door luchtspiegeling misleid, door den fellen zonnegloed geblakerd,
door het mulle zand afgemat en uitgeput, waren zij ten prooi aan eene
vertwijfeling, die sommigen met een stompzinnig gelaat en een hollen
lach verdroegen; dat waren nog de gelukkigsten, zij hadden geen gevoel
meer van hun leed, want zij waren krankzinnig; anderen zwaaiden woest
met de wapenen, vloekten en dreigden en staken de vuisten naar den
hemel op, die als een onmetelijke tombe van koper, hunne zandige
grafstede scheen te overwelven; enkelen door het ongeluk razend
geworden schoten zich voor het hoofd, met een spottenden glimlach
jegens hunne kameraden, die te zwak waren of den moed niet hadden hun
voorbeeld te volgen.
De Franschen zijn misschien het moedigste volk dat er bestaat, maar
daarentegen zijn zij de eerste om alle tucht of zelfbeheersching te
verliezen. Is hun aandrift onweêrstaanbaar zoo lang zij voorwaarts
rukken, even onweêrstaanbaar zijn zij ook als zij terug moeten; dan
zijn zij door niets, door dwang noch door redeneering noch door
bedreiging tot staan te brengen; overdreven in alles, is de Franschman
soms sterker dan een mensch, of zwakker dan een kind!
De graaf de Lhorailles was geen kwaad overste, hij staarde zwijgend en
somber op den ondergang van al zijne verwachtingen, maar bleef zijnen
rang en zijn karakter getrouw. Altoos de eerste om te marcheeren, en de
laatste om te rusten, zou hij geen brok genuttigd hebben eer hij wist
dat ieder man zijn aandeel had gehad, troostte hij ieder die naar hem
hooren wilde en waakte met voorbeeldelooze zorg en zelfverloochening
voor zijne arme soldaten, die, zonderling genoeg, te midden van al hun
jammer en dreigenden ondergang er niet aan dachten hun overste eenig
verwijt toe te voegen.
De peons van Blas Vasquez waren meest allen bezweken, of hadden na zijn
dood een goed heenkomen gezocht, dat wil zeggen, een weinig verder een
onbekend graf gevonden. Die den graaf nog getrouw bleven, waren allen
Europeanen, meerendeels Franschen, brave Dauph’yeers, geheel onkundig
hoe zij den onverbiddelijken vijand zouden bekampen met welken zij hier
te doen hadden, de doodelijke del Norte.
Van de twee honderd vijf en veertig man, die de compagnie bij hare
intrede in de woestijn sterk was, leefden er nog nauwelijks honderd
dertig, zoo het leven mocht heeten dat deze verbleekte en vermagerde
spoken bezielde.
De ergste ramp die iemand in de woestijn kan overkomen is zeker de
akelige kwaal, door de Mexicanen de calentura genoemd.
De calentura!
Deze tusschenpoozende waanzin spiegelt den lijder gedurende den
korteren of langeren aanval, visioenen voor van de lekkerste en
keurigste spijzen, de helderste waterbronnen, de uitmuntendste wijnen,
die hem, zoo hij zich verbeeldt, volop verzadigen maar tevens
ontzenuwen, want na den afloop der zinsverbijstering gevoelt hij zich
zwakker en verslagener dan ooit, door de herinnering van al wat hij in
den droom gezien en genoten had.
Op zekeren dag eindelijk, toen de ongelukkige vrijcompagnie door jammer
en ellende overstelpt, weigerde om verder te gaan en allen reikhalsden
om te sterven waar het toeval hen gebracht had, legerden zij zich op
het gloeiende zand, in de schaduw van eenige Ahuehuelten, met het vaste
besluit om daar onbeweeglijk te blijven liggen, tot de dood, dien zij
reeds zoolang overluid hadden ingeroepen, hen eindelijk van hunne
kwalen zou komen verlossen.
De zon hulde zich in een onheilspellenden nevel en ging onder in eene
zee van purperen en gouden wolken. Alles in de woestijn was doodstil en
men hoorde niets dan hier en daar eene verwensching of een zucht van de
ongelukkigen, die niets meer verwachtten, niets meer hoopten, en niets
meer overhielden dan het instinct van woeste of redelooze dieren.
Intusschen volgde de nacht op den dag, en langzamerhand kwam ook de
vrijcompagnie tot rust en stilte. De slaap, die groote vertrooster der
lijdende menschheid, bezwaarde de oogleden der rampzaligen, en zoo zij
al niet sliepen, genoten zij toch eene soort van sluimering, die hun,
voor een poos althans, hunne ondragelijke folteringen deed vergeten.
