Sedert eenige minuten had de wildernis een zonderlinge gedaante

bekomen, zij scheen te ontwaken: geluiden zonder naam rezen op uit de

diepte der bosschen en struiken; dieren van allerlei soort sprongen

verschrikt te voorschijn en snelden de avonturiers voorbij zonder hen

te zien; de vogels uit hun eersten slaap opgewekt, vlogen op onder

scherp krijschend geschreeuw en verhieven zich hoog in de lucht; op de

rivier zag men de schimmen der wilde dieren, die haar met drift

overzwommen om den anderen oever te bereiken. Ongetwijfeld ging er iets

buitengewoons om in de prairiën.

Van tijd tot tijd hoorde men in de verte geknetter en gekraak, gevolgd

door een dof geloei als van een opkomenden vloed, dat van oogenblik tot

oogenblik duidelijker werd.

Aan den uitersten horizont vertoonde zich een breede roode band, die

zich van minuut tot minuut uitbreidde, en het landschap kleurde met een

glans van purper en goud en er een fantastisch voorkomen aan leende,

omtrent als een toovertooneel met bengaalsche vuren.

Reeds tweemaal waren er verbazende rookwolken, hier en daar met vonken

besprenkeld, als rollende bergen over hunne hoofden voorbijgedreven.

»Zeg, wat zou dat zijn?” riep de lepero; »zie toch onze paarden eens,

don Martial.”

Werkelijk stonden de edele dieren, met gerekte halzen en gestreken

ooren, te hijgen van angst en te stampvoeten als zochten zij hunne

meesters te ontsnappen.

»Wat hun schort, caspita!” antwoordde de Tigrero bedaard, »zij ruiken

den brand, anders niets.”

»Hoedat den brand! denkt gij dan dat er brand is in de prairie?”

»Ik denk het niet, maar ik weet het zeker, het hangt alleen van u

zelven af om het te zien, even goed als ik.”

»En wat moet dat beduiden?”

»Niet veel bijzonders, het is maar zoo’n gewone streek van de Indianen,

wij zijn immers in de Maan van Mexico, weet gij dat nog niet?”

»Neem mij niet kwalijk; ik ben geen woudlooper; ik wil u wel zeggen dat

mij dit alles zeer ongerust maakt en dat ik een goed ding zou willen

geven als ik er uit was.”

De lepero gaf alle blijken van angst.

»Gij lijkt wel een kind,” lachte don Martial; »weet gij dan niet dat

het de Indianen zijn, die, om hun aantal te verbergen de prairie in

brand hebben gestoken; zij volgen onmiddellijk op het vuur, zoo

aanstonds zult gij hun oorlogskreet hooren weergalmen; achter dat

gordijn van rook en vlammen, dat gedurig al nader komt, rukken zij op

en zullen zij u weldra van alle kanten omsingelen. Als gij hier blijft,

loopt gij op drieërlei wijze gevaar: hetzij om gebraden, gescalpeerd of

gedood te worden, alle drie zeer onaangename zaken, die u als ik mij

niet vergis maar half moeten bevallen. Geloof mij toch en doe wat ik u

zeg, ga met mij mede; of wilt gij liever gedood worden, zeg het dan

maar ronduit, er zit niets anders op. Hoe is ’t? wilt gij in de rivier

afdalen? het vuur nadert: over drie minuten hebt gij geen tijd meer.

Wat wilt gij?”

»Ik volg u,” antwoordde de lepero met een bedrukte stem; »ik moet

immers wel! Ik was dwaas, of de duivel heeft mij verleid om Guaymas te

verlaten, waar ik zoo gelukkig was, waar ik niets behoefde te doen; en

mij dan hier in zulke voetangels en klemmen te steken! Ik wil u wel

zeggen, als ik er ooit levend afkom, dat het een knap man zal moeten

zijn die mij hier ooit weer ziet.”

»Ba, ba! dat zeggen ze altijd; laten wij ons haasten, de tijd dringt.”

Werkelijk stond de wildernis over een uitgestrektheid van verscheidene

mijlen in brand als de krater van een onmetelijken vulkaan, de vlammen

golfden en rolden voort als de baren der zee; de dikste boomen

wegmaaiend en verdelgend als stroohalmen.

Uit het dikke koperroode rookgordijn dat den brand voorafging, sprongen

nog gedurig gansche troepen wolven, bisons of jaguars te voorschijn, en

stortten zich in de Rio Gila onder angstig gehuil, geloei en gebrul.

Don Martial en de lepero daalden met hunne paarden in de rivier af.

