„Binnen!”
„Morgen, Wiechen,” groette Arnolds met slepende stem, het kantoor
binnentredend. „Ik heb een zaakje voor je. Heb je geld?”
„Jawel, voor een goede zaak altijd.”
„Twintig mille voor zes weken. Er zit goed wat op.”
„Waarvoor is het? Voor de paardjes?”
„Hm, een fameuse coup. ’n Tuyau van beste soort.”
„Zoo. Wie moet het hebben, en wie teekenen mee?”
„David Beenhuis. Op zijn handteekening alleen moet je ’t geven. Maar
die is goed; daar sta ik voor in.”
„Ja,” zeide Wiechen, die een stuk papier en potlood genomen had. „Ga
voort. Waar woont hij?”
„Parijs. Vroeger in Amsterdam. Je kunt overal naar zijn vader
informeeren, waar hij van moet erven. Meermalen millionnair, en
stokoud.”
„Pas dood was beter. Maar enfin, ik zal informeeren. Wanneer moet het
er zijn?”
„Een dag of vier.”
„Nu, vanavond weet ik het. Kom je in Central?
„Ja, dat is goed. En.... ik moet twee mille hebben voor mijn moeite,
denk erom.”
„Dan moet hij voor vijf en twintig accepteeren.”
„Goed. Ik heb de blanco wissels bij me; je hebt maar in te vullen.”
„Dankje. Teekenen waar ik bij ben.”
„Onzin. Hij ontvangt zelf het geld. En ik ben Viehof niet, zou ik
denken.”
„Als hij zelf komt, is het goed,” antwoordde Wiechen, zonder op de
laatste woorden weerwerk te geven. „Zie eens of je Boom vinden kunt.”
„Dat is gemakkelijk genoeg. Tot twaalf uur in zijn bed. Ik zal hem bij
je sturen. Dag Wiechen.”
„Bonjour,” zeide Wiechen, op een electrisch schelknopje drukkend, voor
het uitlaten.
Toen hij de voordeur had hooren dichtvallen, belde hij nogmaals, waarop
de bediende binnenkwam.
„Is er iemand?”
„Deze meneer,” antwoordde de bediende, een stukje papier op tafel
leggend. „Hij was juist binnen toen u belde.”
„Goed,” zeide Wiechen, den naam lezende van van Vleuten. „Als ik bel,
kan je meneer binnenlaten.”
Hij ging naar het telefoon-toestel, en had reeds de hand aan de kruk,
toen hij zich plotseling bedacht, en terugkeerde naar zijn
schrijftafel, waar hij op de bel drukte. Toen van Vleuten binnenkwam,
was Wiechen bezig eenige papieren vóór hem terecht te leggen, alsof ze
bijeen hoorden, quasi druk.
„Aha!” deed Wiechen, die zich in zijn kantoorstoel had omgedraaid.
„Blij u te zien, meneer. Hoe vindt u dat ik hier zit?”
Hij was al sprekende opgestaan, en wees met de hand zijn kantoor rond.
„Ruim en gezellig,” zeide van Vleuten; „maar als die lessenaar en
brandkast er niet stonden, zou men niet denken op een kantoor te zijn.
Vooral die schilderijen....”
„Bekijkt u ze eens goed,” noodde Wiechen. En half fluisterend: „Ze zijn
van een barones!”
„Zoo?” zeide van Vleuten, onplezierig aangedaan, door het
parvenuachtige van den toon. „En nu onze zaken.”
„Alsublieft. Neemt u plaats.” En na de brandkast geopend te hebben,
haalde hij er een dikke enveloppe uit. „Voor meer dan twee ton
polissen!”
„Een heel bedrag,” vond van Vleuten. „Als ze wat lang geloopen hebben,
krijgen ze waarde, anders beteekenen ze niet veel. De zoogenaamde
contante waarde hangt af van de gestorte premieën.”
„Die worden geregeld door mij betaald.”
„Maar meneer.... de zaak gaat mij natuurlijk niet aan ... doch als u de
premie geregeld betaalt, houdt u er een soort levensverzekering op
eigen houtje op na. Dat is alles.”
„Als er maar één dood gaat, krijg ik meer kapitaal dan ik betaald heb.”
