De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig

mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer dan

achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene

wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk

voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan

onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de

prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien

van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid

verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch

bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden

oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn

besluit was dus dadelijk genomen.

Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van

stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich

voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij

er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg

kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.

»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond

met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat

mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te

huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het

zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En

nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog

van opgeeft, op de proef stellen.”

»Spreek, señor,” zei don Martial.

»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief

medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande

komst aan te kondigen.”

»Goed.”

»Zal hij het doen?”

»Oogenblikkelijk.”

»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten

of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden

en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder

in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk

niet hebben om er zoo goed af te komen.”

»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte

betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet

stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik

u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het

geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen

dat gij u in mij vergist hebt.”

Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat

de haciendero er zich door getroffen gevoelde.

»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij in ieder

geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig

erkentelijk voor zal zijn.”

Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met

potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.

»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.

»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees

gerust dat hij den graaf zien zal.”

De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero

naderde Cuchares.

»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje

ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van

Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”

»Ja,” antwoordde de lepero.

»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een

kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er

op volgen.

»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.

»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.

Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans

verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de

pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den

Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.

»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling

ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu

zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne

machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want

ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren

op zijn langst ben ik weder bij u.”

»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.

»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?”

antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra

zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”

En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de

prauw.

Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van

acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden,

maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep

hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.

Daar zat Cuchares bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.

»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”

»Ik wacht uwe bevelen.”

»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn

das.

»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van

een kenner bekeek.

Don Martial bood hem den ring aan.

»Dien geef ik u,” zeide hij.

De andere nam hem aan en stak hem bij zich.

»Wat moet ik er voor doen?”

»Mij dadelijk den brief geven.”

»Daar is hij.”

Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.

»Wat volgt?” vroeg Cuchares.

»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke

waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”

»Ja, ik neem het aan.”

»Maar op eene voorwaarde.”

»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.

»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”

»Stellig.”

»Dat is afgesproken.”

»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”

»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”

»Die zult gij hebben.”

»Dan tot weerziens.”

»Tot weerziens.”

De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden

elkander met een enkel woord begrepen.

Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de

zending daar don Sylva hem mede belast had.

Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens

paarden te zoeken.

Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende

paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten

doorgaan om tot geleide te dienen.

De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don

Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de

manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren,

bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich

gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den

afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust

deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die

don Martial hem mede had weten te bezorgen.

Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en

vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don

Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste niets in den weg

kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.

XIX.

IN DE PRAIRIE.

De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en

in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der

groote prairie van de Rio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot

aan de onvruchtbare woestijn del Norte.

In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met

verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid

ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.

Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde,

voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die

sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.

Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de

Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen,

dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat

al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht,

bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder

hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij

name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen

telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren,

dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan

andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen

beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te

gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen

verdedigen.

Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade

toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten

spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in

den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn

teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der

weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der

Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken,

wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den

goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en

waakten.

Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten

weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om

zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek

doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien

was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis genoodzaakt zich geheel

op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het

op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij

om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te

geven, niet veel vertrouwen stelde.

Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste

voorkomendheid en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk

langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of

omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der

kleine karavaan.

Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar

men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te

vermijden.

Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een

verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun

weder voorstelde te kampeeren.

De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan

deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een

sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide

en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder

zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een

cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op

den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje

zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.

Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten

met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling

bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero

werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met

eene zachte stem in ’t oor:

»Vergeving, doña Anita, vergeving!”

»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.

»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”

»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet

tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”

»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart

voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”

»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben

slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal

spoedig voor u gewonnen zijn.”

De Tigrero glimlachte droevig.

»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”

»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”

»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de

kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd

zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”

»Helaas!” mompelde het meisje.

»Ach! doña Anita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid,

»waarom hebt gij toch zulk een vader?”

»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond

leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is

goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste

keert, laten wij op Hem vertrouwen?”

»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is

onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader,

hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik

hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den

anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen

onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot

zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou

gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”

Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er

onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen

werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste

duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge

grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en

bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op

hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte

het gehinnik van een paard.

»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat

beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen;

ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven

ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter

elkander...?”

»Wat schort u, mijn vriend!” vroeg doña Anita bezorgd. »Gij schijnt

ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben

moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg

mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”

»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon

verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik

geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”

»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”

»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.

Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige

oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een

roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen

beschreef.

»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand

verscholen zijn.”

»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.

»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit

signaal voor mij bestemd is.”

»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk

door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een

signaal zijn dat zij elkander geven.”

»Neen, doña Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik

niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen

zijn.”

»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier vandaan

zijt geweest om het te onderzoeken?”

»Mijn lieve doña Anita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon,

»de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft

opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op

iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water

dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt,

het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich

omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij

nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of

teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij

ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen

ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken

dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van

den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en

nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed,

zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik

herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker

voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”

»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riep doña Anita.

»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.

»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om

mij,” vervolgde zij angstig.

»Maak u niet ongerust, doña Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om

mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom

dadelijk weêr bij u.”

Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden

zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.

In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat

hij verder doen moest.

Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht

tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat,

die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de

Apachen de Meester des levens van den mensch is genoemd.

Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden

nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunne offeranden te

brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en daarbij

in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en vederen van

vogels.

De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en

ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf

honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van

een boog.

Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem

terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan

onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon

verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland

eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij

ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne

bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig

signaal nader te onderzoeken.

Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende

onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander

gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar

den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een

overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne

indompeling geen het minste geplas maakte.

Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat

worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het

eiland.

De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte

hij het punt waar hij wilde aanlanden.

Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop

door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo

scherp mogelijk rondziende in de duisternis.

Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en

grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken.

Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund,

zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.

Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een

vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te

verbergen regelrecht naar hem toe.

Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.

Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.

»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een

uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder

dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”

»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen

vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar

ik was zoo ver van u te verwachten.”

»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet

te voorzichtig zijn.”

»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht

bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.

»Caspita! of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”

»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen

zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”

»Dat weet ik.”

»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw

nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”

»Welke?”

»Is het goed?”

»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”

»Carai! als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was

u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees

verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden

dat u bevallen zal.”

De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij

nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren

ontvangen had.

»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u

te doen: gij knibbelt ten minste niet.”

»Thans uw nieuws.”

»Hier is het, kort, maar goed. El señor conde, radeloos over het

verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is

opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de

hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen

om den Zwarte-Beer na te zetten.”

»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt.

En wat denkt gij nu te doen?”

»Wel, wij zijn immers afgesproken dat el conde....”

»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij

hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan

zal.”

»Integendeel.”

»Hoe dan?”

»Wel, señor don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van

te zeggen dat ik een pavo—een kalkoen—ben.”

»Wel neen, compadre, maar....”

»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat

gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda

was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten

inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper

aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het

schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen,

daar zij in parenthesis den schrik van hebben gezet, zoo dapper zijn

afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben

teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet

waar?”

»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”

»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn

durven wagen.”

»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen

mag.”

»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”

»Aan de Casa Grande!” riep don Martial schielijk.

»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”

»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”

»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”

De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.

»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt een kordaat

man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”

»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne

grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb

aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te

weigeren.”

Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen

kwinkslag.

»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial,

»kunnen wij scheiden.”

»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.

»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.... En gij?”

»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar

wij moeten elk een anderen kant uit.”

»Voor het oogenblik nog niet.”

»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”

»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.

»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”

»Ik hoop ja.”

»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog

zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat

maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de

Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”

De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw,

ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst;

hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den

rivierkant.

De graaf de Lhorailles · 第 19 / 26 段