Op eens, tegen middernacht, klonk er een vervaarlijk geluid, dat allen
verschrikt deed ontwaken; een verstikkend lauwe wervelwind ging over
hen heen, en de donder boven hunne hoofden barstte klaterend los.
De hemel was zwart als inkt, geen maan of ster was er te zien, niets
dan tastbare duisternis, die zelfs niet toeliet de meest nabijzijnde
voorwerpen te onderscheiden, dan nu en dan bij het flikkeren van een
bliksemstraal welke slechts diende om de daarop volgende duisternis nog
dikker te maken.
De arme drommels sprongen vol ontzetting op en slopen waggelend naar
elkander, als een troep schapen bij onweder en als wilden zij bij de
laatste vonk van hun ingeschapen menschelijk instinct, te zamen
sterven.
»De temporal! de temporal!” schreeuwden allen op een toon van angst die
zich niet laat beschrijven.
Werkelijk was het de temporal, die ontzettende plaag, die al hare woede
ontketende en over de woestijn deed losbreken om er de gedaante van om
te keeren.
De stormwind loeide met ontzettende kracht, en joeg wolken stof omhoog
die in de lucht ronddwarrelden en zandhoozen vormden, die met groote
snelheid voortwervelden tot zij op eens met een vreeselijk gekraak
uiteenspatteden.
Menschen of dieren, of steenen door deze wervelende zuilen
medegesleept, werden als stroobossen in de ruimte weggeslingerd.
»Plat op den grond!” riep de graaf met eene krachtige stem, »plat op
den grond liggen! het is als de Afrikaansche Simoun, plat op den buik
liggen! zoo gij uw leven lief hebt!”
Vreemd als het schijnen mag, maar al deze mannen, ofschoon door
hopeloos lijden overstelpt, gehoorzaamden als kinderen het bevel van
hun overste, zoo groot is de schrik dien de dood, wanneer hij op het
oogenblik onherroepelijk schijnt te naderen, inboezemt.
Zij vielen met hun aangezicht in het zand, en groeven met hunne handen
kuilen om de heete lucht te ontgaan, die hen dreigde te verstikken. De
paarden, met gerekten hals op den grond uitgestrekt, volgden bij
instinct het voorbeeld hunner meesters.
Bij tusschenpoozen, als plotselinge windstilte den rampzaligen soms een
oogenblik verademing schonk, om hen daarna des te erbarmloozer te
benauwen, hoorde men het gekerm of het doodsgereutel vermengd met
vloeken of vurige gebeden, uit de menigte opgaan, die bevreesd of
stervend op den grond lag uitgestrekt.
De orkaan bulderde den geheelen nacht door met onverpoosde woede; tegen
den morgen begon hij allengs te bedaren, en met het opgaan der zon was
zijne kracht uitgeput of naar andere streken verplaatst.
Het aanzien der woestijn was geheel veranderd; waar den vorigen dag
heuvels stonden, waren nu dalen; de weinige boomen hier en daar, waren
door den wind geknot, omgeworpen of verzengd, en vertoonden niets dan
zwarte en kaalgestroopte geraamten; geen spoor meer van pad of
voetstap, alles was effen en plat gewaaid of met golven gerimpeld als
een plotselinge bevroren zee.
Van de vrijcompagnie waren niet meer dan zestig man levend
overgebleven, de overigen waren hetzij door den wind opgenomen of onder
den grond bedolven, zonder dat er een spoor van overbleef; het zand had
alles begraven en bedekte hen als met een onmetelijk grauwe doodwaâ.
Het eerste gevoel dat de levend overgeblevenen bezielde, was schrik;
het tweede, wanhoop, en daarop begon het gejammer en beklag met
vernieuwde, altoos toenemende kracht.
De graaf staarde op het overschot zijner vrijcompagnie met treurig
somberen blik en eene uitdrukking van onbeschrijfelijken weemoed.
Op eens barstte hij los in een stuipachtigen schaterlach, hij trad naar
zijn paard, het eenig overgeblevene en als door een wonder aan den
algemeenen jammer ontsnapte, zadelde het, streelde het met de hand,
onder het binnensmonds neuriën eener treurige melodie van eigen
vinding.