„Dat zou toevallig zoo kunnen wezen, maar regel is het niet. U, die man
van zaken is, zult begrijpen, dat de levensverzekeringmaatschappijen,
om winst te maken, meer aan premieën en rente daarvan moeten ontvangen
dan hun uitkeeringen bedragen. Dooreen genomen, betaalt dus het publiek
meer dan het ontvangt.”
„Nu,” zeide Wiechen, op den toon van iemand wiens lievelingsdenkbeeld
wordt afgekeurd; „nu, ik zou ze ongaarne afstaan. Maar kijkt u eens in
deze portefeuille.”
En hij bladerde in de wissels en accepten, die zich daarin bevonden,
zoodat van Vleuten de bedragen kon zien.
„Dat ziet er beter uit,” merkte deze op.
„Nietwaar? De eenige zorg is goede informatie te nemen omtrent de
personen die teekenen. Want u begrijpt, de acceptant is zelden goed.
Anders zou hij zulk duur geld niet nemen. De borgen, meneer, daar zit
het hem in!”
„Natuurlijk. En onder welk soort menschen zit uw geld voornamelijk?”
„Van allerlei. Het liefst heb ik menschen van naam en goede familie.
Die betalen om hun fatsoen op te houden. En moet ik ze al eens in
rechte vervolgen, dan maakt dat weer reclame, ziet u. Zoo heb ik laatst
een jonkheer failliet laten verklaren.”
„Een schadepost dus?”
„Och, wat zal ik u zeggen. Hij had het geld duur; tien percent. Ik had
het zelf tegen vijf percent moeten opnemen, om hem te helpen, maar
natuurlijk gauw terugbetaald. En nu had hij al ruim anderhalf jaar
rente betaald, dus was ik gedekt. Als het niet was geweest om de
familie plezier te doen, zou ik een streep door de post gehaald
hebben.”
„Een raar soort plezier! Of bedoelt u andersom?”
„Neen, werkelijk. Ik deed het op verzoek van een oom, die vond dat het
jongemensch teveel verkwistte, en die hem nu hiermee onder een streng
régime kreeg, terwijl hij tevens buiten staat was nog meer schulden te
maken. Puur om van dienst te zijn; want ik wist vooruit, dat ik
nauwelijks de kosten eruit zou krijgen. Ik zal u nu mijn boek eens
laten zien, omdat u behoort te weten wie ik ben, en met wie ik zaken
doe, als u mij uw geld toevertrouwt.”
Wiechen ontsloot een kastje in zijn bureau en haalde er een paar boeken
uit, die hij op tafel legde. En de bladzijden omslaande, toonde hij
zijn verbaasden bezoeker de namen zijner debiteuren, nu en dan met den
vinger erop wijzende, als het een naam gold uit den adelstand, waarvoor
hij blijkbaar groote voorliefde koesterde.
De stemming waarin van Vleuten door het waarschuwend woord zijner vrouw
was gebracht, veranderde geheel. Toen hij binnenkwam, had hij het
voornemen den „bankier” op beleefde wijze voor zijn aanbod te bedanken,
en er geen gebruik van te maken. Er was iets in die groote winst van
geleend geld, dat hem stuitte. Doch, en vooral nadat hij in het
crediteuren-boek ook gezien had, wie buiten de firma Karsten & Co. geld
bij Wiechen geplaatst hadden, en daaronder ook particulieren van goeden
naam, begon hij te redeneeren.
Als die allen het deden, en aan den anderen kant het nemen van geld
tegen hooge rente onder de fatsoenlijke lui zoo algemeen was, waarom
zou hij er zich buiten houden? Daarenboven, welk verschil was er
eigenlijk in gelegen, of men waren van de hand zette met hooge winst,
dan wel geld leende met nauwelijks zooveel winst? Waarom mocht men op
een artikel als dameshoeden, in één seizoen van drie maanden, wel twee
à driehonderd percent verdienen, en van geld in dienzelfden tijd geen
vijftien percent? Wat deed iemand die aandeelen nam in een of andere
onderneming, anders dan geld leenen aan zoo’n instelling, die
toch—getuige de tabaksindustrie in Deli—niet zelden zestig tot honderd
percent dividend uitkeerde?
„Ik zal mijn stukken morgen laten verkoopen, meneer Wiechen,” zeide hij
als slotsom van zijn overwegingen, „en breng het kapitaal bij u.”