De schrandere dieren, door hun instinct geleid, drongen haastig

voorwaarts naar den anderen oever.

Dit gedeelte van de woestijn maakte wel een zonderling contrast met

hetgeen zij verlaten hadden, dat veel had van een onmetelijk fornuis,

vol onbestemde geluiden, schrik en jammerkreten en noodgeschrei; een

zee van vuur wier grootsche en onverbiddelijke baren alles verzwolgen

en verslonden wat haar in den weg stond; het ging over heuvels en

dalen, rotsen en wildernissen en deed binnen weinige minuten alle

voortbrengsels zoo planten als dieren verschroeien of in rook opgaan of

in asch verstuiven.

De Rio Gila, omstreeks dezen tijd des jaars door de gevallen regens in

de Sierra Madre gezwollen, was dubbel zoo breed als gedurende den

zomer, en uithoofde harer snelheid een gevaarlijke stroom; op het

oogenblik echter dat onze twee avonturiers haar overzwommen, hadden de

menigte dieren die haar in dichte troepen tegelijkertijd zochten te

passeeren hare kracht zoo zeer gebroken, dat zij den overtocht van den

eenen oever naar den anderen in betrekkelijk korten tijd volbrachten.

»Hé!” riep Cuchares op het oogenblik dat de paarden vasten grond onder

de voeten kregen, en tegen den steilen kant opklauterden, »hebt gij mij

niet gezegd, don Martial, dat wij naar de hacienda moesten? dan zijn

wij dunkt mij niet op den rechten weg.”

»Uw dunk is verkeerd, kameraad,” antwoordde don Martial; »onthoud deze

les: als gij in de woestijn reist moet gij altijd doen of gij het doel

ontwijkt dat gij bereiken wilt, anders komt gij er nooit.”

»Dat wil zeggen....?”

»Dat wij vooreerst onze paarden in dit boschje dennen en acajou-ceders

zullen vastmaken, waar zij volkomen veilig zullen zijn en daarna gaan

wij naar de hacienda.”

De Tigrero stapte terstond af, bracht zijn paard onder het lommer der

hooge boomen, nam het den hoofdstel af om het vrij te laten grazen,

deed het de kluisters aan en keerde naar den oever terug.

Cuchares met de kracht der wanhoop gewapend, die in zekere

omstandigheden den schijn aanneemt van waren heldenmoed, had het

voorbeeld van zijn tochtgenoot in allen deele stiptelijk gevolgd. De

eerzame lepero eindelijk besloten hebbende een dapper man te zijn, wel

overtuigd dat hij anders verloren was, gaf zich over aan de luimen van

zijne goede of kwade gesternte met het dwepende optimisme der

mestiezen, die op dit punt voor de oosterlingen niet behoeven onder te

doen.

Wij hebben hierboven reeds te kennen gegeven, dat aan deze zijde der

rivier alles in de diepste rust gedompeld lag; de avonturiers bevonden

zich dus voor alle gevaar beveiligd.

»Hoor eens,” riep de lepero opnieuw, »het rek is een beetje lang van

hier naar de hacienda; ik geloof nooit dat ik zoo ver zal kunnen

zwemmen.”

»Geduld; als gij niet tegen een weinig moeite opziet, zullen wij zonder

twijfel wel een middeltje vinden om ons den weg te bekorten. Ah! wacht,

wat heb ik u gezegd,” riep hij een oogenblik later, hem met den vinger

een kleine prauw aanwijzende, die in een smalle kreek aan een paal vast

lag.

»De kolonisten komen hier vaak visschen,” vervolgde hij, »zij hebben

zoo een aantal prauwen van afstand tot afstand in de biezen verborgen.

Wij zullen deze maar nemen, dan zijn wij binnen weinig minuten waar wij

wezen moeten; kunt gij met de pagaaien omgaan?”

»Ja, als ik niet bang behoef te wezen.”

Don Martial keek hem eenige seconden strak aan en legde hem toen

onzacht de hand op den schouder.

»Hoor eens, vriend Cuchares,” zeide hij op een drogen, bijtenden toon,

»ik heb geen tijd om lang met u te praten, maar ik heb zeer ernstige

redenen om te doen wat ik doe en ik eisch van u volkomen vertrouwen,

zonder aarzeling of argwaan hoe ook genaamd; houd u dus voor

gewaarschuwd. Gij kent mij, op de eerste verdachte beweging die gij

maakt schiet ik u een kogel door den kop als een coyote. Kom, help mij

nu de prauw los maken en wij gaan dadelijk op weg.”