Zijne kameraden zagen hem aan met stommen schrik en een gevoel van
verbazing daar zij zich geen rekenschap van konden geven; hoe gezonken
en moedeloos van geest zij zelven ook mochten geweest zijn, de kapitein
had tot hiertoe steeds zijne meerderheid van verstand en vastheid van
wil weten te behouden, twee hoedanigheden die op minder beschaafde en
geschokte gemoederen zoo veel vermogen, zelfs wanneer de omstandigheden
hun aanleiding gaven er zich tegen te verzetten. Hoe ellendig zij ook
waren groepeerden zij zich rondom hun overste, als kinderen zouden
gedaan hebben rondom hun stervenden of plotseling krankzinnig geworden
vader of moeder; hij had hen altijd getroost, hun het voorbeeld van
moed en zelfverloochening gegeven, en nu, terwijl zij hem zagen te werk
gaan gelijk hij deed, hadden zij een voorgevoel van een nieuw en nog
grooter ongeluk.
Nadat de graaf zijn paard gezadeld had, steeg hij voorzichtig in den
zadel en liet het eenige minuten lang springen en zwenken, ofschoon het
arme dier nauwelijks in staat was zich op de bevende beenen te houden.
»Haha! mijne braven!” riep hij op eens, »komt allen hier, komt bij mij
en hoort den goeden raad dien ik u geven wil eer ik vertrekken ga.”
De soldaten sleepten zich zooveel zij konden voort en verzamelden zich
rondom hun chef.
De graaf wierp een zonderlingen blik van zelfvoldoening om zich heen.
»Het leven is een jammerlijk apenspel, niet waar,” sprak hij met een
schaterenden lach, »en daarbij dikwijls een keten die zwaar valt om te
dragen. Hoe menigmaal zult gij in het helsche verblijf daar wij zonder
uitkomst in rondzwerven, deze opmerking niet in stilte hebben gemaakt,
die ik onbewimpeld voor u uitspreek! Welnu, ik moet u bekennen, zoolang
ik hoop had u te redden heb ik met moed tegen het ongeluk gestreden;
die hoop heb ik niet meer. En daar wij hier nu binnen eenige dagen,
misschien binnen weinige uren reeds, van kommer en gebrek moeten
vergaan, wil ik liever dadelijk sterven. Gelooft mij, volgt mijn
voorbeeld; het is spoedig gedaan, gij zult het zien.”
Bij het uitspreken dezer woorden trok hij een pistool uit zijn gordel.
Op dit oogenblik hoorde men in de verte schreeuwen.
»Wat is het? wat is het, wat gebeurt er nog?”
»Zie eens! kapitein, men komt ons te hulp; wij zijn gered!” riep de
sergeant Boileau, die als een schim aan zijne zijde stond en hem bij
den arm greep.
De graaf rukte zijn arm los en zei met een glimlach, terwijl hij in de
aangewezen richting uitkeek, waar zich werkelijk een wolk van stof
verhief, die snel naderde.
»Gij zijt dwaas, mijn arme kameraad. Men kan ons hier niet komen
helpen. Wij hebben hier zelfs minder hoop dan de schipbreukelingen der
Medusa,” vervolgde hij met bittere ironie; »wij zijn gedoemd om in deze
helsche woestijn te sterven. Vaartwel, allen! vaartwel!”
Hij hief zijn pistool op.
»Kapitein?” riep de sergeant op verwijtenden toon, »denk om uwe
verantwoording, gij hebt het recht niet om u zelven te dooden, gij zijt
onze overste, gij behoort het laatst van allen te sterven of anders
zijt gij een lafaard!”
De graaf sprong op in den zadel alsof hem een adder gebeten had, en
dreigde zich op den sergeant te werpen; zijn uitzicht was daarbij zoo
woest en zijne beweging zoo verschrikkelijk, dat Boileau er bang van
werd en terugdeinsde.
De kapitein maakte van dit vrije oogenblik gebruik, zette zich het
pistool voor het hoofd, en drukte af; hij stortte ter aarde met een
verbrijzelde hersenpan.
De avonturiers waren nog niet van den schrik bekomen dien dit
vreeselijk ongeluk bij hen teweegbracht, toen de stofwolk die zij
hadden zien naderen reeds dicht in hunne nabijheid was en plotseling
als vaneen scheurde, en nu ontwaarden zij een troep Indiaansche
ruiters, in welks midden eene vrouw en twee of drie blanken, die in
vollen ren op hen afkwamen.
Vast overtuigd dat de Apachen hen, als roofvogels op dood aas, zouden
overvallen en den genadeslag komen geven, beproefden zij het zelfs niet
om een oogenblik weêrstand te bieden.
