Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen

allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen

bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te

stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen

aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit

ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid

afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen

zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië

zegt: dat zij te paard leven en sterven.

Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij

op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze

goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had

nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas

gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het

ook daar te volgen. Na den woesten bergpas in zijne geheele lengte te

zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen

steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al

niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier

zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden

bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.

Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet

van verbazing niet bedwingen.

Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten

mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel

in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.

Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.

»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat

gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God

geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom

niets aan verliezen.”

»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende

blikken.

De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten

onverschillig aanzag.

»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom,

daar de sachem het aan ons overlaat.”

De Arendskop knikte toestemmend.

»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben

dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden

dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren

zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen

zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer

hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar

nederblikt, dit goud in de diepte ziet schitteren. Vervolgens zullen

wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof

mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou

ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”

»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer

zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal

zou mij anders nog geheel duizelig maken.”

»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.

De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik

tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar

werden.

»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg

Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar

van mede te nemen.”

»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders

ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat

van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar

uitsteken.”

Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo

groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.

»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet,

hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”

De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken

toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden

naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te

hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen

ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten

zeggen dat zij geen van allen verlangden.

De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.

Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers

een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een

heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later

was er een talrijk detachement Apachen-krijgslieden op hetzelfde punt

over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde

blanken.

»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden

onze broeders vervolgen.”

»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis

verontwaardigd.

»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de

Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze

begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die

ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”

»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder

aarzelen.

Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door

zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die

den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.

De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het

detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam

de prairie in.

Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden

jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog

gewapend.

»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen

ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”

Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door

meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die

de lucht deed weêrgalmen.

»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo

dicht in de nabijheid zijn.”

Allen ijlden hem na.

Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den

gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten

zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!

De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben,

lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander

met den ponjaard af te maken.

Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de

donderende oorlogskreet der Comanchen.

De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar doña

Anita, om haar te grijpen.

Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een

gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de

vroeger beschreven kolk bevond.

De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds

door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan

anders.

Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het

evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand

uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder

opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de

worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden

tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.

Doña Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.

Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen

en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.

De Comanchen waren te laat gekomen.

Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.

Een zwaar gekwetste peon en doña Anita, waren alleen levend

overgebleven.

Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.

Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een

onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene

Mexicaansche seguedilla (ballade) te zingen.

De jagers deinsden met smart terug.

Doña Anita was krankzinnig!

XXV.

EL AHUEHUELT.

Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte,

waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van

Cuchares.

Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was

heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren

luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten

luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de

gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het

lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak

doodelijke streek.

Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge

eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere

in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap

is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch

vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid

en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn

om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als

kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.

Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of

zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in

alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid

maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld,

zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen

van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle

ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen

als er maar een weinig roem te behalen is.

Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame

bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig

bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou

verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang

beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog

steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht

dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het

verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het

morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten

ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving.

Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden

van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende

span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de

geschiedschrijver vaak in hen opmerkt en hun te last legt en die niet

weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te

beoordeelen.

Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft

ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en

veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de

voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid

en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën

te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op

Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar

omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.

Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met

de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert

eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij

lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op

korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en

manegekunsten kwam vertoonen.

Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde

den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben

laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.

Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en

eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand,

altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs;

niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige

Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch

zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote

festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de

compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te

walgen.

De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte

oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de

verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de

soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen

ten grave sleepte.

Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht

zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.

De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.

Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den

sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.

Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten

zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den

grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die

aan piketten gekoppeld stonden.

Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht

onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind,

men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de Casa

Grande was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond

om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke

uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.

»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om

met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten

geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen

heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor

elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller

welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder

het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de

eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal

u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang

moet gij het eerste woord hebben.”

Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de

soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen

opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij

hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.

Bij de rechtstreeksche interpellatie van zijn kommandant begon hij te

glimlachen, daarop te blozen als een jong meisje, toen liet hij het

hoofd hangen en opende den mond, om reeds bij het eerste woord te

blijven steken.

De graaf de Lhorailles, zijne verlegenheid bemerkende, spoorde hem op

goedwilligen toon aan om te spreken. Eindelijk, na menige vergeefsche

poging, gelukte het den sergeant met eene heesche stem en tamelijk

verward zijn woord te doen.

»Pardi! kapitein,” begon hij, »ik begrijp dat de toestand alles behalve

vroolijk is; maar oorlog is oorlog, en op marsch gaat het niet anders.

Als men soldaat is, is men soldaat. Ik wil dus maar zeggen, kapitein,

naar mijn begrip, dat gij maar doen moet wat gij denkt dat goed is, en

dat wij hier zijn om u in alles te gehoorzamen; dat is strikt genomen

niet meer dan een staaltje van onzen plicht, zonder onnoodige

napraatjes.”

De overige raadsleden konden zich moeielijk zonder lachen houden over

deze gulle bekentenis van den eerlijken sergeant, die opnieuw verlegen

werd en zweeg.

