»Evenmin,” hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot
op goeden afstand van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het
vuur daar niet komen kan; het is slechts een krijgslist der Indianen,
om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte te doen blijken.”
»Ik ben het toch met den caballero eens,” zei de capataz, »dat het niet
kwaad zou zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.”
»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,” zei
don Louis, »wij moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig
te weten wie onze vijanden zijn en hoe sterk hun aantal is.”
»Beiden kan evenzeer geschieden,” hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven
omstandigheden zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze,
dat de Arendskop den vijand zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de
hacienda zullen begeven.”
»Wij allen?” vroeg de capataz.
»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms
wierden aangevallen, goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan
alleen naar de kolonie en gij, onthoud dit wel, moogt u volstrekt niet
vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder geval wacht gij
onze bevelen af: is dit afgesproken?”
»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur
stellen.”
»Goed, thans aan ’t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij
kunt ons op de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden
hebt.”
Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te
handelen zonder den kostelijken tijd met nuttelooze woorden te
verspillen, gingen zij na korte afspraak uiteen, don Louis en
Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan
insgelijks, maar in tegenovergestelde richting.
Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter.
Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij
ondervinding had leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van
nu af aan op hem rustte en gevoelde hij dat het noodig was zijne
waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle punten
schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op
alles wat aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur
terug, wikkelde zich in zijne fressada en sliep gerust in, daar hij
zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad terstond zouden
wekken.
Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje
verlaten om den Arendskop te volgen.
De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede
belast hadden, was alles behalve gemakkelijk; maar de Arendskop was een
man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en begaafd
met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden
schier de hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden
afscheid te hebben genomen, reed hij met zijn paard stapvoets naar de
rivier en eer hij het punt bereikte waar hij haar wilde overgaan, had
hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd.
In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen
achter hun vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden
kant. Nauwelijks was hij er over of hij steeg af om zijn paard eenige
minuten te laten uithijgen, wreef het zorgvuldig met een stroowisch af,
zette zich met een enkelen sprong op het pantervel, dat hem tot zadel
diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk
kamp.
Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang
gedaald en het onzekere schijnsel van den brand strekte hem tot baken
om hem in de duisternis het rechte spoor te wijzen.
Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het
meest vooruitspringende punt des eilands, waar de Apachen juist bezig
waren met de drijvende boomstammen te vergaderen, om als
vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de
kolonie in den zin hadden.
De Arendskop bleef staan.
Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de
prairiebrand aan den gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en
duisternis.
Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel
waarschuwde hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was.
Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog
eenige passen verder te gaan, om dan opnieuw de rivier over te steken,
ten einde het eiland te onderzoeken, dat hem wegens zijne bijzondere
kalmte des te meer verdacht voorkwam.
Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte
bij hem op; hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas,
ontdeed zich van zijn geweer en zijn mantel; en na een doordringenden
blik in de hem omringende duisternis, ging hij op den grond liggen en
kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier: hij liet er
zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens
onderduikend en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra
bereikte.
Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich
op te richten hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij
dicht in zijne nabijheid eene beweging in het water te bespeuren; hij
dook opnieuw onder en verwijderde zich van den oever, dien hij reeds op
het punt was te beklimmen.
Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te
scheppen, zag hij vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op
hetzelfde oogenblik ontving hij een hevigen slag op de borst, die hem
deed omkantelen en ofschoon half door dezen onverhoedschen aanval
bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een ijzeren
nijptang de keel toekneep.
Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij
zonder eene wanhopige poging verloren was; hij waagde die poging.
Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met
de kracht der wanhoop.
Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en
noodlottige worsteling, waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde
te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud of bepaalde zelfverdediging
te denken. Het water door de felle beweging der beide worstelaars
geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan
’t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam
boven water dat bewegingsloos wegdreef; en weinige seconden later
vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat
door de vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen,
bijna onmenschelijk scheen en naar alle zijden schuw rondkeek.
Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een
duivelschen lach; zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte
het, niet naar het eiland maar naar de vaste kust.
De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had
aangerand.
De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet
los voor dat hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed
hij het gezwind den haarschedel af, hechtte dien als een afschuwelijke
trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard.
Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke
hij bijna het slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt
dien zij in den zin hadden. Hij behoefde dus zijn onderzoek op het
eiland niet verder door te zetten. Wat het lijk van zijn vijand
betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig
door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid
van een spion verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het
naar den anderen oever te brengen, waar niemand het, althans niet dan
bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat de zon was opgekomen.