„Dat verkoopen is onnoodig,” meende Wiechen. „Het zou u maar weer
provisie kosten aan Karsten & Co. Als u de effecten hier in deposito
wilt geven, zal ik ze tegen beursnoteering overnemen en in uw credit
boeken. Ik geef u dan een bewijs voor het bedrag, en, als u het
goedvindt, zullen we van weerszijden het met zes maanden opzegbaar
stellen. Hoeveel denkt u ongeveer dat het is?”
„Ik bracht bij Karsten & Co. rond vijftig mille. Maar dan kon ik u de
stukken wel dadelijk brengen; na de koffie.”
„Zooals u wilt. Tot straks dan. Dag meneer.... Wacht, ik zal u even
uitlaten.”
Toen van Vleuten vertrokken was, ging Wiechen een oogenblik voor den
spiegel staan. Op zijn voorhoofd vertoonde zich een roode vlek. Hij
bette die met water uit een fonteintje in den hoek van de kamer, en
eerst toen ze geheel verdwenen was, schelde hij.
„Juffrouw Bosch heeft twee kwartjes gebracht,” zeide de bediende, het
geld neerleggend. „Ze zou morgen nog twee kwartjes brengen. En dan is
meneer Boom in de wachtkamer.”
„Goed, laat binnen. En als juffrouw Bosch morgen niet komt, ga je er
heen, en zeg dat ik haar man laat gijzelen, als het zoo door gaat. Ze
moet geregeld elken maandag één vijftig brengen.—Dag Boom,” vervolgde
hij toen deze binnenkwam. „Ga zitten. We moeten eens ernstig spreken.
De zes maanden zijn straks om, en ik geloof dat je over mij niet te
klagen hebt, wel?”
„Ik krijg nog vijf gulden van de vorige week, toen je...”
„Al wel, ik zal ze je geven. Maar hoe staat het nu met de machine? Ik
betaal je geregeld elke week twintig gulden, zonder iets te zien,
eenvoudig op goed vertrouwen. Het wordt tijd, dat ik voor mijn geld
iets krijg.”
„En wou je dan voor die stomme twintig pop in de week, binnen zes
maanden een half millioen hebben?” riep Boom verontwaardigd uit.
„Dat is de quaestie hier niet. Jij zat aan lager wal, en had noch geld
om te leven, noch om je machine af te maken. Toen heb je mij gevraagd
om je te helpen, en dat heb ik gedaan op je eerlijke gezicht af. Want
van je machine heb ik geen verstand. Maar ons contract zegt, dat je in
zes maanden het ding klaar moet hebben, en ik je daarvoor zou
verstrekken driehonderd gulden voor gereedschap—die je gehad hebt,
zonder dat ik zelfs maar gezien heb of je er wel één stuk gereedschap
voor gekocht hebt....”
„Ik heb je toch een asje laten zien....”
„Dat misschien één gulden gekost heeft, als je ’t al niet had. Doch dat
is tot daaraantoe. Je hebt het geld gehad èn de twintig pop ’s weeks.
Ik zal je niet op één dag dringen, maar wil een begin aan de zaak zien.
En vertel me nu eens eerlijk: Vóór twaalven ben je niet op. Dan loop je
wat rond, en gaat om vier uur naar de kroeg. Om acht uur heb je
gegeten, en slentert wat achter de meisjes in de Spuistraat. Dan ga je
weer naar de kroeg, en blijft biljarten of kaartspelen tot half één.
Gesteld dat je dan niet meer naar een of andere nachtkroeg gaat, wat
ook wel gebeurt, dan maak je mij niet wijs, dat je nog werkt. Vooral
waar, zooals je zegt, de heele machine afhangt van een helder hoofd en
een vaste hand.”
„Ik heb je toch stukken laten zien!”
„Jawel, maar wie waarborgt mij, dat het stukken van je machine zijn?
Als ik eens een ingenieur bij je sturen kon....”
„Dat kan niet, zooals je weet. Mijn denkbeeld is zóó eenvoudig, dat het
geheim dadelijk zou verraden zijn. Maar, als het je niet bevalt, laat
ons er dan maar mee uitscheiden.”