De lepero had het begrepen, hij onderwierp zich. Binnen een paar

minuten was de prauw gereed en de twee mannen er in.

De tocht dien zij te maken hadden om het achtergedeelte der hacienda te

bereiken was niet bijzonder ver, maar met hindernissen bezaaid, en in

vele opzichten gevaarlijk; vooreerst uithoofde van den sterken stroom,

die wat meer zegt, een groot aantal doode boomen medesleepte, de

meesten nog in hun volle gewei van takken en wortels, die half boven

water drijvende, telkens dreigden de zwakke boot omver te werpen;

vervolgens de menigte wilde dieren die uit vrees voor brand de rivier

in dichte troepen overzwommen, zoodat de prauw wanneer zij in zulk eene

als verdwaasd vluchtende manade bezet raakte, ontwijfelbaar zou worden

verpletterd met al wat er in was; een derde gevaar dat de avonturiers

liepen, was nog, dat de schildwachten, die hier en daar in het dichte

hakhout verscholen zaten om de toegangen der kolonie aan den rivierkant

te verdedigen, hun een kogel toezonden.

Dit gevaar was echter niets in vergelijking der andere door ons

opgenoemde, daar het zich liet aanzien dat de Franschen, door het

schijnsel van den naderenden brand opgewekt, al hunne blikken naar het

vaste land zouden richten. Voor het overige meende don Martial zeker te

zijn dat hij van de schildwachts niets te vreezen had, daar men deze

wel zou verwijderd hebben.

Op een wenk van don Martial greep de lepero de pagaaien en zij staken

van wal.

De brand breidde zich snel uit in de richting van het westen en zette

zijne verwoestingen met kracht voort.

De prauw kon slechts langzaam en niet dan met de meeste voorzichtigheid

vorderen, uithoofde van den sterken stroom en de menigte voorwerpen die

de vaart belemmerden.

Bleek als een lijk van angst, met stoppelende haren en van schrik

uitpuilende oogen, hanteerde Cuchares de pagaaien en beval zijne ziel

aan al de heiligen der vergulde legende van Spanje, meer dan ooit

overtuigd dat hij niet goed af zou komen van de onderneming, waarin hij

zich zoo onhandig gestoken had.

Overigens schenen de omstandigheden zoo ernstig, dat zelfs de Tigrero

al zijne onversaagdheid en vooral de opgewondenheid noodig had, waartoe

zijn beoogde doel hem aanvuurde, om niet in den zelfden schrik te

deelen die zijn kameraad bezielde.

Hoe verder zij kwamen, hoe talrijker de hindernissen werden; gedurig

verplicht om de boomen te mijden, die in menigte op den stroom dreven

en hun telkens den doortocht beletten, draaiden zij om zoo te zeggen

als in een cirkel rond, kwamen wel tienmaal op hetzelfde punt terug en

moesten schier aan alle kanten tegelijk acht geven, om niet omgeworpen

te worden of door een warnet van onzichtbare of zichtbare wortels en

takken te worden medegesleept.

Zoo hadden zij reeds bijna twee uren met de grootste inspanning

gevaren, en naderden zij eindelijk van lieverlede de hacienda, die zich

als eene donkere massa tegen den helderen sterrenhemel afteekende.

Plotseling klonk er een vervaarlijke kreet uit eenige honderd woeste

kelen door de nachtelijke ruimte, onmiddellijk gevolgd door een

donderende losbranding van grof geschut en klein geweer.

»Santa Virgo!” riep Cuchares terwijl hij de pagaaien losliet en de

handen samenvouwde, »wij zijn verloren.”

»Carai!” zei de Tigrero, »integendeel, nu zijn wij behouden, de

Indianen bestormen de kolonie, al de Franschen zijn dus op de wallen en

niemand denkt meer aan ons. Wakker op! jongen, nog een paar riemslagen

en wij zijn er.”

»God geeft dat gij waarheid spreekt!” mompelde de lepero en hij begon

weder te pagaaien, al was het ook met bevende hand.

»Caramba! dat schijnt daar een ernstige aanval,” vervolgde de Tigrero.

»Des te beter! hoe meer ze daar ginder vechten, hoe minder men hier op

ons zal letten; maken wij intusschen voort.”

Aan de zijde der landengte hoorde men het rumoer van den strijd, die

met ieder oogenblik heviger scheen te worden.

De twee avonturiers, in de schaduw onzichtbaar, pagaaiden stil voort en

naderden meer en meer de hacienda.