»Uw beurt, Blas Vasquez,” zei de graaf, »wat is uw advies?”

De capataz richtte zijn vurigen blik op den graaf.

»Vraagt gij mij dat wel ronduit, kapitein?” antwoordde hij.

»Zonder twijfel.”

»Hoort dan gij allen,” hernam de capataz met eene vaste stem en op een

toon van volle overtuiging. »Mijn advies is, dat wij verkocht en

verraden worden; dat wij nooit uit deze woestijn zullen komen, maar

hier allen den dood zullen vinden zoo wij nog langer volhouden die

onbereikbare vijanden te vervolgen; men heeft ons in een strik gelokt

daar wij niet weder uit kunnen.”

Deze verklaring bracht op de aanwezigen een diepen indruk te weeg, daar

men al de juistheid er van begreep.

De kapitein schudde twijfelmoedig het hoofd.

»Don Blas,” zeide hij, »wat gij daar gezegd hebt behelst eene zware

beschuldiging. Hebt gij de beteekenis uwer woorden wel nauwkeurig

overwogen?”

»Ja,” antwoordde hij. »Alleen....”

»Bedenk wel wat gij zegt, don Blas. Wij kunnen hier geen onbestemde

vermoedens toelaten; de zaken zijn tot zulk een uiterste gekomen, dat

wij u het overigens welverdiende vertrouwen niet kunnen verleenen,

tenzij gij uwe beschuldiging nader bepaalt en, desnoods, niet

terugdeinst om namen te noemen.”

»Ik deins voor niets of voor niemand terug, heer graaf; ik weet al de

verantwoordelijkheid die ik op mij neem; geene overweging, van welken

aard ook, zal mij doen afwijken van hetgeen ik als heiligen plicht

beschouw.”

»Spreek dan in ’s hemels naam, en geve God dat uwe ophelderende

verklaring mij niet andermaal noodzake een onzer kameraden op een

voorbeeldige wijze te straffen.”

De capataz bedacht zich een poos, en iedereen wachtte met ongeduld op

zijne nadere toelichting; Cuchares inzonderheid, was derwijze in ’t

nauw gebracht, dat hij zijne ongerustheid moeielijk wist te verbergen.

Eindelijk nam de capataz het woord en vestigde daarbij zulk een

zonderlingen blik op den graaf de Lhorailles, dat deze tegen wil en

dank eindelijk begon te begrijpen, dat hij en de zijnen de slachtoffers

waren van het schandelijkst verraad.

»Heer graaf,” zei Blas Vasquez, »wij Mexicanen hebben eene wet daar wij

nimmer van afwijken, eene wet trouwens die in het hart van alle

eerlijke lieden geschreven staat, namelijk deze: dat, gelijk de loods

verantwoordelijk is voor het schip dat hij op zich neemt in de veilige

haven te brengen, evenzoo de gids met zijn leven verantwoordelijk is

voor het behoud der reizigers die hij aanneemt door de woestijn te

geleiden. Hierover komt geene verdere redeneering te pas; van tweeën

een: of de gids is onkundig, of hij is het niet; is hij onkundig, dan

had hij ons niet tegen ons aller gevoelen moeten dwingen de woestijn in

te trekken, noch daarbij de geheele verantwoordelijkheid onzer reis

mogen op zich nemen. Is hij daarentegen der zake kundig, dan had hij

ons de woestijn moeten doorvoeren, waartoe hij zich verbonden heeft, in

plaats van ons op goed geluk te laten rondzwerven om naar vijanden te

zoeken, die hij even goed weet als wij het weten, dat niet in de

woestijn del Norte wonen, maar ze slechts nu en dan in geval van

noodzakelijkheid doortrekken, zoo snel als hunne paarden loopen kunnen.

Op onzen gids alleen werp ik dus de schuld van alles wat ons overkomt;

want hij is de man, die meester was van de gebeurtenissen en ze naar

zijn goedvinden heeft geregeld.”

Cuchares, meer en meer in verwarring gebracht, wist niet meer hoe hij

zich keeren of wenden zou, zijne ontsteltenis was voor iedereen

zichtbaar.

»Wat hebt gij hierop te antwoorden, Cuchares?” vroeg de kapitein.

In omstandigheden als de tegenwoordige, heeft een beschuldigde slechts

twee middelen van verdediging: of geveinsde verontwaardiging of

minachting.

Cuchares koos het laatste: de minachting.

Al zijne stoutmoedigheid en onbeschaamdheid te hulp roepende, zorgde

hij eerst zijne stem te verzekeren, haalde verachtelijk de schouders op

en antwoordde op sarcastischen toon:

»Ik zal señor don Blas de eer niet doen van zijne woorden te bespreken;

er zijn van die beschuldigingen waarop een eerlijk man het stilzwijgen

bewaart. Ik heb mij in alles moeten gedragen aan den kapitein, die hier

alleen te bevelen heeft. Sedert wij ons in de woestijn bevinden hebben

wij twintig man hetzij door de moordbijl der Indianen, of door ziekte

verloren; kan men mij redelijk- en billijkerwijs verantwoordelijk

stellen voor deze grieven? Sta ik niet even zeer als de anderen klaar

om in de woestijn om te komen? Heb ik het in mijne macht om het gevaar

te ontsnappen dat ulieden bedreigt? Zoo de kapitein mij bevolen had om

de woestijn del Norte slechts door te trekken, zouden wij er reeds lang

uit zijn; maar hij heeft mij gezegd dat hij de Apachen wilde

achterhalen, ik heb mij naar zijn last moeten gedragen.”