Wiechen zweeg, terwijl een vluchtig rood over zijn gelaat trok. De
brutaliteit van den ander was hem te sterk. Die man had nu zoo veel
geld van hem gehad, dat hij hem niet meer los kon laten, zonder tevens
van zijn geld afscheid te nemen, en vooral de kans te verspelen op de
groote winsten, die de uitvinding van Boom moest afwerpen. Doch aan den
anderen kant zou Boom ook vastzitten, en zijn machine niet kunnen
gereed maken. Of....? En het koude zweet brak hem uit.... Zou soms de
machine klaar zijn, of zóó ver, dat een ander er geld voor gaf? En Boom
nu van hem los willen, om de vijf ton, die hem bij contract waren
toegezegd, in zijn eigen zak te houden? Het gold hier voorzichtig te
zijn!
„Hoor eens, Boompje,” begon hij zoetsappig. „We moeten geen ruzie
maken. Daar hebben jij noch ik belang bij. Ik wil alleen zien dat de
zaak opschiet, anders niet. Dat stukje ijzer en die verroeste
kachelsleutel geven mij er geen kijk op. Je kunt mij toch gerust eens
laten zien wat je hebt. Als ik maar zie, dat het ergens op lijkt, ben
ik tevreden. Ik ben toch geen deskundige, en zal je het geheim niet
afkijken.”
„Ik heb je al eens meer gezegd, dat ik niets in elkaar laat, en de
stukken op verschillende plaatsen bewaar, tot alles gereed is. Dan moet
ik voor een paar dagen een rustig plekje hebben, dat kan ik afsluiten,
en waar ik het geheel samenstel, en er een kist om timmer, zoodat
niemand de werking kan zien. Als het zoover is, mag je kijken, en
zullen we de machine een paar weken laten loopen. Nu—waar zijn de vijf
pop?”
Wiechen haalde met een zucht twee rijksdaalders uit de brandkast en
legde ze vóór Boom neer, die ze met een gemoedelijk knikje opstreek.
„Kom je vanmiddag in Central?” vroeg hij opstaande.
„Neen,” antwoordde Wiechen, „vanmiddag moet ik op Scheveningen zijn.
Bonjour, je kent den weg.”
Toen Boom weg was, zat hij nog lang na te denken. Hij vond het een
ergerlijk iets, geld te moeten geven zonder eenige zekerheid van winst,
zonder zich zelfs maar te kunnen overtuigen, al was het gebrekkig, wat
hij aan Boom had. Hij was door Arnolds met hem in kennis gekomen, en
deze had hem van die wonderlijke uitvinding verteld. Een machine, die
instede van telkens kosten te vragen voor brandstof en onderhoud,
geheel uit zichzelf bleef werken, na een belasting voor één keer met
1200 kilogram per paardenkracht, en met elken slag één vijfde van de
gebruikte kracht overhield ter benuttiging. De aanschaffing was duurder
dan die eener stoommachine; doch dat beteekende niets, daar zij later
nagenoeg niets kostte. Enkel wat smeerolie.
Hijzelf had toen Boom voorstellen gedaan, waar deze in ’t eerst geen
ooren naar had. Philantropisch aangelegd, wilde de uitvinder niet
hebben, dat door zijn toedoen honderdduizenden van arbeiders broodeloos
zouden worden; hij schreide half bij de gedachte, hoe zijn naam door
het nageslacht vervloekt zou worden. Wiechen wilde dien vloek op zich
nemen, zijn naam geven aan de uitvinding, en dusdoende den ander
verlossen van den gevreesden vloek, de zegeningen samen deelende.
En die zouden niet gering zijn! Wel was volgens Boom de machine niet
geschikt voor spoorwegen of stoombooten, daar zij, als gebaseerd op de
aantrekkingskracht der aarde, zuiver horizontaal moest blijven staan,
en haar lengte-as steeds in de richting naar de magnetische pool moest
blijven, doch hoeveel omzet was er niet buiten die twee bedrijven. Ja,
waar meer en meer electrische spoorwegen in zwang schenen te komen, kon
voor deze het gebrek geheel verwaarloosd worden. Dus, behalve schepen,
alles gedreven door de machine „systeem Wiechen!” Zijn naam zou beroemd
worden, gezuiverd van de smet, die zijn bedrijf van thans erop geworpen
had. Die malle Boom, met zijn vloek van het nageslacht! Rijkdom en eer
zouden zijn deel zijn. Of had ooit iemand door een uitvinding de wereld
verarmd? Trouwens, dat raakte hem niet, al mocht het later blijken. De
menschen konden hem precies even weinig schelen, als hij de menschen.
