omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een
mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”
»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging
voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien
aanval?”
»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”
»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige
voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er
over?”
»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”
»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek,
mijnheer.”
Don Louis boog en nam het woord.
»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen
zal, is inzonderheid voor de Fransche señores bestemd, die te veel aan
de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze
waarop de Indianen hier te werk gaan.”
»Dat is waar,” merkte de graaf aan.
»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn
knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”
»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De
Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand
zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en
zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal
verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig
opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten
volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een
bepaald treffen konden komen.”
»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”
»De eenige,” bevestigde de haciendero.
»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”
»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl
de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste
noodzakelijkheid bloot geven.”
»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te
bewerkstelligen....”
»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van
vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden
in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van
dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”
»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat
hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met
de Indios bravos zal gemeten hebben.”
»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne
geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don
Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede
zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk
een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige
kans op behoud.”
»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don
Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar
stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij
dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met
de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”
»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”
»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord
hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten
door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”
»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de
Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet
maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken
het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus
hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit
beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw
voordeel.”
»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat
oorlogvoeren is.”
»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig
hebt.”
»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik
heb medegebracht,” zei don Sylva.
»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.
»Ja, mijnheer.”
»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren,
nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”
»Verklaar u nader.”
»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden
aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen
een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt
is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het te
veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den
rivierkant zal samentrekken.”
»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier
op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de
jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar
stroom medevoert.”
»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don
Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van
die zijde zullen aantasten.”
»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik
twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven
er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee
stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens
maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan,
Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der
mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook
van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden
uitgevoerd.”
De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn
chef uit te voeren.
»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg
was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak;
ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding
heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed
geholpen te worden.”
»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even
als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot
ligt.”
»Nog een woord,” hervatte de Franschman.
»Spreek, mijnheer.”
»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt
medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit
oogenblik hier zijn?”
»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”
»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier
zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij
van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de
overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te
brengen.”
»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo
even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn
om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”
»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken
namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda
gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het
zien.”
»Welnu?”
»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van
listen en hinderlagen was?”
»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp
waar gij heen wilt.”
»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee
woorden zeggen.”
»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.
»Señor caballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende,
»denkt gij hier te blijven?”
»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten
vertoeven.”
»Ik heb voor het minst geen oogmerk, señor, mij in uwe intieme zaken te
mengen, geloof mij, señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”
»Ja.”
»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt
rekenen zoo goed als op u zelven?”
»Cascaras! dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”
»Zonder onbescheiden te zijn, señor, moet ik u vragen wie is deze Blas
Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”
»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke
vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”
»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”
»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.
»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.
»Hoe eer hoe liever, vriend.”
»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur
verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op
weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier, op eene plaats die
wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan
en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”
»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen
de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons
hier begint.”
»Dat is werkelijk mijn plan.”
»Maar de Apachen?”
»Welnu?”
»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten
vertrekken?”
»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij
er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft
en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd zou alleen hunne
stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten.
Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij
hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden
het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd
zijt.”
»En gij, wat denkt gij te doen?”
»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij
weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles
verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel
oogenblikkelijk.”
»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen
moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den
man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”
»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend Gaëtano, caballero, om u
te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep
in onze harten staat gegrift.”
Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich
ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te
verbreken.
De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan,
dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te
blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.
»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard
Maxime de Prébois Crancé.”
»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles
hem de hand toestekende.
»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde
hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem
werd aangeboden.
»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken
houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te
verlaten?”
»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets
tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”
»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”
»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik
reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang
uitblijven zeer ongerust maken.”
»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch
onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.
»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”
»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals
dank, mijnheer.”
»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor
niets te danken.”
De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de
landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij
half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte
hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke
gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou
moeten spelen.
»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don
Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die
verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat
zweer ik u.”
»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”
»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”
»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”
»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de
richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame
heuvel, zoo ik meen heet hij el Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust
verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne
vrienden bij u komen.”
»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”
»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden
af.”
Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de
graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de
noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.
»’t Is toch zonderling,” mompelde don Louis in zich zelven terwijl hij
in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik
eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de
minste sympathie.”
Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo
plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.
De Arendskop stond voor hem.
XI.
DE MEXICAANSCHE MAAN.
Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met
zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet
verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van
den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.
De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den
dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte,
beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan
twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.
Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte
gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het
spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl
breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende
boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier
welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en
gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.
Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit
oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst
schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te
treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar
waarde zou kunnen verbeelden.
Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide
oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten
van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander
geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met
schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door
de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.
Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden
of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden
de rivier in alle richtingen.
De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden
de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte
anderen verstrooiden.
Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor
welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels
van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte
wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren
met het ochtendmaal te bereiden.
De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen
haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen,
om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan
misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen,
zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die
Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de
Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije
mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot
dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.
De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd
van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en
deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.
Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij
een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze
haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het
eiland.
Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden
de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte
gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad
een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.
»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met
eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene
goede reis gehad?”
»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”
»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de jacal [15] geleiden
die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”
»Laten wij gaan,” zei de sachem.
De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd
langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij
aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte
als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij
beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde
beantwoordde.
»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij
eerbiedig de fressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn
sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te
laten.
Deze trad binnen.
»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.
De Kleine-Panter trad achter hem binnen en liet het gordijn weder
vallen.
De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van
die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer
wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan
zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.
Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne
pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.
»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel
vereenigd, zoo als ik bevolen had?”
»Allen zijn er vereenigd.”
»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”
»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”
De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze
verliep er een geruime tijd.
»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws
voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn
calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.
»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om
als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”
»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”
»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne mocksens [16]. Zij moeten
dus wel dapper zijn.”
De Zwarte-Beer boog toestemmend.
»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.
»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met
belangstelling.
»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij
hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden
wachten tot hij terugkwam.”
»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”
»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”
»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden
zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”
De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.
Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen
verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de
voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd
opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.
»Wel?” zei de Zwarte-Beer.
»De hoofden wachten op u.”
»Laat hen binnenkomen.”
De opperhoofden stonden reeds voor de hut.
Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst
versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.
Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het
opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.
Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de toldo (raadshut)
verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen,
ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de
beraadslaging der sachems te verzekeren.
Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde niet
bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren
toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te
kunnen uitvoeren.
»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk
uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur
geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”
De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende
oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan
al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar
trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de
pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.
»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne
zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij
is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de
kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten
die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen
te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”
De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.
»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige
ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”
»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van
vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de
Kleine-Panter met een schamperen grijns.
De Zwarte-Beer schudde het hoofd.
»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep
hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij
hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van
het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders
zich niet vergissen!”
»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.
»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer,
is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de
opgaande zon: dat is alles.”
»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in
hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”
»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij
vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één
mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij
bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in
een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt,
daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons
gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn
dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten te verdedigen en
te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat
zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde
van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de
groote medicijn.” [17]