Deze redeneering, hoe listig gesponnen en spitsvondig zij wezen mocht,

werd nochtans door de officieren voor goede munt opgenomen; Cuchares

haalde weder adem, maar hij had het met den capataz nog niet afgemaakt.

»Goed,” zeide deze; »strikt genomen hebt gij misschien gelijk dat gij

zoo spreekt, en ik zou geloof kunnen hechten aan uw voorgeven, zoo ik

geen andere en veel ernstiger zaken tegen u had in te brengen.”

De lepero haalde de schouders op.

»Ik weet,” vervolgde de capataz, »en ik kan er dadelijk het bewijs van

leveren, dat gij door uwe gesprekken en zijdelingsche beschuldigingen

oproer onder de peons en soldaten der compagnie hebt gezaaid. Heden

morgen vóór de revelje, terwijl gij dacht dat niemand u zag, zijt gij

opgestaan en hebt met uw ponjaard tien van de vijftien zakken water

doorgestoken die wij nog over hebben; alleen het gerucht, dat ik

onwillekeurig maakte terwijl ik naar u toekwam om het u te beletten,

heeft u teruggehouden uw misdadig opzet ten einde te brengen. Op het

oogenblik toen de kapitein ons bijeen liet roepen om raad te houden,

was ik juist gereed om hem van uw bedrijf kennis te geven en u aan te

klagen. Wat hebt gij daarop te antwoorden? Verdedig u als gij er kans

toe ziet.”

Aller oogen richtten zich nu op den lepero; hij was doodsbleek, zijne

oogen stonden rood en wild; eer iemand met mogelijkheid gissen kon wat

hij voornemens was, greep hij een pistool en schoot het rakelings af op

de borst van den capataz, die ter aarde stortte zonder een woord of

zucht meer te slaken; daarop steeg de moordenaar met een tijgersprong

te paard, en reed in vliegenden galop weg.

Nu volgde er een onbeschrijfelijke opschudding, allen stegen te paard

om den lepero na te zetten.

»Voort! voort! den moordenaar na! den moordenaar na!” schreeuwde de

kapitein, zijne manschappen aansporende met stem en voorbeeld om den

onverlaat te vervolgen.

De Franschen, door dezen afloop der zaak woedend geworden, vervolgden

den lepero en schoten op hem als op een verscheurend dier; een geruimen

tijd wist hij in alle richtingen te ontwijken en zag men hem nu hier

dan daar heen rennen, om uit den cirkel te geraken dien het den

kavaleristen gelukt was rondom hem te sluiten; eindelijk zag men hem

waggelen in den zadel, poogde hij zich nog aan de manen van zijn paard

vast te klemmen, maar tuimelde hij op het zand als een machtelooze

klomp onder het uiten van een laatsten kreet.

Hij was dood.

Deze gebeurtenis voerde de ontsteltenis onder de soldaten ten top, van

dit oogenblik af gevoelden zij dat men hen verraden had en begonnen zij

te begrijpen dat hun toestand inderdaad hopeloos was.

Te vergeefs poogde de kapitein hun een weinig moed in te spreken, zij

wilden naar niets meer hooren, maar gaven zich prijs aan eene

radeloosheid die alle maatregelen verlamt en alle krijgstucht oplost.

Als een laatste middel om gehoor te krijgen, gaf de graaf order om op

te breken, en men trok op marsch.

Maar waarheen? in welke richting, en waar was uitkomst? geen spoor of

pad was er te zien. Intusschen trok men toch voort, veeleer om van

plaats te veranderen, dan om weg te komen, of met eenige hoop om uit

het onmetelijk zandgraf te geraken, daar men niet anders voorzag dan

voor altijd en onherroepelijk in bedolven te zullen worden.

Acht dagen verliepen, acht eeuwen van jammer, gedurende welke de

vrijcompagnisten met de vreeselijkste kwellingen van honger en dorst te

kampen hadden.

De compagnie als zoodanig bestond niet langer, er waren geen chefs,

geen soldaten meer; het was een legioen afschuwelijk uitgemergelde

spookgestalten, een troep uitgehongerde roofdieren, gereed om elkander

bij de eerste gelegenheid te verscheuren en te verslinden.

Het was er eindelijk zoo ver mede gekomen, dat men de weinige paarden

of muildieren die nog overbleven, de ooren opensneed om het bloed uit

te zuigen, ten einde honger en dorst te lesschen.

De graaf de Lhorailles · 第 25 / 26 段