De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een

schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De

schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte

verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het

geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen

eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten,

die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over

de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte

koningen te regeeren.

Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de

grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het

laatste licht der stervende zonnestralen.

Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de

leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de

rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde

stem:

»Reeds daar!.... die duivels!”

Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.

Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het

zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was

overgegaan.

De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. Aan den

anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht

voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen

had.

Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de

listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar

waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed

opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als

dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van

sporen, was het ergste te vreezen!

Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten.

Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling

stormde hij de grot in.

Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden

zij hem verschrikt te gemoet.

»Wat schort u?” vroegen allen.

»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”

»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.

»O, mijn God! red mij, red mij!....” riep doña Anita op de knieën

zinkend en de handen angstig samenvouwend.

De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de

kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero

wendende, riep hij:

»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud

over!”

Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.

Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. Doña Anita, die half in onmacht

lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den

Tigrero rusten.

Deze spoedde zich altoos verder.

»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn

wij behouden!”

Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden,

voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.

Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang

bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.

Die man was de Zwarte-Beer.

De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.

»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat

ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf

te brengen.”

»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hij

doña Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke

hand; »kom haar halen.”

Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel

naderden.

De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!

De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens

bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een

tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.

Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de

armen om het lijf.

De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee

slangen.

Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.

XXIV.

DE WOUDLOOPERS.

Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die

wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons

naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.

Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen,

meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne

woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich

geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te

danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den

Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden

verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid

van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel

niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de

prachtigste geschenken aangeboden.

Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met

gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen

bepaald van de hand.

Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere

beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te

komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd

van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te

doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne

reis te vervolgen.

De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat

zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.

Doña Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs

verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden

bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de

wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste

personen te gaan zoeken.

De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij

hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid

zijner krijgslieden zou worden geholpen.

Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke

goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem

die niet langer durfden weigeren.

Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de

Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando

van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven

te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.

De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de

omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is,

maar alles was vergeefs.

De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug

zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen

in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of

grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was

geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden: doña

Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen

spoor over.

»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles

gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht

vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters

hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens

weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De

Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten;

zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer

pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen

bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis

door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u

later van dienst kunnen zijn.”

»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,”

antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt,

caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en

gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan

louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de

kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten

zullen.”

Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit

de hacienda en begaven zich naar de prairie.

Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren

ontsteken.

Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was,

liet de sachem door den hachesto (omroeper) afkondigen dat de hoofden

zich aan het raadvuur zouden vereenigen.

»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei

de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.

Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede

rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte

zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.

Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.

Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote

toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen

en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een

fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.

De pijp was reeds gevuld en ontstoken.

Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop

in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige

geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den

Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed

van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.

Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel

met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en

luide stem:

»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de

wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog

niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te

dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die

uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn

dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”

»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.

Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het

mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.

Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden

een woord sprak.

Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde

de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met

den uitroep:

»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn

geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee

hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”

Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben

uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems,

die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder

het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:

»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd

verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen,

heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat

mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”

Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden,

verwijderde de pijpdrager zich.

Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan

en nam het woord.

»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele

manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele

manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het

groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten.

Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft

mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst

uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest;

Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.

»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën.

Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met

andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine

coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne

eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het

oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn

bloohartige vrouwen en verraders.

»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben

gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn

hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne

broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat

de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw

zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen

mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken,

machtige mannen?”

De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van

smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.

Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de

andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij

op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.

»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het

de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem

dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het

opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit

opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten zou? Neen! de Meester

des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet

kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger

noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den

raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de

krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks

niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat,

zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen

willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk

verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij

monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo

wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar

mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”

Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn

halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den

Arendskop en ging weder zitten.

»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle

krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van

den Spotvogel wierp.

De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom,

hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de

aandachtige en belangstellende vergadering:

»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in

mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in

mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne

zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door

hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar

de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te

verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb

gezegd.”

De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem

onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de

sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.

Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de

hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor

gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die

gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.

De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen

stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.

Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen

praten of liever fluisteren.

Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op

zijne beurt met zijne krijgslieden weg.

De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.

De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich snel

verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.

»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander

de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen

om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone

verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al

zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd

worden om aan onze eigene zaken te denken?”

»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken

broeders groot genoegen te geven.”

Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.

»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo

eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij

hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik

mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is

het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet

wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”

»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart

tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de

helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog

verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De

Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en

voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders

naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en

die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch

schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot

hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij

wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele

bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg

dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar een placer

(zilver- of goudmijn) geleiden.”

»Naar een placer!” riepen de twee anderen verwonderd.

»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij

toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken;

laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun

meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”

»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat

drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders

dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In

vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste,

hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of

vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te

verwaardigen het op te rapen.”

»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die

goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen

en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig

reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons,

hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig

aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”

»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat

duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven

als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik

verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij

verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten

vertrekken.”

De Arendskop glimlachte.

»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben

blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor

hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs

dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den

grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde.

Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet

zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te

zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen

wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en

de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden

morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die

placer het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat

zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede

uit dringenden nood te redden.”

»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest

erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel

hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel

verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er

misschien anderen mede te helpen.”

»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel

mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen

tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit

gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens

een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken.

Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”

Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al

fluitende.

Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het

midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de

prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen

droegen zakken vol water.

De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van

zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden

en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken,

gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de

paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.

Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel

uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden

morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in

de richting der woestijn del Norte.

Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig

en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval

stoorde hare kalme eentonigheid.

De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als

een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar

zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne

invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.

In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de

Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren,

aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld,

aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige

mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met

zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.

De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste

vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging

der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met

dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.

De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit

verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren

graniet.

De graaf de Lhorailles · 第 24 / 26 段