in het fransch vergissend: „Un, quatre, sept.”
Men begreep hem, gaf drie biljetten, en streek dertig francs op.
„Plus! Plus: un, quatre, sept,” zeide Wiechen, wijzende op het
resteerende geld.
„Encore des mêmes numéros?” vroeg de bureaulist, en op een bevestigend
knikje reikte hij Wiechen een tweede drietal papiertjes over.
„Hier,” zeide deze, drie der briefjes aan Arnolds gevende. „Geluk
ermee.”
Deze stak ze in zijn vestzak, en het tweetal beklom de tribune. Arnolds
wees nu Wiechen de paarden aan, waarop men gewed had, althans die welke
hij had opgegeven.
„Verloren!” riep Wiechen uit, toen geen dier drie was aangekomen. „Wat
doe je nu met die papiertjes?”
„Weggooien. Of neen, geef hier, ik wil ze bewaren.”
Wiechen had ze reeds saamgeknepen en gaf de prop aan Arnolds, die ze
voorzichtig weer gladstreek.
„Verduiveld!” ontsnapte hem, zoodat Wiechen opkeek en vroeg wat hij
had.
„Niets; ik ging in een splinter zitten. Dat prikte.—Zet je op de
volgende course?”
„Neen, dank je!”
„Dan ga ik even naar beneden.”
En weg was hij. Beneden liep hij haastig door de menschen heen, telkens
omkijkend of Wiechen soms volgde. Toen dit niet het geval bleek,
plaatste hij zich in de file vóór den totalisator, en presenteerde op
zijn beurt twee biljetten, waarop nummer 4 stond.
„Trente et trois la côte, cela fait six-cent-soixante francs,” zeide de
kassier, terwijl hij die som in goud en bankpapier uittelde.
Arnolds streek het geld op, en naar het buffet gaande, nam hij een glas
champagne.
„Wat een bof,” mompelde hij. „Dat kan natuurlijk ook alleen zoo’n
stomme uil overkomen!”
Snel dronk hij zijn glas leeg, en keerde naar Wiechen terug.
„Niets bijzonders in deze ren,” zeide hij. „Zullen we wat gaan
gebruiken?”
„Ik heb nergens trek in. Maar ga jij gerust je gang. Ik blijf wat
zitten kijken.”
„Geef me dan tenminste wat geld,” maande Arnolds.
„Hier,” zeide Wiechen, een vijffrank-stuk voor den dag halend. „Wees er
zuinig mee.”
Arnolds had zich bedwongen, en wilde zijn rol tot het eind toe
volhouden; maar dit werd hem haast te sterk. Hij was blij weg te komen.
Niet alleen gevoelde hij niet de minste spijt over zijn bedrog, maar
hij zon bovendien op wraak. Trouwens kon men het nauwelijks bedrog
noemen, en in elk geval was het misschien de eenige manier om althans
tot een deel van het hem rechtmatig toekomende te geraken. Wat had hij
eigenlijk van deze reis geprofiteerd? Wiechen scheen te denken, dat hij
het reizen op zichzelf aangenaam vond. In het algemeen wel, maar niet
zooals dat in gezelschap van Wiechen toeging. Tweede klasse spoor,
zooveelste rang hôtel, zuinig eten, en nergens kunnen komen waar
fatsoenlijke lui heengaan. Bah! En nog, zonder hem had Wiechen den
ander nooit gevonden en was nooit gekomen tot een vergelijk. Ja, hij
had zijn wissels kunnen doen protesteeren; doch wie Beenhuis kende,
wist dat hij zich daaraan allerminst stoorde. Hem was het een opeten
van zijns vaders erfdeel, immers een voorschot daarop, over de
verrekening waarvan men nader kon praten. Hij had indertijd twee mille
bedongen, en tweehonderd vijfenzeventig gulden ontvangen. Nu speelde
hij hem zóóveel in handen, weliswaar mede door Wiechens eigen sluwheid,
maar.... het was er toch! En daarvoor kreeg hij nu.... vijf francs, met
de aanbeveling zuinig te zijn! Wat een ploert!
„Oh—là—là!”
„Fifi! Hoe kom jij hier?” riep hij uit. „Waar is Piet?”
„In den Haag, zoover ik weet. Heb je geld?” vroeg het meisje dat hem
had aangesproken.
„Niet veel. Ik ben hier met Wiechen, en die houdt me kort. ’n
Vijfhonderd francs hoogstens.”
„Geef op, en kom op den pesage. Ik heb een vasten tuyau!”
„Werkelijk? Hier is het. Met wien ben je?”
„Een jockey, ’n vuilik. Maar hij weet genoeg. Kom je dus?”
„Dadelijk. Is het in deze course?”
„Ja, maar ik zeg niets. Tot straks.”
Arnolds nam een paar glazen champagne achter elkaar, on ging toen een
ticket halen voor den pesage, voor vijftig francs. Die zouden hun geld
wel opbrengen! Want Fifi, de maîtresse van Viehof, was een meid waar
men op aan kon. Dat was telkens dezelfde geschiedenis. Als Viehof aan
lager wal zat, maakte de meid ruzie, en ging van hem weg. Maar altijd
kwam zij terug, met een aardig sommetje. Dat stak Viehof dan op als
prix de consolation, en deed er op zijn manier zaken mee; soms in
weelde drijvende, dan weer in benarde omstandigheden gerakende. En
zoodra het laatste het geval was, ging de meid weg.... Zij had dan een
amant, soms onder de oogen van Viehof, die er zich niet aan scheen te
storen, maar kalm afwachtte tot zij weer bij hem kwam altijd met geld
en... fonkelnieuw ondergoed, háár passie.
Arnolds had haar dan ook met een gerust hart zijn geld toevertrouwd, en
dat het goed geplaatst was, ondervond hij een poosje later, toen hij op
den pesage kwam. Ja, het was eenvoudig een quaestie van te gaan halen!
„Je bent een prachtstuk, Fifi?” verklaarde hij, de bankjes
opstrijkende. „Ga je vanavond met me uit?”
„Neen,” weigerde zij. „Ik word Piet niet ontrouw.”
„En de jockey dan?”
„O, dat is wat anders. Dat is om de duiten.”
Arnolds snoof door den neus; die moraal amuseerde hem.
„Is er nog wat te verdienen?” vroeg hij.
„Neen, niets zekers. Ga jij nu Wiechen maar opzoeken, en houd je mond
dat je mij ontmoet hebt. Bonjour.”
Arnolds volgde den gegeven raad, en keerde terug naar de tribune, waar
Wiechen nog steeds op zijn plaats zat, broeiend over de verloren zestig
francs.
„Wij gaan vanavond naar Holland terug,” zei hij.
„Ik vind het goed,” antwoordde Arnolds. „Kom, je hebt nog niets
gebruikt. Tracteer eens op een glas champagne.”
„Goed,” zeide Wiechen, opstaande. „Maar je hebt toch nog over van die
vijf francs?”
„Jawel,” grinnikte Arnolds. „Ik wou er sigaretten voor koopen.”