Er werd geklopt. Het was van Vleuten. En ontwakende uit zijn droomerij,
dwong hij zich tot de meer nabijliggende bezigheid van het nazien der
effecten, die de bezoeker hem bracht. Misschien was het daaraan
voorafgegane wel goed; want hij, die straks millardair zou zijn,
beschouwde het sommetje hem nu toevertrouwd, niet meer met dezelfde
oogen als gister en eergister, al was het voorloopig welkom.
Men had de waarde der effecten spoedig genoteerd en de contracten
geschreven.
„De overeengekomen rente staat er niet in,” merkte van Vleuten op, eer
hij teekende.
„Dat doe ik nooit,” zeide Wiechen. „Op dat punt moeten we elkaar
vertrouwen. U begrijpt, dat nooit iemand mag weten, welke hooge rente
ik u betalen kan. Het publiek is te dom om dat te vatten. En voor u zou
het ook niet plezierig zijn.”
„Ik ben niet voornemens onze relatie in de courant te zetten. U wel?”
„Neen, zeker niet! Maar we zijn beiden sterfelijk; en als anderen eens
in onze nalatenschap neusden, zou dit voor dan overlevende niet prettig
zijn.”
„Daar is iets van aan,” erkende van Vleuten. „Vooruit dan maar. Dus ik
ontvang den eersten van elke maand de rente.... laat eens kijken....
negenhonderd zes en negentig gulden.”
„Den eersten niet. Tusschen den eersten en den vijfden laat ik innen.
Dus tusschen den vijfden en den tienden kunt u beschikken. Ik zal u een
model-quitantie geven. Ziehier. U ziet, ook hierop is het woord rente
uitgelaten.”
„Dank u.”
Van Vleuten stak de quitantie in zijn portefeuille, en vertrok.
Wiechen liep snel naar zijn bureau, nam er een stuk wasdoek uit, en
sloeg dat om de effecten, het pak met een riempje bevestigend. Reeds
had hij den hoed gegrepen, om uit te gaan, toen een herhaald zacht
tikken op het vloerzeil hem op den grond deed zien. Vier of vijf roode
bloeddruppels lagen vlak vóór zijn voeten, en werden door meer gevolgd.
Hij liet den hoed los, slingerde het pak op zijn bureau, en bracht zijn
zakdoek aan den neus. Hij belde.
De bediende keek even, knikte en spoedde zich weg, om terug te komen
met een paar schoone zakdoeken.
„U moest daar toch eens met een dokter over spreken,” meende de man,
toen de bloeding minder werd.
„Onzin,” bromde Wiechen. „Ik heb vandaag belangrijke zaken gedaan. Dan
is het altijd zoo. Hier, pak aan! ’t Is al over. Niemand achter?”
„Neen, meneer. Maar straks moet die timmerman komen.”
„Jawel; ik zal de quitantie achterlaten. Als hij er geweest is, sluit
je het kantoor. Ik kom vóór den eten niet terug. Zorg om half acht hier
te zijn.”
Het pak effecten weer opnemende, verliet Wiechen zijn kantoor en sprong
op zijn rijwiel. Gaandeweg echter verminderde hij vaart, om bij het
tramhuisje op het Plein stil te blijven staan, quasi wachtende op
iemand die met de tram moest komen. Doch inderdaad was het om na te
denken.
Met Karsten & Co., waarheen hij op weg was, deed hij zaken, en het leed
geen twijfel, of die firma zou hem onmiddellijk van de effecten
afhelpen, hetzij door verkoop, hetzij door prolongatie. Doch in den
laatsten tijd was er in de verhouding een zekere spanning gekomen.
Inderdaad, al was het niet met zooveel woorden gezegd, scheen de firma
geneigd de relatie te laten afloopen, althans in te krimpen. En mocht
hij hierin al mis zien, er was iets anders, waar hij in ’t eerst niet
aan gedacht had. De effecten die hij had, waren door Karsten & Co. voor
van Vleuten aangekocht! Dat ging niet, dat hij er nu mee aankwam.
Snel besloten sprong hij weer op de fiets en reed er in andere richting
mee weg.
„Zoo, Wiechen, weet je al wat?” vroeg Arnolds dien avond, toen hij in
Central binnenkwam.
„Is Beenhuis in de stad?” informeerde Wiechen.
„Ja, hij komt zoo dadelijk... daar heb je ’m al! Kan je het doen?”