De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg
geweest om het al zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar
zijne vrienden kunnen terugkeeren, want hetgeen hij ontdekt had was
voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem vooral opgedragen
om de getalsterkte en samenstelling van het vijandelijk detachement te
verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last zou de Indiaan
voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane
strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in
zekere mate opgewonden, zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het
uiterste te wagen.
Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar
oregonbladeren, bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef
toen zijn paard andermaal de rivier in.
Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt
wilde worden, droeg hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren
afstand van het eiland te doen.
Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was
het spoor breed genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het
ondanks de duisternis zonder moeite kon volgen.
De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet
zooveel verwoesting aangericht als elders. Het geheele terrein was
hier, met uitzondering van enkele verspreide groepjes populierboomen,
met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide
prairiegras bedekt.
Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de
Indianen liefst verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den
grond bijna niet verhit, zoodat zij er dadelijk over konden marcheeren
naar de kolonie.
Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren
die de Indianen met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij
bijna gelijktijdig met hen aan de hacienda; hij haalde hen juist in op
het oogenblik toen zij, na een nutteloozen aanval op de batterij aan de
landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in allerijl de
vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des
te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting
geen boomen meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het
hun, dank zij de vlugheid hunner paarden, voor het grootste gedeelte
gelukt aan de slachting te ontkomen. De Arendskop bevond zich zonder
het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens te midden der
vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud
bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan
gebruik om ter zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar
hij zich schuil hield.
Thans echter had er iets zonderlings plaats. Nauwelijks had de sachem
zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in
stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne
lippen; op eens gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden,
onder het aanheffen van een doordringenden, tweemaal op verschillende
wijze herhaalden rauwen kreet.
Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht,
snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig
rondom het opperhoofd met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en
lijdelijke gehoorzaamheid.
De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de
menigte die zich rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven
uitstak.
»Ooah!” riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt:
»zijn de Comanchen dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als
Apachenhonden vluchten voor de kogels der bleekhuiden?”
»De Arendskop! de Arendskop!” riepen al de krijgslieden uit éénen mond
met gemengde blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen
voor den vlammenden blik van hun opperhoofd.
»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de
jachtgronden der Rio del Norte verlaten? Zijn zij dan de rastrero’s
(speurhonden) der Apachen geworden?”
Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt.
»Een sachem heeft gesproken,” hervatte de Arendskop streng, »is hier
niemand om hem te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen
opperhoofden die hun voorgaan en bevelen geven?”
Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen.
Een enkele ruiter kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte
eene eerbiedige buiging met het voorhoofd tot op den hals van zijn
paard.
»De Spotvogel is een opperhoofd,” antwoordde hij met eene zachte en
welluidende stem.
Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken
verloren oogenblikkelijk hunne woeste uitdrukking, hij wierp den
jeugdigen krijgsman die voor hem stond een minzamen blik toe en strekte
de hand naar hem uit met de palm naar voren.
»Och!” zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de
Spotvogel: De krijgslieden zullen hier kampeeren terwijl de twee
sachems samen raad houden.”
En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen.
Zij gingen samen heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten
om het bevel dat zoo stellig gegeven was uit te voeren.
De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand
van het kamp, om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden.
»Laten wij hier raad houden,” zei het opperhoofd terwijl hij op een
heuveltje ging zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem
plaats te nemen.
De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak.
Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die
ondanks hunne geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen.
Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene
nadrukkelijke stem:
»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,” zeide hij, »hij
is de eerste sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en
beschermende schaduw van zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare
zonen van den grooten geheiligden schildpad Chemin-Antou, wiens
luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man
en de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp.
De woorden die de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een
Sagamore; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen
bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest, hij was het
die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de
pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te
verstikken. De Arendskop bemint den Spotvogel, die de zoon is van de
zuster zijner derde vrouw; de Arendskop heeft den Spotvogel eene plaats
bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem tot sachem gemaakt,
en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem gezegd:
»Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht,
ter vischvangst en ten oorlog voeren.” Zijn deze woorden waarheid? en
kan de Arendskop liegen?”
»De woorden van mijn vader zijn waarheid,” antwoordde de jonge sachem
met een eerbiedige buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.”
»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk
verbonden om de vrienden van zijn vader den grooten sachem te
bestrijden?”
De Spotvogel neigde verlegen het hoofd.
»Waarom?” vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader
te raadplegen, die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft,
een onrechtvaardigen oorlog ondernomen?”
»Een onrechtvaardigen oorlog,” herhaalde het jonge opperhoofd min of
meer gevoelig.
»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons
volk.”
»De Apachen zijn Roodhuiden.”
»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de
leugensprekende tong zal uitrukken.”
»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!”
»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn
geen Yoris; het zijn vrienden van den Arendskop.”
»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet
geweten.”
