Het was een drukke dag aan het strand te Scheveningen. Met moeite
hadden van Vleuten en Betsy een paar stoelen gekregen, waarin zij waren
neergestreken in die beginnende loomheid, die de zeelucht veroorzaakt
bij hen die er niet dagelijks in verblijven.
„Wat zijn we lui,” merkte Betsy op, een geeuw verbergend.
„Ja,” erkende hij. „En ik vooral. Dat nietsdoen, dat me eerst zoo
aangenaam leek, begint me hartelijk te vervelen. Maar hoe ik zoek, werk
schijnt hier moeielijk te vinden. Als we eens gingen reizen?”
„Reizen kost geld. En je weet wat je mij beloofd hebt, Jan.”
„Nu ja....,” begon hij, doch zweeg toen zij hem ernstig aankeek.
De belofte waarop zij zinspeelde, was gegeven enkele dagen nadat hij
zijn geld bij Wiechen gebracht had. Toen hij haar verteld had, hoe
prachtig hij dat had belegd, en zij nu royaal konden leven. Eerst was
zij met hem blij geweest, maar eens, toen zij Wiechen had gezien, had
haar een onverklaarbare angst bekropen. Zij had toen buiten haar man om
geinformeerd, en men had haar allerlei verschrikkelijks van dien
zoogenaamden bankier verteld. Hij was een woekeraar van de allerergste
soort, klein begonnen, met weekklantjes, die hij tien, twintig gulden
leende, en hem daarvoor elken Zaterdag één, twee gulden rente moesten
betalen. Langzamerhand was hij grooter zaken gaan doen, doch eigenlijk
gezegd fortuin kende men hem niet toe. Hij leende van den een, om het
tegen hooger rente aan den ander uit te leenen.
Van Vleuten had haar gesust. De werkkring van een bankier was nu
eenmaal zoo. Hij was de tusschenpersoon in den geldhandel. Zijn
verdiensten waren de belooning voor zijn werk. Weliswaar begreep hij
ook niet goed, hoe men in Holland zulk een enorme rente kon opbrengen,
maar dat het niets bijzonders was, bleek uit de relatie tusschen dien
Wiechen en Karsten & Co. Deze firma was toch een der eersten in den
Haag, die zich niet zou afgeven met iemand van twijfelachtig allooi.
Dit argument deed Betsy zwijgen, maar zij dacht aan de practijken, waar
zij in Indië wel eens van gehoord had. Hoe zelfs vrouwen van hooge
ambtenaren kleine bedragen uitleenden aan dos-à-dos koetsiers, aan
klontongs enzoovoort, óók tegen hooge rente, een dubbeltje per gulden,
’s ochtends gehaald, ’s avonds terug te betalen. Maar dat er dan op
gerekend werd, dat het kapitaal verloren was op den duur, immers ten
slotte de leener in gebreke bleef.
En toen had zij Jan de belofte afgedwongen, dat zij eenvoudig zouden
blijven leven, en van de maandelijksche rente een nieuw kapitaaltje
vormen, voor geval van nood. Hij had toegegeven, doch zich niet al te
veel willen bekrimpen, totdat zij met heen en weer praten besloten
hadden zeshonderd gulden per maand onaangeroerd te laten, en zoodanig
te beleggen, dat er van gevaar ze te verliezen geen sprake was.
Had dit zijn voordeel in het vooruitzicht van een toekomst zonder zorg,
nadeel was een zekere eentonigheid in hun leven, zoolang van Vleuten
geen bezigheden had.
„Gauw Jan, kijk eens!”
Hij volgde de richting van haar parasol, waarmee zij tusschen de
stoelen door wees, en zag Wiechen, naast een dame wandelend, in druk
gesprek.
„Wat zou dat?” vroeg hij. „O, nu begrijp ik je. Mevrouw van Groningen!
Hoe komen die twee bij elkaar?”
„Verschrikkelijk, Jan; je moet haar waarschuwen.”
„Voor wat?” vroeg hij.
„Ik weet het niet,” zeide zij droevig, terugleunend in haar stoel.
„Maar het is zoo.... zoo.... kassian.”