„Jawel.”
Een reeds grijzende blonde man, van onmiskenbaar Joodsch type, naderde
hun tafeltje. Arnolds stelde hem en Wiechen aan elkaar voor.
„Drinken de heeren een glas champagne mee?” noodigde Beenhuis; en toen
die uitgezocht was en besteld, ging hij voort: „Arnolds heeft u over
dat zaakje gesproken. Gaat het?”
„Och ja,” antwoordde Wiechen. En het accent van den ander imiteerende:
„Het sjaakje gaat, maar het geld is duur.”
„Wat noemt u duur? Of liever, zegt u maar ineens hoeveel u hebben
moet.”
„Vijf en twintig.”
Beenhuis toonde geen verrassing. Hij haalde een notitieboekje uit den
zak, en cijferde er eenige oogenblikken in.
„’t Is goed,” zeide hij toen. „Morgen vóór twaalven?”
„Onnoodig, ik heb het bij mij.”
Het gelaat van Beenhuis bleef onbewogen, doch dat van Arnolds glom van
bewondering.
„Fameus, fameus!” mompelde hij, de wissels te voorschijn halende, en
die op het tafeltje neerleggende.
Beenhuis nam ze tot zich, en toen men het eens was over de bedragen,
die, om den schijn van reëelen handel eraan te geven, over gebroken
getallen liepen, zette hij zich tot invullen der formulieren.
„Zullen wij ze, voor uw gemak, maar domiciliëeren op uw kantoor?” vroeg
hij.
„Och neen,” zeide Wiechen. „Dat lijkt zoo bijzonder. Uw eigen adres te
Parijs, als u het goedvindt.”
„’t Is in orde,” zeide Beenhuis, de wissels naar Wiechen toeschuivend.
„Wilt u even nazien?”
Wiechen nam de wissels, en een blanco quitantie uit zijn zak halend,
legde hij die naast de wissels, en ging zitten invullen.
„Waartoe dient dat?” vroeg Beenhuis, toen hij de quitantie had
doorgeloopen. „Ik heb toch de wissels geaccepteerd, waarin reeds
kwijting gelegen is.”
„Dat dacht ik vroeger ook,” expliceerde Wiechen; „maar onze rechters
denken er sedert kort anders over. ’t Is een quaestie van formeel of
notarieel....”
„Materieel,” verbeterde Arnolds.
„Voor mijn part. Maar men moet tegenwoordig kunnen bewijzen, dat men
het geld werkelijk gegeven heeft. Daarom vraag ik naast de wissels een
quitantie.”
„Die evenveel of even weinig bewijst,” lachte Beenhuis. „Enfin, ’t is
omslachtig, maar ik heb er geen bezwaar tegen. Ziehier.”
Wiechen telde nu twintigduizend gulden aan bankpapier uit, die Beenhuis
opstreek, terwijl de ander de wissels bergde.
Arnolds, die de handen op zijn knieën hield, onder tafel, voelde bijna
tegelijkertijd een duwtje tegen elke hand, en greep de papiertjes, hem
van weerszijden toegestoken, ze haastig in zijn zak moffelende.
Een nieuwe flesch champagne, nu door Wiechen aangeboden, besproeide de
transactie.
Toon Beenhuis was heengegaan, haalde Arnolds het hem door Wiechen
toegestopte bankpapier voor den dag.
„Tweehonderd pop? Ben je bedonderd?”
„Welnu?” vroeg Wiechen, doodkalm.
„Twee mille moet ik hebben, of....”
„Bedaar, alsjeblieft. Je kunt nog wel wat krijgen, maar nu niet. Als je
met teveel geld naar Woestduin of Forest gaat, is het toch in één keer
op.”
„Al was dat zoo, wat gaat het jou aan?”
„Omdat je mij telkens om niets vervelen komt. Sputter nu maar niet;
daar geef ik toch geen zier om. Hoeveel heb je van Beenhuis gekregen?”
„Geen bliksem.”
„Dat lieg je. En nu, bonjour! ’t Is mijn tijd.”
„Verrek!” mompelde Arnolds, zijn vuist ballende achter den rug van den
vertrekkende.
Toen grabbelde hij met de hand in zijn andere zak, en bekeek hetgeen
Beenhuis hem gegeven had. Vijf en zeventig gulden! Hij vloekte.