»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er

juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij

over.”

»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”

»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, vandaag is het

mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men

niet knijzen.”

»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”

»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”

»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de

tafel toeschoof.

De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken

verdwijnen.

»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is

Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”

»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”

»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat

don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”

»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij

meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit

kunnen oplichten?”

»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen.

Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hij doña Anita

in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond

gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij

hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze

vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim

vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen

worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de mansos [20]

Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het meisje naar

Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don

Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem

toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij

don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen

en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”

»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”

»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de

beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”

»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”

»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”

»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”

De lepero kneep het rechteroog dicht.

»Neen,” antwoordde hij.

»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”

»Ja, zoodra gij wilt.”

»Zeer goed. Is het ver?”

»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander;

wilt gij? vraag ik u.”

»Wij zullen zien.”

»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en doña Anita

heen gevlucht zijn?”

»Twee honderd oncen.”

»Geef.”

»Daar zijn ze.”

De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een

hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.

»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei

Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de

vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst

kwam bewijzen?”

»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en doña Anita?”

»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij

zijn om afscheid van u te nemen.”

»Nog niet.”

»Waarom niet?”

»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik

in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt

gezegd.”

»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.

»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu

eenmaal zoo wantrouwig van aard.”

»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”

»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”

»Tegen betaling?”

»Dat verstaat zich.”

»Ik luister.”

»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”

»Canarios!” riep de lepero.

»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.

»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet

weten, caballero, ik ben een costeno, en daarbij een lepero. Het leven

in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid.

Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar

San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen,

caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”

»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.

»Ja?”

»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd

oncen zou gegeven hebben.”

»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.

»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn

leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”

»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.

»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn

waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee

kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien

nog een derden aan zoudt ontdekken.”

En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met

een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.

De lepero ontstelde zichtbaar.

»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een

haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het

mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee

honderd oncen aan.”

»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk

samen eens zouden worden.”

Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij

den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet

zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou

hij minder luid victorie gekraaid hebben.

XVIII.

EEN STAP ACHTERWAARTS.

Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende,

was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch en logenachtig.

Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te

misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons

nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.

Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken

en eenige passen terug te keeren.

Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door

een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo

ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken,

al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd

weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.

De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg

zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial

ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen

reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.

Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen

welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem

eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten

prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam

aangedreven en daar blijven steken.

Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en

bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit

berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van

den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer

gemakkelijk behandelen.

Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem

toe en fluisterde hem in ’t oor:

»Wat komt gij laat.”

De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met

een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.

»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier

zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom

onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”

Hij verwijderde zich snel.

Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver

van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit

oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen

gang was.

Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed

te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s

geslopen, waar doña Anita hem bevend verbeidde.

Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje

afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste

wenkbrauwen: zij was niet alleen!

Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp

en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.

Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed

geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid

haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?

De Tigrero luisterde scherp toe.

Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van

den man die met doña Anita sprak: het was haar vader.

Alles was verloren.

De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der

gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van

overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne

dochter zich op deze plaats bevond.

Doña Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in

handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan

het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.

Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge

glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde

zich snel in de richting der rivier.

Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer

nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens

flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels

tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat

voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.

»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan

ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige

seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik

u.”

»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af;

wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier niet vandaan.”

»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”

»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle

manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor

mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”

»Anita, in ’s hemels naam!”

»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in

handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult

overleveren dien ik verafschuw?”

»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij

voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, kom toch

meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”

»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij

ronduit; »maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”

»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik

de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”

Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar

vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.

»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u

vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat

gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche

Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”

Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter

zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging

onmiddellijk ten uitvoer te brengen.

Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover

elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder

een woord te spreken of een spier te verroeren.

Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de

takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of

liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den

haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in

het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers

te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond

gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien

kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen

met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.

Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een

schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder

gezwegen, daar zij don Martial herkende.

»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel

om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij,

is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”

Doña Anita antwoordde niet.

Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne

schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.

»Waar gaan wij heen?” vroeg doña Anita met eene bevende stem.

»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de

Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje

naar de prauw droeg.

Doña Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar

rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te

bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was

terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de

lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.

Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai

in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het

gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel

onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan

hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der

Franschen verbleef.

»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.

»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”

»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.

»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden.

Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over

is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader

laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders

zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker

terugvinden.”

»Intusschen geloof ik....” begon Cuchares.

»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de

prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.

Zij vertrokken.

De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht

voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich

bevonden.

Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen

door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en

van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf,

daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was

inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.

Doña Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in

gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in

het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.

Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en

vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te

Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en

de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn

middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht

indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien

op het rotsige zeestrand.

Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene

stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in

razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den

mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen

verbreken.

De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker

en hielden eindelijk geheel op.

De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer

verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende

gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij

krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der

roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende

harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen

menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te

geven.

De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen

lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators

woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te

zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de

naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen

aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de

wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap,

ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra

aanbreken. Doña Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van

don Martial.

»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon

van gedweeheid.

»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.

»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den

stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn

wij nu nog niet buiten het bereik?”

»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die

mij dit oogenblik drijft.”

»Wat is het dan?”

De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na

uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen

erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.

»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die

toestand is onverdragelijk.”

»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer

wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”

»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”

»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem

eenige woorden in ’t oor.

»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.

Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.

Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen

opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.

»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient

eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te

doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien

inktboom vast te binden.”

»Ga uw gang, vriend.”

De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in

een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.

»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat

uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij

u bij toeval hier ontmoeten en....”

»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.

»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter

schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat

begrijpt gij, niet waar?”

»O! zeer goed.”

Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. Doña Anita

begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte

antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten

werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne

banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen

teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.

Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich

heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden,

terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te

maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte

voor zijne bevrijding.

Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om

den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht

uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard

had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.

»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u

alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”

Doña Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend

verwijt.

Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans

naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.

Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn

gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide

mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik,

stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans

een woord te uiten.

De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat

hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had

voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich

verplicht het eerst te spreken.

»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier

zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der

Roodhuiden te ontrukken.”

»Ik zeg u dank, señor don Martial,” antwoordde de haciendero droog,

»van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het

heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te

hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt

voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang

daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”

Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den

Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord

vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te

verbergen.

»Vader,” zij doña Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn

leven voor ons gewaagd.”

»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het

schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig

het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”

Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.

Don Martial herstelde zich.

»Señor don Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval

bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te

zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als

ik.”

»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”

»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw

eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken

en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt,

ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen

wat u aangenaam is.”

»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond

op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie

Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo

verraderlijk hebben opgelicht.”

»Wanneer wilt gij vertrekken.”

»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”

»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij

hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar

wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst

moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de

wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”

»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren

glimlach.

»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral de señorita.”

»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te

keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de

laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”

De graaf de Lhorailles · 第 18 / 26 段