Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de

hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van

niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had

het toeval hem doña Anita doen aantreffen en daar door was zijn sedert

lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de

veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die

zijn droom zou verwezenlijken.

Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder

op doña Anita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te

bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden

zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.

Ware doña Anita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar

meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij

moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar

eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn

Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een

dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was

hare kleur.

De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van

het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de

borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op

het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den

Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.

»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij,

»en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar

behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken;

wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”

»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de

Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”

De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:

»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten,

wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op

de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd;

de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst

uitblaast.”

De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:

»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten!

Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen

zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels

aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne

vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”

De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.

»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen

zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode

boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der

bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer

vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en

de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den

Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”

De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.

Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een

vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan

met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en

bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de

oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder

steeds uitgebreider en duidelijker werd.

Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op

korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom

te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan

alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij

het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en

tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald

oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie

zouden losgaan.

De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige

krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo

sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk

wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te

voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die

reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem

zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den

noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.

De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de

schemering nauwelijks eenige seconden duurt; weldra was het volkomen

duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode

streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog

gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven,

terwijl hunne galoppeerende paarden de nauwelijks uitgedoofde en

bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.

Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen

was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur

van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong

stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.

Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om

de hun opgelegde taak te beginnen.

Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en

met het oorlogsschild op den rug.

Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort

van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:

»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te

bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn;

maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan

het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij

zullen overwinnaars zijn.”

»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen

mond.

»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de

Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote

Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu,

mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier

en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor

zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”

De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het

opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen

bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een

aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een

laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf

de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de

anderen volgden terstond zijn voorbeeld.

De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van

het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op

namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang

kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den

stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te

landen.

Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige

moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de

ondernemers.

De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen

te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren

en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke

positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der

grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier

van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die er

op zaten telkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans

te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;

voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven,

wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in

plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven.

Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder

het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels

zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze

weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest

laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op

stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche

breedte besloeg.

De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven

zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede

voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste

vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden

zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan

land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder

aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem

aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.

Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver

achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het

punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t

gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats

waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en

somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die

zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik

gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens

eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom

vastgemaakt op den stroom zag schommelen.

Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden

Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den

nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan

den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van

kloeke besluiten die niet licht verlegen werd en in alle voorkomende

zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem

liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den

Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede

orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het

opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.

Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand

aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de

borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.

Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik

kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was,

eer hij nog wist wat hem overkwam.

»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat

maakt mijn broeder daar?”

Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht

te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.

»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”

»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich

zeker op de rivier begeven.”

»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik

ben bang voor den brand.”

»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders

niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de

Groote-Bison?”

»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet

van wien gij spreekt.”

»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem,

»waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”

»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”

»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal

van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”

»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch

gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik

niet ken.”

»Ooah! kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde

verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee

dagen geleden bij hem was?”

»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien

ken ik wel.”

»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste,

waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”

»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero

spottenderwijs.

»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet

antwoorden wil, zal ik hem dooden.”

Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar

was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te

geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf,

hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus

oogenblikkelijk op.

»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

»De waarheid.”

»Vraag dan.”

»Zal mijn broeder antwoorden?”

»Ja.”

»Goed, waar is de Groote-Bison?”

»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richting der hacienda

uitstak.

»Sedert lang?”

»Sedert een uur reeds.”

»Om welke reden is hij daar?”

»Dat kunt gij licht raden.”

»Ja. Zijn zij daar samen?”

»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”

»Ooah! En wanneer moet hij terugkomen?”

»Dat weet ik niet.”

»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”

»Neen.”

»Zou hij alleen terugkomen?”

»Dat weet ik niet.”

De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn

hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had

eerlijk gezegd alles wat hij wist.

»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de

Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij

hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”

»Dat heeft hij.”

»En welk is dat signaal?”

Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos

zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken

niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.

Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als

lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst

samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen

gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en

gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het

oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en

grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een

woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek

die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het leven of de

belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem

zouden redden.

Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der

Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee

duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste

vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek

te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van

zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat

misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of

meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen

vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten

beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar,

koudbloedig en lillend ingewand.

»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.

»Ja,” antwoordde de Apache.

Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na

van een waterhoen.

»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”

»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien

niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.

De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand,

wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.

Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde

hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje

zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het

water geraakten.

Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als

een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de

richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.

Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minste even zoo goed

als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig

gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op

het spoor.

Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en

behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den

blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind

gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde,

zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te

snijden.

Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd

langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden,

zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en

wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.

De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich

volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.

»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder

is een krijgsman, hij is zoo listig als een opossum.”

»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik

toch mijne haren niet kan redden.”

»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de

Groote-Bison is.”

»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”

»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut

der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”

»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”

»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt,

zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij

goedvindt.”

»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.

»Hoe is ’t?” hervatte de Zwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”

»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik

heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was;

nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder

voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u

met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar

ginds, op dat vooruitspringend punt?”

»Ja, die zie ik.”

»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den

Groote-Bison noemt.”

»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het

bleekgezicht zal vrij zijn.”

»Dank u.”

Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling

afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden

de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten

thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste

stammen vereenigd.

Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou

gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.

Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende

er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu

aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den

stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den

hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.

De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden

zich stil.

Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen oever

opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag

of hoorde niets; daardoor gerustgesteld, keerde hij naar den oever

terug en gaf het sein voor de landing.

De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte

zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk

doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.

Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij

met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en

stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel

tegen opklauterden.

»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.

Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.

De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door

degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank

geweer.

XV.

SCHERP TEGEN SCHERP.

Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang

uit het oog hebben verloren, want gedurende de boven door ons vermelde

gebeurtenissen hadden ook zij, zoo veel noodig en doenlijk was, niet

stil gezeten.

Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden

eene poos stilzwijgend te peinzen.

De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de

halfgedoofde houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op

den grond waren gerold; werkelijk wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo

diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don

Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin, even

afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen

en weder aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel

gewikkeld, rookte deftig zijn calumet, met het kalme en onverstoorde

gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder kenmerkt.

»Wat er ook van wezen mag,” zei de Canadees op eens, meer in antwoord

op de gedachten die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het

gesprek weder aan te knoopen, »het gedrag dezer twee mannen komt mij

zeer buitengewoon voor, om er niets anders van te zeggen.”

»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?” vroeg don Louis

opkijkende.

»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,” zei Goedsmoeds

beslissend, »vooral wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig

heeft opgedaan.”

»Die Tigrero, of don Martial—zooals ik meen dat hij heet—ziet er toch

te rond en oprecht uit, om een verrader te zijn.”

»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij

hem ontmoetten vrij zonderling geweest is.”

»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht

een mensch soms verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.”

»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in

die gansche zaak, die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat,

en daar wij ons met verzuim onzer eigen bezigheden in begeven hebben

alleen om hem een dienst te bewijzen, zich steeds heeft teruggetrokken,

alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.”

Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand

en derwijze geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht

stonden, terug en ging nevens de jagers bij het vuur zitten.

»Ziedaar,” zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons

aanvallen als zij het goedvinden.”

»Een woordje, capataz,” zei Goedsmoeds.

»Twee zelfs zoo het u behaagt.”

»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?”

»Waarom vraagt gij dat?”

»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.”

»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen

kan is, dat hij in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat,

en men hem algemeen voor een caballero en fatsoenlijk edelman houdt.”

»Dat is zeker veel,” mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat

al, ik weet niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer

ongerust.”

»Ooah!” riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit

zijn mond nam, het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te

houden.

Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht.

»Wat gebeurt er?” vroeg Goedsmoeds eindelijk.

»Er is brand!” antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de

prairie voor zich uit in brand gestoken.”

»Wat zegt gij?” riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten

rondziende, »ik zie nog niets dat naar vuur gelijkt.”

»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.”

»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van

zoo veel ondervinding bedriegt zich niet; wat nu gedaan?”

»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,” merkte de capataz

aan.

De graaf de Lhorailles · 第 14 / 26 段