De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne

gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen

bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat

gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in

de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte

zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te

leven.

»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der

Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden

afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns

bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u,

hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons

de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”

»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter;

»hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner

vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn

volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien

hij hun zal gelieven te geven.”

De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te

verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had

uitgesproken.

Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van

goedkeuring.

De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne

mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich

onmiddellijk tot den Kleine-Panter:

»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,”

zeide hij.

Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een

Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.

De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te

brengen.

Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord

tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels,

met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en

zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste

nadenken verzonken.

De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in

zijn gevolg.

Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene

plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder

plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven

staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.

Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig

van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar

zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier

op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond

belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van

hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar

geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand

van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van

zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit,

alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.

Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn

oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van

zijn stam.

Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken,

vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik

van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.

De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was

en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich

alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun

strak gelaat.

Machiavelli, de schrijver van den Vorst, was, bij de Roodhuiden

vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze

arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn

de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.

Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts

en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm

naar voren.

»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te

ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn

volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de

vredescalumet rooken met hunne broederen.”

»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet

allen kinderen van den Wacondah?”

En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de

andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang

met de Apachen.

Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.

Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch,

wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.

»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier

op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de

Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”

De Spotvogel boog en antwoordde:

»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der

antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe

krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”

»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de

Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo

groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder

een bepaald en gewichtig doel.”

»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om

de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen

nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied

betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet

wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen

elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij

het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat

voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets

anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met

iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen

ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen

hun overmoed zouden in de hand werken?”

De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.

»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één

gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij

dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken

dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze

plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht,

was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal

dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet

verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”

Er volgde eene diepe stilte.

De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering

rondgaan, en riep:

»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan.

Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder

een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen

tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting daar

wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort

geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons

eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der

Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten,

ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen

Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”

Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.

»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de

Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder

mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de

kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het

opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”

De sachems verwijderden zich.

De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.

Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid,

beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.

Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot

dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid

gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.

»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de

Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne

hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist

is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld

worden.”

De Spotvogel boog.

»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.

»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn

broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan

aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken

naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart

gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen

beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de

bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten

hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal

mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten

dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de

tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden

telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort,

huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee

geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal

mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het

sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te

vallen.”

»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen;

alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. Maar

wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit

gedeelte van ons plan belast?”

De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat

beschrijven.

»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den

schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof

mijn broeder eene schoone overwinning.”

»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn

stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene

vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”

»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”

De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op

den meest vriendschappelijken voet.

Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De

vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen

hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen

spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.

XII.

VROUWENLIST.

Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan,

volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken

en den tocht te beginnen.

Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit

waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de

struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een

gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.

De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met

zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het

omliggende land in de asch was gelegd.

De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had,

was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten,

waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen

nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige

dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen

geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen

de takken!

Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten

te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, zoo

Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen

hadden aangetroffen.

De Canadees was op zijne hoede.

Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had

hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te

verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te

waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij

de hacienda ontmoette.

Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop

aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht

gespaard zijn.

De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der

kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch

den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer

te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en

trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen

gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan

de landengte.

Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen

verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te

voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten

tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan

de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit

grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft

van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de

vlucht.

De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van

geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen,

terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen

en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.

Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne

hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds

merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door

nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug

onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den

Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.

Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds

teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem,

na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte

naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.

»Hier kan mijn broeder afstijgen,” zeide hij tot den Franschman, »wij

zijn er.”

»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen

opslaande.

Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en

bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al

zijne pogingen waren vergeefs.

»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft

mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”

»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”

De Indiaan lachte.

»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.

»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn

als gij mij de uwe wilt leenen.”

»Goed, mijn broeder zal zien.”

De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed

het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na

dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan

stil.

»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.

Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door

boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere

slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp

onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te

vermoeden.

Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al

rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.

»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe

vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop

voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen

neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de

kathedraal te Quebec.”

Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan

met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne

kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige

eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.

»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.

»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons

zelf,” was het antwoord.

»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig

hebben?”

»Nu! dat zou ik denken.”

»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”

»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede

vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel

grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel

praten.”

»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”

»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel

hooren.”

Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig

verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.

»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn

verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer

landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der

veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen

brengen.”

»Maar waar willen zij zich versteken?”

»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en

door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een

geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van,

hoofdman?”

»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan

lakoniek.

»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”

»Wat dan?”

»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der

Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten

zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken

zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee

van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons

ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige

voorzorgen nemen.”

»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één

middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel

kunnen wij dan ook gebruiken.”

»Welk middel bedoelt gij?”

»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”

»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.

»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te

deelen.”

»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila,

gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en

somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen

verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich

dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er

waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde

verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden

op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als

wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een

hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en

langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”

»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden

gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden gelijken vaak

zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de

wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door

bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij

van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat

middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”

»Ooah! dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van

een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even

boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine

vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat

niet opgemerkt?”

»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik

herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”

»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te

duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te

bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”

»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen

om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige

veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de

peons heenbrengen.”

»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.

De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.

Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar

het eiland onder geleide van den Arendskop.

De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen

landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het

welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.

Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van

zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in

den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land

merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen

voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de

Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om

van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder

gevaar zouden worden gedecimeerd.

Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het

eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk

en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en

paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden

Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don

Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den

capataz en zijne peons te gemoet te gaan.

Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo dicht

in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva herkend te worden en

wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter

bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.

Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet

verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te

keuren.

Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen

zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens

sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden

gestuit.

De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met

zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter

te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en

vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te

bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de

landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het

afgesproken punt te geleiden.

Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de

kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen

sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de

Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis

geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een

ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.

De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd Dauph’yeers te

beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens

aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort

wemelt.

De graaf de Lhorailles · 第 11 / 26 段