Hij tuurde het zich verwijderende paar na, en gevoelde wat Betsy noch
hij in woorden wisten weer te geven. Er was iets ongepasts in het
samenzijn van dat jonge gedistingueerde weeuwtje met dien man, iets
compromitteerends, dat hij in het oog scheen te willen doen vallen door
zijn houding en gebaren. En als dat zijn doel was, dan gelukte het
volkomen. Men zag, overal waar zij passeerden, de menschen opkijken,
soms elkaar iets vragend en fluisterend beantwoordend, dan weer door
blik of houding toonend wat zij er van dachten. Wiechen was blijkbaar
een bekende persoonlijkheid in den Haag.
„Ik wil eens probeeren haar hierheen te krijgen,” zeide hij opstaande.
„Doe dat, Jan; maar zonder hèm. Ik wil geen kennis met dien vent
maken.”
„Geen nood,” lachte hij, voortijlend.
Handig schoot hij tusschen de stoelen door, nu en dan springend over
vijvertjes en bergjes, door kinderhand gevormd, tot hij het langzaam
wandelend paar vóór was.... Toen wendde hij zich om, hen quasi
ongezocht tegemoet loopend. Wiechen zag hem, en hoewel met een dame
wandelend, groette hij het eerst. Van Vleuten lichtte even zijn hoed,
en bleef toen als verrast voor de jonge weduwe staan, die hem nu ook
herkende.
„Mevrouw,” zeide hij, „ik heb de opdracht u te ontvoeren, en direct bij
mijn vrouw te brengen. Meneer Wiechen, tot ziens.”
Het lukte. Eer Wiechen tijd had had zich te bezinnen, had mevrouw van
Groningen hem met een koele neiging zijn afscheid gegeven en was met
van Vleuten meegegaan. Wiechen zag, of meende te zien, hoe de gezichten
in zijn onmiddellijke omgeving spotachtig grijnsden. Woedend liep hij
weg.
„Om u de waarheid te zeggen, ben ik heel blij, dat u mij weghaalde,”
zeide de jonge weduwe. „Maar ik was alleen, en wist niet hoe dien man
kwijt te raken. Hij is mij, toen ik pas hier kwam, een oogenblik van
dienst geweest, op aanbeveling van een kennis.”
De beide dames begroetten elkaar hartelijk. Van Vleuten stond zijn
stoel af aan mevrouw Van Groningen, en verklaarde een eindje te willen
oploopen langs het strand.
Nauwelijks was hij uit de stoelenrijen, of iemand schoot op hem af. Het
was Boom, gekleed in een keurig grijs pakje, een Panama-hoed op het
hoofd.
„Dag meneer Van Vleuten. U heeft daareven een goed werk gedaan.”
„Hoe bedoelt u dat?” vroeg de aangesprokene eenigzins koel.
„Zag u niet hoe iedereen er pret in had? U heeft, wil ik hopen, de
reputatie van een fatsoenlijke dame gered. Men heeft nu begrepen, dat
zij er argeloos was ingevlogen. Maar anders... De vrouw, die zich in
het publiek met Wiechen zien laat, is reddeloos gecompromitteerd. Dat
is toch duidelijk.”
Van Vleuten keek den ander gespannen aan.
„Weet u dan niet wie Wiechen is?” vroeg Boom verwonderd. „En waarmee
hij zijn geld verdiend heeft?”
„Ik hoorde er zooiets van, juist een paar dagen geleden. Met geld
uitzetten tegen hooge rente. Maar dat schijnt hier niet zoo erg te
zijn.”
„Hm, ja. Neen, dat is het ook niet. Maar ik wil niemand benadeelen, al
heeft hij het ook niet aan mij verdiend. Als u wat langer hier in den
Haag is, zult u het vanzelf wel hooren, zonder dat juist ik het u zeg.”
„Ik dacht dat u een vriend van hem was?”
„Dat minder. Hij helpt mij uit eigenbelang, omdat hij zeker is een half
millioen aan mij te zullen verdienen.”
„Met die machine, waarover u laatst sprak?”
„Juist, meneer.”
En Boom begon te redeneeren over zijn uitvinding, met zooveel vuur en
overtuiging, dat van Vleuten onwillekeurig meegesleept werd. Als hij
dien man eens hielp! Hij scheen zeker van zijn zaak ...
„Heeft u veel noodig om er mee klaar te komen?” vroeg hij.
„Met tweeduizend gulden ben ik geheel geholpen,” verklaarde Boom.
„Daar is wel aankomen aan,” meende Van Vleuten. „Alleen, men zou
zekerheid moeten hebben. Niet dat ik aan uw kunde twijfel, doch.... u
is geen vakman, immers?”