»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk
voornemens zijn om den door hem beganen misslag te herstellen?”
»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de
Arendskop is gekomen; zij zijn tot zijnen dienst.”
»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met
welk opperhoofd heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de
Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken vijand der Comanchen die
nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft verbrand.”
»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen
de blanken heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij
heeft zich werkelijk aan den Zwarte-Beer verbonden.”
»Ooah! de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner
vaderen wenschte terug te keeren. Zal mijn zoon den sachem
gehoorzamen?”
»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.”
»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.”
De beide opperhoofden stonden op.
De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met
de rechterhand zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede,
terwijl de Spotvogel eenige passen achter hem volgde.
De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met
de Yoris gingen vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings
te gehoorzamen in alles wat deze hun geliefden te bevelen, toonden zij
zich over dit bedrijf geenszins gebelgd, al begrepen zij er het doel
niet van.
De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in
het heldere maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk
onderscheiden en lieten hen vrijelijk tot aan den rand der gracht
naderen.
»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der
bleekgezichten,” riep de Arendskop.
»Goed,” antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men
zal het opperhoofd waarschuwen.”
De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op
de borst en bleven staan wachten.
De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die,
zooals wij weten, rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus
eenige uren vroeger aankwamen, hadden daar met don Sylva de Torres en
den graaf de Lhorailles reeds een langdurig gesprek gehad, waarin zij
hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten waren gekomen
dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde man
die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin
gedwongen te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen,
welke hun volstrekt niet aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige
reden eensklaps verlaten had, onder het nietige voorwendsel dat hij
even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste
zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten.
Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk gemaakt;
vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die
persoon niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op
het vermoeden dat de Tigrero zeker plan had gevormd om van de
verwarring gebruik te maken en doña Anita op te lichten. De haciendero
wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets van dezen argwaan doen
blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op het juiste
oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast
vertrek van don Martial een krijgslist verscholen lag.
Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en
zijne peons had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich
genomen, waarvan hij waarschijnlijk den uitslag weldra aan de hacienda
zelf zou komen melden.
De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen,
die zonder hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen;
hij liet hun terstond de noodige ververschingen voorzetten, en
verwijderde zich om aan zijn luitenant order te geven hem te
waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden.
Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter
gerust te stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de
waakzaamheid der wachtposten aan de achterzijde der hacienda te
overtuigen.
Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden,
waren de Franschen dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting
zoo warm ontvangen, dat zij reeds bij den eersten stoot genoeg hadden
en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met groot verlies en in
wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig hoofdstuk
beschreven hebben.
De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten
over de bijzonderheden van het gevecht en verwonderde zich over het
lang uitblijven van don Sylva, die sedert een uur reeds verdwenen was,
zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux de zaal
binnentrad.
»Wat wilt gij?” vroeg hem de graaf.
»Kapitein,” antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal,
met verzoek om binnengelaten te worden.”
»Twee?” riep Goedsmoeds.
»Ja, twee.”
»Dat is vreemd,” zei de Canadees.
»Hoe zouden wij doen?” vroeg de graaf.
»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.”
Zij gingen terstond naar de batterij.
»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,” zei de graaf.
»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de
Arendskop; maar den andere ken ik niet.”
»En wat denkt gij er van?”
»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een
opperhoofd schijnt te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets
anders zijn dan een vriend.”
»Goed dan.”
De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee
Indianen kwamen binnen.
De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die
hun ras en hun rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds,
deed de Arendskop verslag van zijne volbrachte taak.
De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen
wegens de behendigheid waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens
zijn daarbij betoonden moed.
»Intusschen,” vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel
den misslag erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten
vervoeren; hij heeft het verbond dat hij met de Apachen gesloten had
reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te volgen, en zijne fout
weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord is als
graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking
van zijn blanken broeder.”
De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de
listige streken der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te
vertrouwen.
Goedsmoeds haalde even de schouders op.
»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,”
zeide hij, »hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal
steeds open en zijn hart rein zijn voor de Comanchen. Het
oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt zal in twee
afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den
Spotvogel, zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om
de Apachen den aftocht af te snijden, de andere gaat met den Arendskop
naar de hacienda om de bleekgezichten te ondersteunen; op het eiland,
op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn gewapende Yoris
verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.”
»Goed,” antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn
broeder verlangt.”
De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken.
Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem
der Comanchen getroffen had.
»Duivelsch!” riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die
Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad
hun geliefkoosd wapen.”
»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik
neem de verantwoordelijkheid van alles op mij.”
»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd om uwe
plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel
zoekt.”
Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in
het verdedigingsplan was gekomen.