Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het

raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don

Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen

van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den

steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar

moest of mocht hij dan doña Anita opofferen aan deze overdreven

nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van

een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de

haciendero in hem stelde?

Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de

Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou

men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht

reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle

plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en

zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?

Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden

tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met

nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het

hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het

ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die

hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.

Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op

deze vraag wist hij geen antwoord.

Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de

borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en

zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer

beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief

het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar den kant zijner

vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te

zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in

vliegenden galop.

Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij,

behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.

Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de

hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte,

zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De

Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging;

hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te

handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren

welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.

De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo

noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne

vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de

peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.

Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij

haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om

er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne

berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen

verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken

en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.

Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met

mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen

bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.

Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.

»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.

»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.

»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij

verloren.”

»Wat? wat zegt gij, verloren?”

»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier

verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles

ophelderen.”

»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”

»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”

Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero

tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen; doña Anita zat reeds in

den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het

sein om te vertrekken.

De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk

voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.

XXIII.

DE APACHEN.

Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder

zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene

overhaaste vlucht.

De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste

landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te

wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te

verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de

voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw,

die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.

De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den

armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne

kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare

duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant

samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen,

een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande

zon alleen in staat is weder te verdrijven.

Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze

verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij

renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten

hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet

om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht

bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne

gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende

paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen

de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een

satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen

geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich

over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te

weêrstaan.

De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en

onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet

vergeten.

Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe

of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt.

Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en

wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand

opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar

ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend

en overwonnen ter neder.

Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was

gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van somnambulen;

aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken

of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van

nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen

noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en

een kluistering der ziel.

Dat duurde den geheelen nacht door.

De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.

Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende

stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen

beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken

nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk

gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.

De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier

troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.

Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben

opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.

De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand

gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich

vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te

bekomen.

Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der

rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte

bosschen den horizont omzoomden.

»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op

den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo

nog een dag duren moest, voto a brios! dan hield ik het niet vol. Ik

heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”

En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een

verkwikkelijk slaapje.

»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem

duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente

achter te laten?”

»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”

»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als doña Anita

dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”

»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende,

»spreekt gij mij weêr van de Apachen?”

»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige

uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”

»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel

wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien

vallen.”

Wat doña Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij

sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.

»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk,

en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons

zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullen doña Anita ten

goede komen om hare krachten te herstellen.”

»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik

de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier

gebracht heeft.”

»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen

hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan

het tegenwoordige denken.”

»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu

ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij

dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt

om te vertrekken.”

»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch

geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij

zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit

te gaan, gij herinnert het u immers....?”

»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht

voorkwam.”

»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel

vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd. Het

gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te

luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”

»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen

hebben?”

»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don

Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door

hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij

een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen

eene vrouw bevond.”

»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don

Martial?”

»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende

hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”

»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”

»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen;

de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om

haar te verlevendigen.”

»Caramba!”

»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den

zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo

spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”

»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme

belangstelling.

»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank

niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid

zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan

onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”

»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb

ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”

»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”

Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste

maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel

van vriend schonk.

De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de

ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was

blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem

uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van

dankbaarheid over te laten.

Intusschen was doña Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu

hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij

samen spraken.

Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen

gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te

ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een

van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten

en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.

Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd,

vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan

om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.

Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.

»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt

ons redden.”

»En met Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero

hartstochtelijk.

Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats

van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten

einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den

stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige

wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.

Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van

kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen

zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden

achterlaten, steeg hij aan wal.

De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de

onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de

eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos.

Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras

of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld met

onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze

vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van

allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of

rondhuppelden en zich verlustigden.

De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen

zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der

uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem

vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot

treurigheid stemt.

De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk

der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk

schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in

vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en

daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze

tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij

den moed en de hoop in hunne harten herleven.

Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê

geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren

rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.

Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar

men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het

geboomte onzichtbaar bleef.

Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette

de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest

om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige

oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen

met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te

zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene

volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de

Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme

Roodhuiden te verschalken.

Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne

kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden,

en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets

ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats

aanbood.

De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op

hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en

de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende

hem schier bovennatuurlijke sterkte.

Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik,

rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid,

met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op

het minste geluid.

Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras,

door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting

van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan

den voet des heuvels uitstrekte.

Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een

ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en

slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een

ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of

door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.

Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar

onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone

behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich

van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als

hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als

hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw

niet te denken.

Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed

hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid

verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug;

hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging,

speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.

Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.

Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.

Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen,

kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild

gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te

gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in

staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte

een geruimen tijd voort.

Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze

omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang

gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk

naar den heuvel terug te keeren.

Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven

verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote

blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van

hetgeen hij verder gezien had.

Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest,

had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den

heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de

gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.

Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had

hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde

binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander

roofdier zou overvallen worden.

Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een

ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.

Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op

de rivier uitzag.

De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er

blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.

De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit

elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen.

De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te

gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.

De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals

men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en

droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk

versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of

verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde

er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt

om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf

langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks

midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht

van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een

oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het

gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.

Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden

vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water

stort.

Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk

heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts

daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt,

bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!

Nu haastte hij zich terug te keeren.

»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u

en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats

te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”

Allen stonden op om hem te volgen.

»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede

doen?”

»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet.

Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle

waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te

blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten

de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is

mijne zaak.”

Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de

hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na

verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de

levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.

Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne

kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij

ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het

gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den

top van den heuvel.

Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg

af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de

kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.

Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan

nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein

open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den

voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de

muildieren had medegenomen.

De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen

beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest

achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had,

gemakkelijk zou terugvinden.

Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde

eer don Martial voor goed het bosch verliet.

De graaf de Lhorailles · 第 23 / 26 段