»O!” riep op eens een der jagers snel afstijgende en naar hen
toeloopende, »arme menschen!”
De nieuw aankomenden waren Goedsmoeds, don Louis en hunne vrienden de
Comanchen.
Weinige woorden waren genoeg om hun het gebeurde mede te deelen en hun
met den gruwzamen nood bekend te maken dien de Franschen hadden moeten
verduren.
»Maar,” riep Goedsmoeds, »al heeft het u aan de noodige spijzen
ontbroken, water hadt gij toch in overvloed, hoe kunt gij u zoozeer
beklagen over dorst?”
Zonder iets te zeggen begonnen de Arendskop en de Spotvogel met hunne
machetes reeds een kuil te delven aan den voet van een Ahuehuelt. Na
verloop van tien minuten sprong het water te voorschijn en weldra
vloeide er een milde en heldere bron over het zand.
De Franschen stortten zich als razenden op het water.
»Arme menschen!” mompelde don Louis; »zullen wij ze hier niet vandaan
helpen?”
»Denkt gij dan dat ik hen zou laten omkomen nu ik hun weder moed heb
gegeven?” zei Goedsmoeds. »Arm meisje,” vervolgde hij, half in zich
zelven met een weemoedigen blik op doña Anita, die er bij stond te
lachen en hare vingers deed klappen als castagnetten, »waarom kan ik
haar niet even gemakkelijk het verstand teruggeven?”
Don Louis zuchtte zonder te antwoorden.
De Franschen hoorden met stomme verbazing een feit vermelden, dat hen
waarschijnlijk zou hebben gered zoo zij het maar eerder geweten hadden;
namelijk dat de Ahuehuelt, welke naam in de taal der Comanchen »heer
der wateren” beteekent, een boom is die wel is waar alleen op dorre en
zandige plaatsen opschiet, maar onder zijne wortels steeds een
waterader verbergt, waaraan hij zijn wasdom en sappen ontleent, en om
deze reden dragen de Roodhuiden dezen boom een bijgeloovigen eerbied
toe en noemen zij hem, daar hij vooral in de zandwoestijn voorkomt en
van onberekenbaar nut is de groote medicijn der reizigers.
Twee dagen later waren de avonturiers, onder geleide der jagers en der
Comanchen, buiten de zandwoestijn. Weldra hadden zij de Casa Grande de
Montecuzoma bereikt, waar hunne redders, na hen van de noodige
levensmiddelen te hebben voorzien, hen voor goed verlieten, nauwelijks
wetende hoe zij zich aan hunne warme dankbetuigingen en zegenwenschen
zouden onttrekken.
INHOUD.
Bladz.
1. Feria de Plata 1
2. Don Sylva de Torres 12
3. Twee oude kennissen van den lezer 21
4. De graaf Maxima Gaëtan de Lhorailles 31
5. De Dauph’yeers 40
6. Door het venster 51
7. Een tweegevecht 60
8. Het vertrek 69
9. De legerschans in de wildernis 80
10. Vóór den aanval 92
11. De Mexicaansche maan 102
12. Vrouwenlist 111
13. Een wedloop bij nacht 123
14. Een Indiaansche list 133
15. Scherp tegen scherp 143
16. De Casa Grande de Montecuzoma 155
17. De Mesties 166
18. Een stap achterwaarts 175
19. In de Prairie 186
20. In den zadel 194
21. De bekentenis 204
22. Een menschenjacht 213
23. De Apachen 223
24. De woudloopers 232
25. El Ahuehuelt 243
AANTEEKENINGEN
[1] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
[2] Aimard schreef dit in 1860.
[3] Ongeveer 40.000 gulden.
[4] Ongeveer ƒ 375.000 (Historisch).
[5] Zekere stormwind
[6] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
[7] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
[8] Zie het Opperhoofd der Aucas.
[9] Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco.
[10] Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent!
[11] Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.
[12] Bengaalsche vink.
[13] De haas.
[14] Zie de Pelsjagers van de Arkansas.
[15] Takkenhut
[16] Sandalen.
[17] Dezen term gebruiken de Indianen voor alles wat hun onbegrijpelijk
voorkomt.
[18] Een kustlander, in onderscheiding van de inwoners in het
binnenland.
[19] Zeker oorlogstuig uit een lederen riem bestaande, aan ieder eind
met een looden kogel.
[20] Half beschaafde Indianen.
[21] Water of bronboom.
[22] Zonsopgang.