„Vakman!” smaalde Boom. „Wanneer heeft ooit een vakman iets
uitgevonden? Die menschen zitten teveel in hetgeen zij geleerd hebben
en dagelijks doen vastgeroest, om op te letten. Weet u, hoe ik op het
denkbeeld van mijn machine gekomen ben?”
„Door een toeval misschien, zooals gewoonlijk.”
„Neen, door het zien van iets, wat we dagelijks zien. Vlak tegenover
ons huis was een weg, schuin oploopend naar den spoorwegdijk. Een
jongen reed er een handkar tegenop, met een koffer, dien alleen hij
niet had kunnen dragen. Hoe verklaart u dat?”
„Ik ben geen technicus, meneer Boom,” zeide van Vleuten. „Doch ik
herinner mij wel op school iets over hefboomen geleerd te hebben. Is uw
machine daarop gebaseerd?”
„Gedeeltelijk. Dáárop, op de slingerbeweging, en op de
aantrekkingskracht der aarde. En eindelijk op nog een kracht, die ik
niet noemen kan, maar die bestaat. Ik zeide u reeds, dat ik geen vakman
was; ik weet niet of anderen die kracht kennen. Alleen weet ik, dat zij
tot nog toe onbenut bleef, altijd in technischen zin. Want we zien haar
in alles voorkomen.”
„Dan zou het mij verwonderen, als de technici haar niet kenden, en, als
zij inderdaad zoo belangrijk is als u vermoedt ...”
„Meer dan vermoeden, meneer! Ik heb haar toegepast, zien werken. De
machine is vroeger reeds door mij gemaakt. Ik had in mijn tuin een
werkplaatsje voor mezelf, en daar had ik haar in stilte samengesteld.
Toen zij werkte, liep ik in mijn vreugde den tuin door, naar mijn
moeder, die in de verandah van ons huis zat, haar al van ver roepend om
te komen. Zij kwam, mede opgewonden, want zij wist waaraan ik bezig
was. Zij alleen. Toen we samen bij het tuinhuisje kwamen, lagen de
stukken en brokken van mijn machine in het rond verspreid. Ik begreep
er eerst niets van, maar gaandeweg zag ik mijn fout in. Mijn machine is
geen zoogenaamd perpetuum mobile, het is een krachtwerktuig, en ik had
verzuimd haar te belasten, werk te laten verrichten. Daardoor zamelde
de niet verbruikte kracht zich op in de machine, en sloeg zij zichzelf
aan stukken.”
„Verbazend!” riep van Vleuten uit. „En heeft u haar toen niet opnieuw
gemaakt?”
„De omstandigheden hebben mij dat belet,” antwoordde Boom. „U weet dat
ik failliet ben?”
„Neen...”
„Failliet, met ruim een millioen schuld!”
Boom zeide dit met iets als trots in zijn stem, wat van Vleuten
mishaagde. Zoo verhoovaardigt zich de inbreker erop, meer te hebben
gestolen dan tien zijner makkers te samen.
„Failliet,” ging Boom voort. „Ik was een en twintig jaar, en werd van
alle kanten bestolen en bedrogen. Sedert is mijn streven geweest
zooveel te verdienen, dat ik ieder het zijne kan teruggeven. De eenige
weg daartoe is, dat ik mijn machine maak. Niet primitief, zooals toen,
maar goed afgewerkt in model, zoodat ik haar vertoonen kan. Wiechen zou
mij daarin helpen; doch ik doorzie hem! Hij wil mijn constructie in
handen zien te krijgen en alleen de vruchten plukken. En dat nooit.
Daarom zeg ik: al zou het tien, twintig jaren duren, éénmaal zal ik
genoeg bijeen hebben om haar zelf af te maken. Maar er iemand van op de
hoogte te brengen, nooit!”
Het was verwonderlijk, dacht van Vleuten; men wist niet wat men aan
dien man had. In het eene oogenblik maakte hij een ongunstigen, dan
weer een gunstigen indruk.
„Mag ik eens een paar dagen nadenken, over hetgeen u mij gezegd heeft?”
vroeg hij. „Als u mij uw adres wilt geven, zal ik mijn besluit
persoonlijk komen meedeelen.”
Boom gaf hem een visitekaartje, na daarop met potlood het verlangde te
hebben geschreven, waarna van Vleuten, ziende dat zijn vrouw hem een
wenk gaf, zich excuseerde.
