graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de
armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in
schijn onverschillig voor al wat er omging.
De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het
begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had
een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar
durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar
ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.
»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem
allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet
mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”
»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen,
»hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk
uiteenzetten wat wij willen.”
Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak
reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met
aan den kapitein om recht te vragen.
Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters
onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te
voeren.
Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders,
forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd
door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en
kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door, de type van een
avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en
plundering.
Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van
geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud
soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van
eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds
onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne
pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig
was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan.
Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.
Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp
hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne
kameraden op schamperen toon:
»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte
de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag
naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de
lippen.
Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten
klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde
werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.
Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij
staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een
alleronbeschaamdste manier.
»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak....”
De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een
pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.
De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.
De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.
»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme
stem.
Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens
lammeren geworden.
Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun
meester; zij hadden hem begrepen.
De graaf meesmuilde minachtend.
»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk
schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract
durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op
met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen
tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed
is!”
Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met
denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.
Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw
gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren
zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een
klacht te durven uiten.
»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de
kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”
Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.
Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de
kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde
geschaard en gereed om op marsch te gaan.
De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.
»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial
zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier
gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”
Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd,
verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.
XXI.
DE BEKENTENIS.
De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte
van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had
genomen.
De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de
vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun
spoor ging vervolgen.
Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar
hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit
de macht der Roodhuiden te verlossen.
De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn
naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst
en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger
werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich
niet boven weet te verheffen.
Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten
of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of
vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar
integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden,
holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met
wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik u als een vurige kool van
achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige
kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.
Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen
nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of
in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling
van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.
Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en
struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende
gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den
oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken
gebouwd om doña Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een
sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en
sliep in tot den volgenden morgen.
Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling
bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door
don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot
het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren,
achterhaald en gedood werd.
Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo
geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet
meer aan de orde.
De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend
stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle
vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval
van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige
karige woorden gewisseld.
De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had
voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog
en daar zij zich inwendig over schaamden.
De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel
en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke
mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren
dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra
zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid
hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw,
vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest,
uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor
grove misslagen heeft weten te bewaren.
Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en doña
Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot
een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om
onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in
’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee
gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner
dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins de noodlottige
gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.
Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven
had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den
graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met
ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had
gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.
De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo
noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een
ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig
folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne
voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden
naderde waarop de mijn zou moeten springen.
In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle
gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen
verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou
moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan
een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden
zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van
omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig
gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande
op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor
zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de
beruchte bouwvallen in welks midden de Casa Grande van Montecuzoma zich
verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de
woestijn Del Norte.
Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de
ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte
de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het
hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een
poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen
is.
Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva
en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met
de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer,
voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo
gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich
konden verschuilen.
Eindelijk kwamen zij aan de Casa Grande, zonder dat zij iets
buitengewoons hadden gezien.
De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de
schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om
af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing,
bijna van schrik.
»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en
den Tigrero naderde.
»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige
boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst
tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.
De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren,
namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De
weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk
beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd
gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven
genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend,
boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven
rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.
»Zie toch!” herhaalde don Martial.
»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker
als de nacht.”
»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u
aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”
Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen
voortgaan.
»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van
schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier
gebeurd?”
»Wie weet? Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten
daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus
niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”
»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.
Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.
Een oogenblik later hervatte hij:
»Laten wij eerst in huis gaan, en doña Anita niet langer alleen laten;
ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt
zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die
zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het
noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk
voordoet.”
De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij doña Anita, die
eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.
Nadat de reizigers afgestegen en de Casa Grande waren binnengetreden,
ontstak don Martial eenige fakkels van ocote-hout om in de duisternis
licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar
wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.
Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne
langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf
gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed bekend.
Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg
naar de Casa Grande zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles
aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou
hebben gezocht.
De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke
sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er
tamelijk lang verblijf hadden gehouden.
»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den
haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”
»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”
»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier
te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten
den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te
hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”
En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in
een kram aan den muur en ging het huis uit.
Doña Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw
houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.
Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met
alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en
in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar
ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels
werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze
op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen
mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken,
boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.
Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een
der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een maïssigaar
aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar
zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept
zat.
Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde
men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne
en trad hij onverwijld binnen.
»Wel?” vroeg hem don Sylva.
»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naar doña
Anita, dien de haciendero begreep.
Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange
dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het,
behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren
met peper.
Doña Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde;
daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich
naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar men voor haar van
bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en
dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een
paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.
»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodra doña Anita weg
was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt.
Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden
zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen
moeten bekoopen.”
De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn,
en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.
De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend
tegenover elkander.
»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds
even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of
vernomen?”
»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,”
antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou
ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij
reeds lang verslonden hebben.”
»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”
»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en
hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de
ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun
gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet
zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t
muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot
aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de
belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het
ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”
»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij
ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij
mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te
zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke
richting zij vertrokken zijn?”
»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft
gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn
in te trekken.”
»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen
bij het lijf liet hangen.
Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over
het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.
»Dat is niet mogelijk,” riep hij.
»En toch is het zoo.”
»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja
het is dollemanswerk!”
»Dat zal ik niet tegenspreken.”
»O! die ongelukkigen!”
»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als
zij er goed afkomen.”
»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”
»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te
veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen
kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe
zij er goed afkomen.”
»Is dat uwe gedachte?”
»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.
»Uw plan is dus?”
»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier
te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na
verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij
te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar
Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want
hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”
De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste
besluit had genomen.
»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.
»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.
»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik
doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”
Don Martial was door dit antwoord als verbluft.
»Wat denkt gij dan te doen?”
»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en
met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”
»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij
zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder
tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids
voor u geweest ben.”
»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”
»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de
prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten
verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins
tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij
plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren,
zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid
ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal
moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn
die u beiden zal verslinden.”
Don Sylva antwoordde niet.
De Tigrero vervolgde:
»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen
levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn,
is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door
een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”
»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad
niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles
is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om
u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik
tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van
hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij
zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele
hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten
omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in
Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht
hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”
»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een
besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal
u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een
gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn
land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe
dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin
in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou
ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven,
want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien
dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet
verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat
er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te
beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot
ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van
ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met
wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt
voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”
De haciendero keek hem verwonderd aan.