Don Martial wierp een bespiedenden blik in het rond; aan dit gedeelte

van den oever, ofschoon nauwelijks een half pistoolschot ver van de

hacienda, was alles doodstil en roerloos. Niets deed vermoeden dat men

hen bemerkt had.

De Tigrero bukte naar zijn kameraad.

»Houd op,” zeide hij zacht, »wij zijn aan.”

»Hoedat! aan?” herhaalde de lepero met een ontsteld gezicht, »wij zijn

nog veraf.”

»Neen; op de plaats waar wij thans zijn hebt gij hoegenaamd niets te

vreezen; blijf hier in de prauw, leg haar vast aan een boomstam in de

nabijheid, om hier op mij te wachten.”

»En gij dan?”

»Ik? ik ga weg en laat u voor een paar uren alleen; houd vooral goed de

wacht. Als gij iets bijzonders bespeurt, waarschuw mij dan door

tweemaal op verschillende wijze te roepen als een waterhoen; hebt gij

mij begrepen?”

»Opperbest. Maar als ons eens onmiddellijk gevaar dreigde, wat moet ik

dan doen?”

De Tigrero bedacht zich een oogenblik.

»Welk gevaar zou u hier kunnen dreigen?” vroeg hij toen.

»Dat weet ik niet,” zei Cuchares, »maar de Indianen zijn zulke

kwaadaardige duivels; met hen moet men op alles bedacht zijn.”

»Gij hebt gelijk. Welnu, als u eenig ernstig gevaar mocht bedreigen,

maar alleen in dat enkele geval, hoor! moet gij nadat gij een signaal

hebt gegeven, de prauw voortstuwen naar dat punt dat gij van hier zien

kunt; die wortelboomen daar ginds bedoel ik: daar tusschen zijt gij

volkomen beschut en daar kom ik onmiddellijk bij u.”

»Goed, dat is afgesproken; maar dan, hoe zal ik weten waar ik u vinden

moet.”

»Ik zal tweemaal het geluid van den prairiehond nabootsen. Pas nu op,

en wees voorzichtig.”

»Gij kunt op mij rekenen.”

De Tigrero ontdeed zich van de kleederen die hem hadden kunnen

belemmeren, zooals zijn zarape, en zijne botas vaqueras, en hield niet

anders aan dan zijn broek en vest, stak zijn mes in zijn gordel, hing

zijne pistolen, zijne buks en zijn patroontasch om, en bootste op eene

bedriegelijke wijze het gefluit van den maukawis na. Weldra klonk

hetzelfde geluid van den oever; en de Tigrero, na zijn kameraad voor de

laatste maal waakzaamheid te hebben aanbevolen, nam zijne wapens

zorgvuldig op zijn hoofd en liet zich zacht in het water glijden. De

lepero zag hem weldra rustig en met kracht wegzwemmen, koers houdende

naar de hacienda; maar allengs begon de Tigrero in de verte te

verdwijnen tot hij eindelijk in de schaduw van den oever onzichtbaar

werd.

Zoodra Cuchares alleen was, bekeek hij, zonder bepaald te weten waarom,

zorgvuldig zijne wapens om te zien of ze wel goed in orde waren en deed

nieuw kruit op de pan, ten einde gereed te zijn en niet weerloos

overrompeld te worden; vervolgens gerustgesteld door de kalmte die in

den omtrek bleef heerschen ging hij ondanks de waarschuwing van den

Tigrero op den bodem der prauw liggen en schikte zich om te slapen.

Het rumoer van den strijd was langzamerhand verminderd en had eindelijk

geheel opgehouden, men hoorde niet meer schreeuwen noch schieten; de

Indianen, door de kolonisten teruggeslagen, hadden van hun aanval

afgezien. Ook de brand in de prairie was merkelijk verflauwd, kortom,

de woestijn scheen tot hare gewone stilte en eenzaamheid teruggekeerd.

De lepero lag op zijn rug op den bodem der prauw en keek naar de

heldere sterren, die in het blauwe hemelruim schitterden en fonkelden.

Zacht wiegelend op den schommelenden stroom gaf hij zich over aan

onbezorgde droomen, en sloot nu en dan de oogen; eindelijk kwam hij op

het geheimzinnige punt dat geen waken noch slapen meer heeten mag, en

zou hij waarschijnlijk spoedig zijn ingedommeld, zoo hij niet even

voordat hij bepaald de oogen zou sluiten, gewetenshalve zijn reeds door

slaap benevelden blik voor het laatst had rondgeslagen—wat zag hij? hij

ontroerde er van, zou bijna een schreeuw hebben gegeven van angst en

stond zoo haastig op, dat het weinig scheelde of hij had de prauw doen

omslaan.

