De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de

veertig peons vereenigd, trokken dadelijk de rivier over en verscholen

zich in hinderlaag achter de wortelboomen op den anderen oever, gereed

om op het eerste signaal te voorschijn te komen.

Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen

werden ter verdediging bij de landengte gelaten, aan welke zijde men

het minste gevaar van aanval vreesde: al de overige kolonisten

verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda, met bevel

om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles

geregeld en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de

graaf de Lhorailles en zijne kameraden met kloppende harten den storm

der Apachen af.

Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien

hoe de Zwarte-Beer zou ontvangen worden.

Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit

uitgelezen strijders. De schok der bestorming was vreeselijk; de

Roodhuiden gaven geen duim breed kamp.

Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval

terug, en streden met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de

Franschen, die ondanks hunne dapperheid, krijgstucht en de meerdere

voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in staat waren om hen te doen

wijken.

De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep

elkander aan met blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp

of kwartier te geven. Goedsmoeds begreep nu dat het tijd werd om een

beslissenden slag te wagen, ten einde het met die duivels uit te maken,

die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich tot Louis,

die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in.

De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede

vocht, en liep hard weg.

Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der

Comanchen en vielen laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen

aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende strijdbijl als tijgers op de

Apachen aan.

In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp

kwamen, hij beschouwde dus de kolonie zoo goed als genomen en in de

macht zijner bondgenooten; maar weldra had hij zijne dwaling ingezien,

en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er ontstond verwarring

in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven zij den

storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom

en lieten meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter.

De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen

schroot achterna te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de

hinderlaag zouden ontsnappen die hen op den terugweg den pas moest

afsnijden.

Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het

kleingeweervuur der peons, vermengd met den oorlogskreet der Comanchen.

In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur

de bloem zijner vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf,

met wonden overdekt en slechts van een tiental der zijnen vergezeld,

ontkwam te nauwernood aan de slachting.

De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk

wapenfeit, was de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der

Roodhuiden beveiligd.

Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor

ontstane verwarring had opgehouden, miste men don Sylva en zijne

dochter, en zocht men hen overal te vergeefs; beiden waren spoorloos

verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen. Dit

geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de

kolonie in beweging en deed de vreugde der overwinning in rouw

verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde allen:

»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.”

Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich

gedwongen zag te erkennen, dat de haciendero en zijne dochter inderdaad

verdwenen waren zonder het minste spoor achter te laten, ontstak hij

met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede tegen de Apachen,

en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten en

ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat

hij reeds als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen

slag de schitterende toekomst vernietigde die hij zich gedroomd had.

XVI.

DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.

In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden,

toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder

bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken,

naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk

van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo

vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu

en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en

ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis

immer te zullen bereiken.

Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel

eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij

geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en

dorpen.

Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze

steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is,

wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend

mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen

reiziger die trots tallooze gevaren het waagt deze afgelegen streken te

bezoeken.

Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die,

welke bekend onder den naam van de Casa Grande de Montecuzoma zich op

ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der Rio Gila

verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der

vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.

De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en

vlak.

De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts

meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het

terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen,

kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met

verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en

rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen

dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond

werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze

streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel

onbekend is.

De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der

vier hoofdstreken van het kompas.

Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook

andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn

overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene

verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.

De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien

kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt

drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige

betimmering is sedert lang verdwenen.

De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de

overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige

ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.

Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el

hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen,

naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang

te begroeten.

Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de

rivier en diende om de stad van water te voorzien.

De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en

bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand

weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en

strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels,

gieren en urubus.

De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken,

afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden

van weet te geven.

Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch

krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig

hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van

den vierden op den vijfden der zoogenaamde

Champasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door

ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware,

hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem

dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in

dien nacht te zien kreeg.

Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met

sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken

koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en

scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne

vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht,

terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang,

geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door

het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne

nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle

richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de

bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere

gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier

en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende

ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk

voor de poorten van den ringmuur op post stonden.

Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles

stilte en duisternis.

Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee

derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na

het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een

sombere vuurbaak in de duisternis.

Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen

galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.

De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne

door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen

hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruisch

vandaan kwam.

Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de

ruïne leidde.

De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed

recht op het huis aan.

Hij overschreed den buitensten kring der bouwvallen en ongeveer binnen

tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp

de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op

te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die

altijd stom en roerloos stonden.

Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al

de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl

een ruwe stem riep:

»Halt!”

De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.

»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.

»Ik ben een costeno [18]; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te

zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.

In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk

de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel

onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel

had gewikkeld.

»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne

pogingen vruchteloos bleven.

»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus

weinig baten.”

»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat

goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den

kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het

souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een

onbekende te spreken.”

»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor

eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”

»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel

zettende.

»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman

te herkennen.”

»Ik heb de eer het te zijn.”

De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te

hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.

»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele

kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”

»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”

»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen

ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij

kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad heb om de gevaren

van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige

oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het

gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig

beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen

bereiken?”

De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd

hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenige seconden beraad

antwoordde hij hoofdschuddend:

»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne

mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u

verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te

kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf

naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem

regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”

»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”

»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij;

daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren,

dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch

zijn naam te zeggen.”

»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”

»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”

»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden

heb.”

»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”

»’t Is uitmuntend,”

»Zooveel te beter! spreek op.”

»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te

Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te

spreken.”

»Wat zegt gij?”

»Hebt gij mij niet verstaan?”

»Integendeel, al te goed.”

»Welnu, waar wacht gij dan op?”

»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve

voldoende.”

»Zoudt gij dat denken?”

»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei,

ei! waart gij dat?”

»Ja, ik, en nog iemand.”

»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”

»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”

»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”

»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan

wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting

niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”

»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en daar gij

een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk

een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar

wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”

»Ik ben er zeker van.”

»Ik mag het lijden.”

De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis

in.

Hij bleef vrij lang weg.

De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te

twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de

deur reeds.

Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.

»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”

»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”

»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”

»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk

soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”

»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.

»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen

wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”

De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen

en volgde den eerlijken soldaat.

In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te

storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten

vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom

eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van

alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.

Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn

staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude

capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.

De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf

dagen in de Casa Grande van Montecuzoma.

Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van

zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende

het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht,

onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang

van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of

meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper

hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo

geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun

eigen grondgebied aantast.

De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd,

waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om zijn meester en

diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de

getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige

mannen bedroeg.

Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had

de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou

hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar

vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem

onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee

vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde

schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere

redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis

noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken

werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.

Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons

vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannen costenos, dat is

kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het

zoogenoemde terra a dentro of binnenland.

Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli

vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.

De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie

eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald,

overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik

kwamen in de pan gehakt.

De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren

schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der

Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen

ophangen.

Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de

Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den

Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan

te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast

scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn

gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.

Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te

kunnen ontdekken.

Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk

begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht

honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een

niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel

onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde

snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in

vliegenden galop op de Casa Grande af.

Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen

barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen der aanstormende

kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok

voor de Franschen vreeselijk zou zijn.

In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende

veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en

nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepen

beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange

bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog

in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen,

inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van

krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen

vervaren.

De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij

schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden

aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom

hen nederkletterden.

Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote

schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij

onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.

Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te

onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die

er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst

geleden nederlagen wraak te nemen door zich van de Casa Grande meester

te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche

grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat

niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen

wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. De bolas perdidas [19],

de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit

gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna

twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich

liever dooden dan een duimbreed te wijken.

In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen

wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te

verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter

zich op eens den kreet hoorden opgaan:

»Verraad! verraad!”

De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers

en peons vochten als leeuwen, keken om.

Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich

letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een

vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden

naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte,

hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.

De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan

was onmiddellijk vastgesteld.

Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd

der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het

gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den

graaf had afgesproken.

Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een

vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den

dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte

en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.

De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door

deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.

Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op

order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op

de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen

verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten

wat hun in den weg kwam.

De graaf de Lhorailles · 第 16 / 26 段