tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden
manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden
voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.
De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten
halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden
ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.
De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen.
Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle
richtingen de vlucht.
De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op
de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.
De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen
vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.
De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het
verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet
als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat
meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het
terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te
zullen redden.
Hij gaf zijne cuadrilla (bende) order zich gereed te houden om op te
breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van
zijn aanstaanden tocht door de wildernis.
Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling
in de Casa Grande verlaten.
De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van
den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der
onderneming op den volgenden.
Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en
inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien,
was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te
ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording
gewaagd had bij hem aan te dienen.
»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere
zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.
»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb
kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en
leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets
meer van te zeggen.”
De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.
»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die
dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.
»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend
opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij
ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke
beleefdheid.”
De wachtmeester boog en verwijderde zich.
»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel
te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige
zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen
ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker,
dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe
zoo onverklaarbaar feit.”
»Señor conde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in
dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen
strik te spannen.”
»Waarom zou hij dat?”
»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone
Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in
onze taal laat weêrgeven.
»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef
te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”
De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf
was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van
spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.
De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de
inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van
hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden
doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de
inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden
en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met
hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of
meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.
Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de
waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat
wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft;
de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij
gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en
met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk
stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan
alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van
onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die
meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende
onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter
van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.
Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit
inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren
op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de
massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en
slecht.
Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een
kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij
zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw
van laatstgenoemden.
Intusschen geldt het in Spaansch-Amerika schier als een geloofsartikel,
dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip
en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den
anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting
den titel geven van gente de razon—redelijke menschen.
Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na
eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en
dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken,
naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de
mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo
ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan
een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.
Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen
hebben, gelijk wij nader zien zullen.
De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet
onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de
wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich
terstond aller oogen vestigden.
De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en
zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna
geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare
koelzinnigheid en zwier.
De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten
een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van
wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.
XVII.
DE MESTIES.
Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al
de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks.
Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest
bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond
hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte
hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met
een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat
beschrijven:
»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen,
wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene
verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”
»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.
»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch
niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij
plaats, als ik u verzoeken mag.”
»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest,
mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen
ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”
»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige
zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”
De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:
»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”
Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.
»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast,
zij belooft ons alles goeds.”
»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons
hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met
dezen caballero.”
»Dat zou ik volgaarne doen, señores, maar dan moet ik dezen caballero,
daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf
verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang
geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te
zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”
De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die
tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:
»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin
als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal
ontmoet, señor conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek
tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze
al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”
»Inderdaad, señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even
nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik
mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”
»Dat wist ik wel.”
»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw
aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”
»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen;
wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito
te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u,
liever had willen bewaren.”
Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en
bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de
schijnbare onverschilligheid van den onbekende.
»Het maakt weinig uit, señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van
die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij
dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”
»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als
krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.....?”
»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam
van u mogen hooren.”
De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.
»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme
stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u
een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik
verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het
die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders
om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet,
daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan
mij?”
»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik
wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt,
wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen
ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan
te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog
langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te
zeggen.”
»Gij zult er berouw van hebben, señor conde,” hervatte de vreemdeling
met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben bereid om mij
zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te
zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”
»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te
gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”
»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik
ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen
caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier
vreest, dan is het voor mij.”
»Juist geraden, señor don Blas,” hervatte de vreemdeling met eene
buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer
goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien,
maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik
overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw
vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”
»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.
»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme
stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te
werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien
minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem
mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”
Er volgde een poosje stilte.
De graaf de Lhorailles bespiedde met scherpzinnigen blik het
onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.
Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog
voor den graaf en vroeg:
»Wat moet ik doen, señor, blijven of vertrekken?”
De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de
minste verlegenheid doorstond.
»Blijf,” zei de graaf.
»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijne butacca.
»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt
het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”
De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te
spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den
onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men
iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even
als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den
vreemdeling koud en onbewogen.
»Welaan, señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra
de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling
uwer belofte.”
»Ik ben gereed u te voldoen.”
»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”
»Met uw verlof, monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van
luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen
en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”
De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.
»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.
»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”
»Ik luister al.”
»Hoor dan, señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar
in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of
gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw
eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat
hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo
gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt
gij te werk gegaan.”
»Ter zake, señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.
»Zachtjes aan, señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende
beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten
toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de
rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt
gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om
eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene
landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen,
Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe
veel te lafhartig.”
»Señor, señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar
zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.
»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;” hernam de andere altoos
onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk
op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen
zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij
wel dacht.”
Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel
en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.
»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet
hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat
gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt
verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van
gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles
u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen
bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken
der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug
toekeert. Ik misprijs u niet, verre van daar, gij hebt meesterlijk
gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een
talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”
»O!” riep de graaf bijna opvliegend.
»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen
natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en
bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw
eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt
gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik
u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is
lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land,
waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochter doña
Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten
voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij
heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden
moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik
kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”
»Ga voort, señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige
geduld overheb.”
»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u
gerust,” riep de onbekende met een nauwelijks merkbaren zweem van
spotternij.
»Ik heb haast om het slot te vernemen, señor.”
»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was doña Anita door haar
vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds
lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene
zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”
»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”
»Ja, señor.”
»Zeg hem mij.”
»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden
ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene
eeuwige liefde. Toen doña Anita door haars vaders bevel gedwongen werd
u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar
zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er
haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben
gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk
te verbreken.”
De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden
de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar
den onbekende.
»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de
Rancho....”
»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja,
señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.
»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf
met minachting.
»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld
ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne
hand was, u niet heeft gedood.”
»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij
toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo
ik meen.”
»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda
vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter;
ook daar heeft de verloofde van doña Anita u geen rust gelaten, en
hebben de Apachen u aangevallen.”
»Wat meer?”
»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die
man met de Roodhuiden in verband stond?”
»En wist doña Anita daarvan?”
»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”
»O!”
»Het was fijn gespeeld, niet waar?”
De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit
te varen.
»En gij weet door wie doña Anita is opgelicht?”
»Dat weet ik.”
»Niet door de Roodhuiden?”
»Neen.”
»Door dien man zeker?”
»Ja, door hem.”
»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”
»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”
»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”
»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”
»Is zijne dochter bij hem?”
»Neen.”
»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”
»Gij gist als een waarzegger.”
»En weet gij waar zij thans zijn?”
»Dat weet ik.”
Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem
met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool
op de borst.
»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij
zeggen waar zij zijn.”
»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan
gerust uw gang, caballero.”
Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met
iedere hand een pistool op de borst.
Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar
onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere
gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn
gordel.
»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”
»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen
bedaard naast zich op de tafel legde.
»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen
gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene
dienst wil bewijzen.”
De onbekende boog toestemmend.
»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”
»Wat begrijpt gij niet?”
»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”
»Dood eenvoudig.”
»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”
»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”
»Ja.”
»Ik ben het die u op den grond wierp.”
»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.
»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou
meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en
van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een
goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”
»Zeer goed.”
»Dus verstaan wij elkander nu?”
»Dat denk ik wel.”
»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”
»Nog eene vraag.”
»Toegestaan.”
»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”
»Ik! Welke?”
»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”
»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts
cliënten.”
»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”
»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer
schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero,
iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn
voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik
kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”
De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge
theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij
deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles
anders niet zeer gevoelig was.
»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”
De lepero glimlachte.
»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het
geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik
inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”
»Dat wil zeggen?”....
»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”
»Goed.”
»En duur te verkoopen.”
»Goed.”
»Heel duur.”
»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”