Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit

de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het

Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die

in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.

Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het

garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten

was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als

zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte

gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te

bewaren.

Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten

zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten,

daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen,

die zij nog niet kenden.

De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden,

integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot

voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig

gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te

meten.

De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche

gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had

afgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk

zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te

verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars

te verwoesten.

Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten

inzonderheid opmerkzaam.

Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren,

namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en

krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee

luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude

krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens

rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.

Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek

der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen

dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er

verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis;

vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van

zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.

De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht

verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed

houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.

Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en

weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.

»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich

zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien

kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans

op voordeel scheen te beloven.”

»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf;

»overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat

doña Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar

loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”

»Gij vergist u, heer graaf,” zei doña Anita die op dit oogenblik het

huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte

Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die

bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik

heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige

den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets

van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”

Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken,

daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig

van weten te bedienen, trad doña Anita den graaf voorbij zonder hem aan

te zien en nam zij haar vader bij den arm.

De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het

bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den

scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil

nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet

beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden,

niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij

zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.

De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver

belet om met doña Anita tot eene beslissende verklaring te komen.

De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der

Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en

hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar

hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial

gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede

beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante

ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een

onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk

genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen

ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen

haar vader te beginnen .... daar zag zij tegen op .... om zich daaraan

te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne

aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid;

haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als

Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der

vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.

Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had doña Anita zien

geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij

was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja

zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.

Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne

verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was

hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met

een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk

geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de

kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had

aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door doña Anita alleen

bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich

onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen

lagen.

Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij

over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te

onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en

hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij

ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in

dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar

behoud werkzaam waren.

De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het

hart; wij althans hebben gezien dat doña Anita, door haar gevoel

geleid, juist had geredeneerd.

Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij

verlangde, zeide zij:

»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de

kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don

Gaëtano u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen

geven om naar Guaymas terug te keeren.”

»Ja, waarschijnlijk wel, señorita,” antwoordde de brave capataz.

»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet

waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.

»Gij weet immers wel, señorita, dat ik voor u door een vuur zou

loopen?”

»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde

don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens

mij.”

»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”

»O! een heel gemakkelijk ding.”

»Zoo!”

»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik

sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van

tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”

»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”

»Hé!.... welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”

»En ik zal het niet meer vergeten, señorita, dat beloof ik u.”

»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”

»Wat dan?”

»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”

»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen

dat ik ze u bezorg.”

»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar

zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk

krijgen.”

»Kom, señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.

»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze

gemakkelijk te bekomen.”

»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”

»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager

gekomen....”

»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.

»Kent gij hem?”

»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”

»Dat valt dan goed meê.”

»Hoedat meê.”

»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de

Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht,

die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”

»Daar twijfel ik niet aan.”

»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den

dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet

overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat

ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene

beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als

gij denkt dat goed is.”

»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, señorita,” merkte

de capataz aan.

»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken,

dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou

kunnen gaan.”

»Alles is mogelijk, señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is

het altijd beter.”

»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne boodschap doen?”

»Kunt gij daaraan twijfelen?”

»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij

weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze

kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”

De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De

goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen,

hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge

meesteres gewoonlijk noemde.

»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”

Doña Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een

vergenoegd lachje.

Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?

Dat zullen wij straks zien.

Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen

zocht de graaf de Lhorailles doña Anita verscheidene keeren te zien en

tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te

ontwijken.

Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het

hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees

van overrompeld te worden.

Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig

minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen

er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden

en vlak voor hem bleven staan.

Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan;

in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij

des morgens op de hacienda gezien had.

Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide

vreemdelingen alleen te gemoet.

»Door welk toeval ontmoet ik u hier, señor Frances?” zeide hij, »wij

zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt

aangewezen.”

Hierop boog hij beleefd.

Don Louis boog insgelijks.

»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij,

»doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden,

achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben

dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u

gekozen hebben.”

»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”

»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van

hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,”

voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland

wijzende.

»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar

bestrijken wij de heele rivier.”

»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”

»Wil dan onze gids maar zijn, señor Frances; wij zullen u volgen.”

Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had,

werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers

op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de

wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets

van hen kon bemerken.

Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had

volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden,

aan welke don Louis hem voorstelde.

De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.

Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.

»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge

ontmoeting!”

»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die

hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend

te zijn.

»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.

»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.

»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te

vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier

reeds aan te treffen.”

»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen

gij zegt.”

»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”

»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.

»Niets anders dan hetgeen ik zeg; doña Anita wil naar het schijnt een

paar tijgervellen van u koopen.”

»Van mij?”

»Welzeker.”

Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde

capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman

tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter

verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij

den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die

deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.

»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat

ik eenigen tijd geleden...”

»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu,

zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste

ontmoeting zou overhandigen.”

»Een brief! van wie?”

»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”

»Van doña Anita?”

»Ja, van wie anders?”

»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.

De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem

dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en

las den inhoud.

Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.

»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”

»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero

min of meer stotterend.

Blas Vasquez schudde het hoofd.

»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,”

mompelde hij. »Zou doña Anita mij soms gefopt hebben?”

Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof

er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar

Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde

hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een

lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en

terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.

Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en

staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.

De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land

stapten.

Hij slaakte een kreet van verbazing.

»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij

heen gaat?”

Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half

zoet, en antwoordde op schertsenden toon:

»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien

hij van u ontvangen heeft.”

»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij

niet recht wist wat hij er op zeggen zou.

Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en

purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der

Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het

sluimerende aardrijk uitspreiden.

XIII.

EEN WEDLOOP BIJ NACHT.

De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat

wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden,

genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over

te gaan.

Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van

aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero,

of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of

ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de

wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven

had doorgebracht.

De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die

zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien,

bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak

de weerlooze kudden aanranden.

Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen

of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien,

vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en

onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman

wisten te waardeeren.

Don Martial had doña Anita voor de eerste maal gezien toen zijn

wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende

hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental

jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.

Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er

smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens

het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar

paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te

redden bijna ten koste van zijn eigen leven.

Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor het eerst

opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.

Na den brief van doña Anita gelezen te hebben had don Martial het

eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.

Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in

zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te

verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van

oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl

doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige

reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade

luim te toonen.

Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen

het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen

den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op

te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven.

Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij

wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men

zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn

hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een

goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem

te doen had uit tot gelegener oogenblik.

De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg,

terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten

rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter

weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te

begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en

zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.

Inmiddels nam de duisternis hand over hand toe; de meer verwijderde

voorwerpen begonnen met de donkere massas aan den horizont samen te

smelten, en weldra bevonden de beide ruiters zich in volslagen

duisternis.

Sinds eenigen tijd reeds had de lepero, hetzij door hoesten of door nu

en dan een uitroep de aandacht van zijn tochtgenoot pogen gaande te

maken; doch toen hij zag dat de nacht zoo donker als pik was geworden,

terwijl de Tigrero er niet om scheen te geven maar steeds in den

zelfden galop voortreed, verstoutte hij zich eindelijk het woord tot

hem te richten.

»Don Martial!” begon hij.

»Wel?” antwoordde deze onverschillig.

»Vindt gij niet dat het tijd wordt een weinig stil te houden?”

»Om welke reden?”

»Om welke reden?” herhaalde de lepero op een toon van verbazing.

»Ja, wij zijn immers nog niet waar wij wezen moeten?”

»Gaan wij dan ergens heen?”

»Waartoe zouden wij anders onze vrienden verlaten hebben?”

»Dat is waar. Maar waar gaan wij dan heen? Dat zou ik wel willen

weten.”

»Gij zult het spoedig weten.”

»Ik moet u zeggen dat ik er zeer naar verlang.”

Er volgde weder een poos stilte en zij reden steeds verder.

Zij hadden den heuvel van Guetzalli reeds ver achter zich en bereikten

eene soort van kreek, die door hare sterke kromming bijna evenwijdig

liep met het achtergedeelte der hacienda, wier donkere massa zich recht

voor hen verhief en hen met hare schaduw verborg.

Don Martial bleef staan.

»Wij zijn er,” zeide hij.

»Eindelijk!” bromde de lepero met een zucht van genoegen.

»Dat wil zeggen,” hervatte de Tigrero; »dat de gemakkelijkste helft van

onze onderneming voorbij is.”

»Wij hebben dus eene onderneming.”

»Pardi! denkt gij dan, mijn waarde, dat ik louter voor pleizier zoo

laat in den nacht langs den oever der Rio Gila loop dwalen?”

»Dat verwonderde mij ook al.”

»Thans zal onze onderneming eigenlijk pas beginnen.”

»Goed.”

»Alleen moet ik u zeggen dat zij vrij gevaarlijk is; in allen gevalle

reken ik op u.”

»Ik dank u,” antwoordde Cuchares, terwijl hij een leelijk gezicht trok,

dat voor een glimlach moest doorgaan.

Ronduit gezegd, had de lepero liever gewild dat zijn vriend hem dit

blijk van vertrouwen niet gegeven had.

Don Martial vervolgde.

»Dáár moeten wij heen,” zeide hij met de hand naar de rivier wijzende.

»Wat! daar heen? naar de hacienda?”

»Ja!”

»Wilt gij u dan in de pan laten hakken?”

»Hoezoo?”

»Denkt gij dat wij de hacienda bereiken kunnen zonder ontdekt te

worden?”

»Daar zullen wij de proef van nemen.”

»Ja, en als het ons niet gelukt, zullen die duivelsche Franschen, die

zoo scherp op de loer liggen, ons voor wilden aanzien en kort en goed

doodschieten.”

»Daar is wel eenige kans op.”

»Ik dank u hartelijk! ik blijf liever hier; want om u de waarheid te

zeggen ben ik nog niet gek genoeg om met een vroolijk hart den leeuw in

den muil te loopen; ga gij maar alleen, zoo gij er lust toe hebt; maar

ik blijf hier.”

De Tigrero kon zijn lach niet langer bedwingen.

»Het gevaar is niet zoo groot als gij u verbeeldt, wij worden op de

hacienda verwacht, door iemand, die zonder twijfel den schildwacht zal

weten te verwijderen van het punt waar wij aan land komen.”

»Dat is wel mogelijk, maar ik verkies er liever niet de proef van te

nemen, want een kogel weet van geen medelijden; en bovendien, die

duivelsche Franschen schieten raak om van te beven.”

De Tigrero antwoordde niet, hij scheen zelfs de aanmerking van zijn

kameraad niet gehoord te hebben, zijne gedachten zwierven elders. In

gebogen houding stond hij te luisteren.

De graaf de Lhorailles · 第 12 / 26 段