Cuchares had een ontzettend visioen gehad, hij wreef zich de oogen om

zich te verzekeren dat hij wakker was, en keek opnieuw rond.

Wat hij voor een visioen had gehouden, was inderdaad iets wezenlijks;

hij had wel goed gezien.

Gelijk wij straks gezegd hebben dreven er een menigte doode boomen met

takken en wortels op den stroom. Sedert eenigen tijd had zich een groot

aantal dezer boomen in de nabijheid der prauw verzameld: zonder dat de

lepero er eene voldoende reden voor kon vinden, te minder daar deze

boomen terwijl zij natuurlijkerwijs den stroom van het water hadden

moeten volgen, integendeel in allerlei richtingen dreven en in plaats

van midden in de rivier te blijven veeleer den oever waar de hacienda

op lag meer en meer naderden.

Wat nog zonderlinger scheen, was dat de gang dezer vlottende stammen

zich bepaald naar hetzelfde punt richtte, namelijk het uiteinde der

landtong, juist achter de hacienda; voorts—het was inderdaad om van te

huiveren—zag Cuchares te midden van al deze stammen, takken en wortels,

vurige oogen schitteren, en akelige hoofden met afschuwelijke

aangezichten opsteken.

Er viel niet langer aan te twijfelen, in iederen boom zaten zes of meer

Apachen; de Roodhuiden, na in hun eerste poging aan de landzijde

gefaald te hebben, trachtten nu de kolonie aan den rivierkant te

naderen en haar onder bedekking der boomen daar zij zich achter

verscholen hielden, te overrompelen.

De positie van den lepero was hachelijk.

Tot dusver hadden de Indianen, te veel met het uitvoeren van hun plan

bezig, zeker niet op de prauw gelet of zoo zij die al hadden gezien, er

zich niet om bekreund, in den waan dat zij aan een der hunnen

toebehoorde; met ieder oogenblik echter kon deze dwaling ontdekt en de

lepero herkend worden, en dan wist hij maar al te goed dat hij verloren

was.

Reeds twee of drie malen was er voor een oogenblik eene hand aan het

boord der ranke boot geslagen, maar als door bijzondere bewaring had de

Indiaan die dit deed niet goedgevonden even in de prauw te kijken.

Al deze en nog vele andere beschouwingen gingen den armen Cuchares door

het hoofd, terwijl hij schijnbaar zoo gemakkelijk op zijn rug in de

prauw lag, zacht wiegende op de hobbelende baren en terwijl hij boven

zijn hoofd de heldere sterren aan het firmament zag blinken. Met een

door schrik vertrokken aangezicht, bleek als de dood, in iedere hand

een pistool krampachtig vastklemmend, en zich in stilte aan zijn

bijzonderen beschermheilige aanbevelende, wachtte hij de schrikkelijke

uitkomst af die met iedere verloopende minuut dreigender werd.

Hij behoefde niet lang te wachten.

XIV.

EEN INDIAANSCHE LIST.

Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta

door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd

rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen

willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.

Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze

natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in

gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit

verafschuwde ras behoort.

Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers

zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de

ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten

deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de

stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico,

plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen

weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan

tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied

der blanken.

Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke

zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot

afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele

grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen

krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen

binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der

onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich

onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid

het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de

zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen

beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t

geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder

genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen

weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge

straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te

geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers

met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen

weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche macht, gedurende

meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.

Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen

van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen

stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te

ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen

dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim

houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag

herhalen; welke maand door hen met den spotnaam van Mexicaansche Maan

wordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de

Mexicanen plunderen.

Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale

tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de

gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.

De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden,

alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te

verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk

in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche

opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem

gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie

ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de

Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was

echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming,

want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en

meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den

titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de

tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar

erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de

andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte

uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al

hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de

loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van

geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de

algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere

Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog

even krachtig en verstandig als ooit.

De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid

van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de

haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels

geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der

Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen

op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de

Comanchen en andere Indios bravos eene te ernstige bedreiging, dan dat

zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze

geduchte geburen te ontslaan. Zij hadden dus voor het oogenblik hun

ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het

algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen.

Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen

verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.

Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen

was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver

nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige

inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen

de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen,

had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te

bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda

doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van

een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste

bijzonderheden opgenomen.

De graaf de Lhorailles · 第 13 / 26 段