Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t

oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan

diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.

»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene

heesche stem, »hij zal sterven.”

De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.

Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er

geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht

van gedaante deed veranderen.

Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in

verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te

voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en

volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval

verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.

»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen

zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dien acajou-ceder?”

De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den

Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast

gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.

»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult

gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”

De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.

Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een

vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel

met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen

een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.

»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder

te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”

»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.

De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen,

dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God

behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe

dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.

»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd

dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging,

die hij maakt.”

»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit

zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in

het maanlicht glinsterde.

»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den

sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.

»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil;

neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden

grijns.

»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik

niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed

te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine

hond en een valsche coyote zoo als gij.”

»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u,

want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne

woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”

»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik

u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede

aanbieden.”

»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog,

»op welke voorwaarden?”

»Op twee voorwaarden.”

»Goed.”

»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het

oog.”

De lepero gehoorzaamde.

»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek,

mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”

»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te

verwijderen waarheen wij willen,”

»Goed, ten tweede.”

»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en

niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten

minste niet in de eerste vier en twintig uren.”

»Is dat alles?”

»Dat is alles.”

»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan,

maar ik wil u de mijne zeggen.”

»Spreek.”

»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in

mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal

zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen

geslapen heeft.”

»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt

anders dan door verraad.”

»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op

volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en

er het wild voor hem braden.”

De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.

»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te

maken,” zeide hij.

»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”

»Ziedaar.”

De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van

den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van

de hoogste majesteit:

»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat

niemand hem lastig zij.”

De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts,

om de twee blanken door te laten.

»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en

twintig uren volg ik uw spoor.”

»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik

integendeel zal het uwe volgen.”

»Goed! dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer

ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.

Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door

zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het

bosch verdwenen.

»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij

verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te

laten ontsnappen.”

De Tigrero haalde de schouders op.

»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,”

zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”

»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens

Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn

tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.

»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl

don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.

»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat

ziet gij wel, zou ik denken.”

»Ik zie drie mannen.”

»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel

hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die

zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u

thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering

der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen

toe hebben: komt u dat gelegen?”

»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten

wat u beweegt om aldus te handelen.”

»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten

tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier

vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”

»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”

»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den

veldtocht bespreken.”

Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge

wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn

mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen,

die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de

beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen

gezamenlijk naar het kampement.

»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen

nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den

Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op

u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”

»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u

gerust.”

»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te

ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van

zou geweest zijn.”

»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat

maar geweten.”

»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op

terugkomen.”

»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”

»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij

heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet

gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen

gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”

»Dat is zoo.”

»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”

Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend

geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof

tot bezorgdheid.

Zij bereikten het kamp.

De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.

»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze

tegenwoordigheid verraden.”

»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met

zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden

wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”

Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij

zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.

»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later, »zonder

de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood

zoudt hebben gered.”

»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels

het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.

»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar

de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht

gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”

»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten

gebruiken,” zei Goedsmoeds.

»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan;

»wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”

»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de

Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de

hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”

»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder

loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u

moeielijk valt, om....”

»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede;

»morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij

en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent

het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”

»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep

Goedsmoeds.

»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra

onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas

terug,”

»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof

dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de

hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat

gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”

De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.

»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten

tot gij terugkomt.”

De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich

in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in

slaap.

De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts

flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.

Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de

struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.

Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop

kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar

de Tigrero gerust sliep.

Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem

duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het

Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het zacht

op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te

verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met

dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de

struiken, die zich achter hem sloten.

X.

VOOR DEN AANVAL.

Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan

der zon, werden de avonturiers wakker.

De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord

geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die

hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan,

en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den

bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.

Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er

een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte

een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne

kameraden liet zien.

Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer

vertoonden zich nog sporen van bloed.

Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.

»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd

omhoog hield.

De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.

»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl

wij sliepen.”

De jagers konden hun schrik niet verbergen.

»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.

De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.

»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem

van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”

»Ja, waarlijk!”

»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg

om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem

opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen

bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen

kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het

mes, nedergelegd op de borst van een slapenden Yori—Spanjaard.”

De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen trek van

stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht

had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te

dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren;

den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.

De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.

»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons

waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”

»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou

niet gaarne gescalpeerd worden.”

»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”

»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”

»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan,

»geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te

vertrekken, wat dunkt u?”

»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te

verijdelen,” drong don Martial nader aan.

»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover

wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.

De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een

hoofdknik te kennen.

»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.

»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te

gemakkelijk vinden zouden.”

»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze

streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een

geschikt punt moest aanwijzen.”

»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen;

onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”

»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”

»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de

groote hut uitkomt ben ik bij hem.”

»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”

Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting

der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten

verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.

Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels

in de hacienda gebeurd was.

De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de

benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.

Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem levendig

bezig; hij wenschte gaarne met doña Anita in het bijzijn van haar vader

een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of

althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan

de hand geven.

Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en

verdubbelde zijne onrust:

Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants,

bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag

als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.

De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was

ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de

sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om

haar te overrompelen.

De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, misschien zaten zij

reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne

onverzoenlijke vijanden te bestormen.

De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk

was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.

Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid

ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te

beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of

maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was

opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.

De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor

dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan,

die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten

zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.

De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo

diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die

hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.

Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.

»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.

»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom,

maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de

wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen

te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”

»Wie is die man?”

»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”

»Heeft hij niets anders meer gezegd?”

»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee

personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”

Het gelaat van den graaf helderde op.

»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”

De luitenant ging heen.

Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.

»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de

Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij

beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen

veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij

het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk

weten.”

Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, binnengeleid door den

luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.

»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank

ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”

Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:

»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de

Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”

»Wat bedoelt gij daarmede, señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u

niet.”

»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als

gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij,

terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van

bediend had.

»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”

»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot

te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren

uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als

ik mijne eigen taal mag spreken.”

Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.

»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee

Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders:

vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over

Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en

daar wij zoo ver af zijn.”

»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen

moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne

omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk

vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en

zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met

praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen

hebben.”

»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk

vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”

»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en

kwade tijding kwam brengen.”

»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het

mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn

anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”

»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans

boven het hoofd zweeft.”

»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer;

spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u

rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”

Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don

Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids

en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der

hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie

te overrompelen.

»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het

gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om

het plan uwer vijanden te verijdelen.”

»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen

mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik

begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit

vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te

verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te

beramen.”

Hij klopte op de tafel.

Er kwam een peon binnen.

»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.

Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.

»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de

omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven

dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”

De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te

gehoorzamen.

»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk

tegenhoudende; »nog een woord.”

»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij

nu toch Fransch?”

»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.

»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.

»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de

Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw

verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de

tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”

»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons

niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”

Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.

»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt

juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der

Indianen zal ons zeer te stade komen.”

»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet

tegen de aanwezigen.

»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”

»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”

De graaf de Lhorailles · 第 9 / 26 段