»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats

gekozen om bij mij te komen?”

»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons

gesprek had beluisterd!”

»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”

»Tot weêrziens!”

De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en

don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.

Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand

beluisterd te worden.

Nauwelijks hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende

richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en

floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat

omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later,

werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het

hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als

oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.

Die Indiaan was de Zwarte-Beer.

»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn

honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”

Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging

hij de grot in.

Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.

Doña Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met

angstige bezorgdheid.

»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.

»Goed nieuws,” antwoordde hij.

»O, wat heb ik in angst gezeten.”

»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het

signaal was werkelijk voor mij.”

»Dat....”

»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit

de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”

»Op welke wijs?”

»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”

Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid,

verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten

takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te

vragen wat er van was.

In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer,

kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere

gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.

Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om

de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne

kameraden.

Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.

»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de

haciendero.

»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo

als wij anders alle dagen deden?”

»Caramba, neen!”

»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten,

daar wij over twee uren aankomen.”

»Ah! te weerga!” riep de haciendero, »dat hoor ik met bijzonder

genoegen.”

»Niet waar?”

»Ik verzeker u van ja.”

Doña Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten

blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo

vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de

stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename

verrassing wilde bereiden.

Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later

werkelijk aan de kolonie.

Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de

landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij

met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.

Doña Anita, die geen oog van den Tigrero af had, werd beurtelings bleek

en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.

Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.

»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste

verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om

hem naar behooren te ontvangen.

»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt

teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een

stroom van verontschuldigingen.

»Is hij dan van huis?”

»Ja, señoria.”

»Maar komt hij spoedig terug?”

»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne

gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”

Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.

De Tigrero en doña Anita wisselden een blik van genoegen.

XX.

IN DEN ZADEL.

De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien

minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.

Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen

overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets

van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken zich

onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont,

in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of

veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en

er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert

en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt,

zoo vaak de ontzaglijke cordonazo er den mullen grond omwoelt.

Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier

en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het

uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.

De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn,

waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen,

met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit

onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken;

want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen zelven er zich

niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk doortrekken,

wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op

Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop

teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van

muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn

aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt

te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het

als met een doodskleed van zand bedekt.

En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre

woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij

zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het

zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een

krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den

storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte

den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen

bieden.

Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen

ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op

dezelfde plaats bijeen vinden.

Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze

eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs

gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.

Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare

stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch

dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.

De Casa Grande van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de

vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief

zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens

der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.

De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout

afgeteekend.

Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en

groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten,

bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide

en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen,

het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord,

het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de

poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.

Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont,

een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten

voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm

hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!

In de Casa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne

officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk

gezwets, gedrink en gelach.

Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te

begeven.

Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds,

nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in de Casa Grande was

komen bezoeken.

Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.

De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden,

rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te

verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige

toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.

Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon

aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt

wanneer zij te velde zijn getrokken.

In de ruime zaal der Casa Grande zaten de graaf en zijne luitenants op

uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging

werd bijzonder levendig.

»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben

twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en

acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”

»Dat is in zooverre waar, señor conde,” merkte de capataz aan,

»maar....”

»Wat bedoelt gij daarmede?”

»Wij hebben geen gidsen.”

»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven

het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”

Blas Vasquez schudde het hoofd.

»Gij kent de del Norte niet, señoria,” sprak hij ronduit.

»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er

mij heen voeren.”

»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”

»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.

»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van

wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het

zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een

spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig

als onder een doodkleed van zand begraven.”

»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.

»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u

met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen;

niemand van u zou er weder uitkomen.”

»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets

dapperder, noch beter gewapend dan wij?”

»Dat geef ik toe.”

»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het

zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar

maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”

»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de

lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige

merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met

de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer

heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”

»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat....”

»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden

aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om

hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen

nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult

laten.”

»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat

het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te

vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het

zijn toch Mexicanen.”

»Ja señoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te

doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners

zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”

»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.

»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets

anders op.”

»En don Sylva dan en doña Anita, moeten wij die maar laten varen?”

Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar,

terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:

»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand

kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen

verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht.

De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij

ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen

rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”

Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden

op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te

worden.

De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.

»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat

gij een gids noodig hadt, señor conde?”

»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”

»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als

gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker

vergeten.”

»Weet gij dan den weg?”

»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts

tweemaal gegaan is.”

»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen

reden meer om ons langer op te houden.”

»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave

kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar

ben.”

»O, Señor conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de

lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal

waar gij wezen moet.”

»Dat is al wat ik van u verlang.”

Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke

zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte

karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig

een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het

eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen.

Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de

Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk.

Deze kwam ongemerkt naar hem toe.

De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde

hem in ’t oor:

»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”

»Weet gij dat zeker?”

»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”

»Hoe dat?”

»Eene inwendige stem zegt het mij.”

»Hebt gij er het bewijs voor?”

»Geen het minste.”

»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”

»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”

»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier

gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent

dat ons bedreigen.”

De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een

blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:

»Het is genoeg, don Gaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te

waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet

aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan.

Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te

bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen

moet zoo dapper ben als de dapperste.”

»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende,

»ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”

Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en

stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.

»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo

verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”

»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de

kompagnie is in opstand.”

»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”

»Ja, kapitein.”

»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig,

als ik verzoeken mag?”

»Omdat zij de woestijn niet in willen.”

»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe,

»weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”

»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”

Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het

rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst

bedenkelijk scheen.

»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte don Gaëtan.

»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie

slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij

omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen

dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks

verkrijgen zullen wat zij verlangen.”

»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl

hij reeds naar de deur trad.

»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem

tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een

ongeluk kunnen kosten.”

»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen

wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die

bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”

Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen

tred de zaal door en naar buiten.

Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.

De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij

met de kompagnie van don Gaëtan in de ruïnen bivakkeerden, aan de

Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en

akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit

verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in

staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen.

Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben

nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van

kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige

voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht

bijzette.

Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers,

meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been,

maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te

winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert

zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had

hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien

aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.

De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat

hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te

zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich

niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast

en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij

hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en

brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van

gelijkheid stonden.

Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp

zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn

zou intrekken om de Apachen te vervolgen.

Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen

gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in

stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order

kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en

spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt,

kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en

opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den

verkeerden loop der zaken verslag te doen.

In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen

of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een

officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan

een duim breed uit den weg te gaan.

Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan

moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen

sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan

schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor

het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de

zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige

wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een

radicale verandering te vorderen.

Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich

verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning.

De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als

gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het

hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de

woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en

dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden

veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten

zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen

genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste

stijfhoofden.

De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden

woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den

graaf en zijne luitenants.

Op eens ging de deur der Casa Grande open en de graaf trad naar buiten.

Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de

muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.

»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.

»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.

»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.

Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van

dreigementen en verwenschingen op hem af.

De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.

Hij had een fijne sigaar van maïsstroo in den mond en rookte met al de

regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te

doen.

Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan

koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.

Er volgde een tempo in den opstand.

De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.

De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers,

die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om

elkander te verscheuren.

De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte

stilte ten nutte om het woord te nemen.

»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard de

sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje

volgde dat krullend omhoog steeg.

Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling

gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de

muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een

oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten

beteugelen.

Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten,

trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.

Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle

krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een

land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam,

verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne

koelbloedigheid zich volkomen gelijk.

Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende

lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat

het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde

stem als den vorigen keer:

»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te

voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer

kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te

stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op

doen, weest daarvan verzekerd.”

De graaf de Lhorailles · 第 20 / 26 段