zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal
door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.
»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal
mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving
vraag.”
»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter
en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen hoofd
voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij
begaan?”
»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik
alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik
ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”
»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw
speelbal, uw bedrogene geweest?”
»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner
verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel
eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk
gekomen, en terwijl doña Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij
voor u en bid ik u om vergeving.”
»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.
De haciendero gaf een wenk van onwil.
»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot
ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste
voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de
hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”
»Vader,” snikte doña Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde
stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken,
hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild,
wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons
geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te
gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden
zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”
De haciendero richtte zich op.
»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet
den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet,
dan was ik uw medeplichtige.”
De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de
vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn
gelaat doodsbleek.
»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem
redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige
zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van
boeten.”
»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u
vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw
misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”
»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij
verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.
De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen
en kuste haar bij herhaling.
»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of ik niet
binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen
voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het
is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”
»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd,
»vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het
dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”
Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich
verwijderde.
»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een
gesmoorden zucht.
»Morgen, zoo dat mogelijk is.”
»Goed, morgen dan op Gods genade.”
Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen,
wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den
Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel
goed voor de algemeene veiligheid waakten.
»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft
uitgevoerd!” mompelde hij.
XXII.
EEN MENSCHENJACHT.
Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan
uit de Casa Grande van Montecuzoma; twee uren later waren zij reeds in
de woestijn del Norte.
Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van doña Anita samen van
angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de
tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een
treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan
den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.
De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen
tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe
sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er
doorgetrokken was.
»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen
zijn duidelijk zichtbaar.”
»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er
een stormwind losbreekt.”
»O! dan moge God ons helpen!” riep doña Anita.
»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de
heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.
Er verliepen eenige uren.
Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de
lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die
naar het warme land trokken—of de terres calientes zoo als men hier
zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.
Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere
rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene
onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere
bergstreken aantreft.
Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting
van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat
nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten
die des nachts in deze streken heerscht.
Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links
dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor
alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de
gebeden van doña Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.
»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af.
Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit
vergeven, als ik u had laten overrompelen.”
Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van
tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.
Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk
overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van
beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op
een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels
afteekende.
»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen
waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen
orkaan zij die ons bedreigt.”
De Tigrero schudde het hoofd.
»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de
mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”
»Wat is het dan?”
»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet
zonder buren.”
»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het
spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”
Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die
als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk
antwoordde hij:
»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt,
zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der
woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even
gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan niet één klein vuur
hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en
rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn
zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun
onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de
woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”
»Wat maakt gij daaruit op?”
»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van
een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers
gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat
blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de
wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder
oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo
fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als
hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de
aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook
zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles
voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”
»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”
»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn,
waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”
»Dus zoudt gij denken”.... riep de haciendero.
»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er
geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene
ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de
woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets
gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed
geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te
kunnen wedervinden.”
»’t Is waar.”
»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen
dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij
zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn
zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te
vervolgen, niet waar?”
»Ja.”
»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd
dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om
geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke
snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als
ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste
tracht te zijn....”
»Gij veronderstelt dus....,” viel don Sylva hem in de rede.
»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich
reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans de
vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben
is er een afdoend bewijs van.”
»Hoedat?”
»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang
bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad
wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder
ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde
hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”
De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don
Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe
te besluiten.
»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf
van dat alles?”
»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog
langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er
niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door een
temporale overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die
in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich
bevindt onder het zand begraven.”
»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”
»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo
spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik
weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”
»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van
de prairie?”
»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons
gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij
een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het
van nabij gaan onderzoeken.”
»Wees toch voorzichtig.”
»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero
met een treurigen blik op doña Anita.
Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed
hij weg.
»Moedige ziel!” prevelde doña Anita terwijl zij hem in den avondnevel
zag verdwijnen.
De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst
zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat
de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch
schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar
voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts
wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde;
of nu en dan een ontzaglijken ahuehuelt [21], welks kale takken met
zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange
en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den
wind zich beweegt.
Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn
paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.
Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij
diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar
hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan
een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet
zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.
Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk
zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.
Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt,
die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.
De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem
zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar
zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.
Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar
eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.
Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein
hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren,
zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te
ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te
verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even
goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende
zonlicht.
Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.
Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan
welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop
van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij
op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar
warbosch vormden.
De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van
knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens
vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw
die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het
terrein wierpen.
De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig
ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.
Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te
scheppen en slaakte een zucht van voldoening.
Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te zullen
worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der
Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht
hooren.
Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te
kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar
boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het
warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand
zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.
Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had,
overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij
duidelijk hooren wat zij onderling spraken.
Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de
verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen
verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.
De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.
Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.
Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen
althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal
Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te
rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.
Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.
De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk
verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op
en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de
hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof
en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een
Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.
Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte
neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken,
met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede
hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon
dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.
Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend
aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe
te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem
den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in
den haard heeft geschud.
In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige
Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen.
Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp,
dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en
stak haar bedaard in zijn gordel.
De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.
»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.
Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij
eene buiging maar antwoordde niet.
»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de
sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de
Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van
vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”
»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde
de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd
zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”
»Ooah! wat doen de Lang-Messen?”
»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een
Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”
De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij
eenvoudig in goeden ernst opnamen.
»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij
heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen
zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer
nemen aan het raadvuur hunner broederen.”
En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan
de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en
liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.
»Ooah!” juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter
heeft dapper gestreden!”
De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te
overhandigen.
De Kleine-Panter maakte ze los en reikte ze hem over.
De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden
wachtten met belangstelling op zijn oordeel.
»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een
Lang-Mes gedood en een Yori.”
En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze
weder aan zijn gordel hechtte.
»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.
»De bleekmuilen zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne
steenen dorpen.”
»Wat heeft mijn zoon gedaan?”
»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt
uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet
wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en
toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der
woestijn.”
»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer
gedaan?”
»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen
verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van
zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen
teruggereden.”
»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”
»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.
»Ooah! dat mijn zoon zich verklare.”
Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles
stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.
De Indiaan vervolgde:
»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft
een tweede spoor ontdekt.”
»Een tweede spoor?”
»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie
muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden
herkend.”
»Ooah! ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”
»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de
woestijn binnen getrokken.”
Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.
»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.
De Indiaan knikte toestemmend.
De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het
masker van onverschilligheid dat hem eigen was.
»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur
des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de
endit-ha [22] zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den
sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de
Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel
richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak
belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept
den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en
keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over
de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den
slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”
De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en
vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.
Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.
Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en
de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden
hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn
gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne
lippen.
Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?
Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik
deed hem huiveren van afgrijzen.
Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit
vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen
gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid:
want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur
beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het
scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.
Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan
ooit om ontdekt te worden.
Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn
paard had achtergelaten.
Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den
teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij
stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den
geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af
te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.