Gedurende zijn rondslenteren met Boom, hadden de dames elkaar hun
lotgevallen sedert hun ontmoeting te Soerabaja zitten te vertellen.
Inmiddels tot grootere intimiteit dan toen geraakt, hadden zij
afgesproken elkaar te bezoeken, en al dadelijk bij den naam te noemen.
Was Betsy’s levensloop zonder groote schokken voorbijgegaan, niet alzoo
die harer vriendin, Marie van Groningen. Kort na haar terugkomst in het
moederland, was zij bevallen, en gedurende den tijd dat zij in het
kraambed lag, was haar moeder gestorven. Haar vader was door dien slag
geknakt, en zou zich in het ambtelooze leven hebben teruggetrokken,
ware hem niet de onderscheiding eener benoeming tot Vice-President van
den Hoogen Raad ten deel gevallen. Hopende, dat een nieuwe omgeving,
een nieuwe werkkring hem de oude geestkracht zouden teruggeven, waren
zij naar den Haag verhuisd. Doch het nieuwe ambt had hij nimmer
aanvaard. Een week vóór zijn installatie was hij door een beroerte
getroffen en kort daarop overleden.
„Wat een treurigheid,” zeide Betsy geroerd.
Het was in dien tijd geweest, dat zij in aanraking was gekomen met den
„bankier”. De dokter die haar vader had behandeld, Arnolds heette hij,
had hem bij haar gebracht, ter regeling harer financieele belangen.
Maar op zekeren dag had oom Slot—Betsy herinnerde zich hem misschien
nog van Soerabaja—hem in de gang ontmoet, en haar gevraagd wie dat was.
Oom vroeg haar den volgenden dag om een stukje te teekenen, wat zij
deed, en vertelde haar toen, dat die man niet te vertrouwen was, en hij
zelf voor haar zou zorgen. Tot nu kort geleden hoorde noch zag zij iets
van dien man. Vóór een week of drie was zij hem op het strand
tegengekomen; hij had haar een paar maal gegroet, en eindelijk
aangesproken. Zeer bescheiden had hij aan het gebeurde herinnerd, zijn
spijt uitgesproken, dat hij niet voor haar belangen had mogen zorgen,
en gehoopt dat die in goede handen waren. Af en toe had hij haar geheel
belangeloos goeden raad gegeven. Zij meende hem verongelijkt te hebben,
en had in dien zin iets gezegd; doch hij wilde daar niets van weten,
beschouwde die zaak als afgedaan, als een streek van een of anderen
concurrent, die haar niet geweten mocht worden. Zoo ontmoette zij hem
bijna elken dag aan het strand; als zij haar kindje eens meenam,
speelde hij er haast opofferend mee. Maar gister was tante Slot bij
haar geweest, had haar onderhouden over het ongepaste van haar gedrag,
om zich zoo druk met hem te vertoonen, en had haar bovendien iets
vreeselijks verteld... Vandaag was het haar opgevallen hoe de menschen
haar hadden aangekeken, en zij begon dat vreeselijke te gelooven, dat
zij Betsy, na lang aarzelen, slechts durfde influisteren....
„Daarom was ik zoo blij, dat je man mij weghaalde,” besloot zij. „Maar
ik durf nu niet meer naar het strand te gaan, zonder oom en tante. En
die gaan zoo zelden!”
„Sluit je gerust bij ons aan,” zeide Betsy. „Ik zal hem wel afbijten.
O, je weet niet hoe snibbig ik kan zijn!—Kijk eens, mijn man heeft een
nieuwen kennis gemaakt. Zoo op het eerste gezicht, een net mensch.”
„Inderdaad,” beaamde Marie. „Hark hen eens hierheen.”
Betsy had toen de wenk gegeven, doch tot groote teleurstelling der
dames kwam van Vleuten alleen.
„Waarom liet je je nieuwen vriend schieten?” riep Betsy. „Marie wou zoo
graag zijn kennis maken.”
„Foei, ’t is niet waar!” zeide deze.
„Ik kan toch zoo maar niet iedereen bij je brengen,” opperde van
Vleuten. „Een vriend is trouwens wel wat veel gezegd. Ik zag hem heden
voor de tweede maal. De eerste keer was het in gezelschap van Wiechen.”
De gezichten betrokken. Het was merkwaardig, hoe de naam van dien man
alles en iedereen die met hem in aanraking kwam, bezoedelde.